Boek IV.Bevattende den tijd van één jaar.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende vier bladzijden.Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
Boek IV.Bevattende den tijd van één jaar.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende vier bladzijden.Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
Boek IV.Bevattende den tijd van één jaar.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende vier bladzijden.Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
Boek IV.Bevattende den tijd van één jaar.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende vier bladzijden.Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
Bevattende den tijd van één jaar.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende vier bladzijden.Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
Hoofdstuk I.Bevattende vier bladzijden.
Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:
„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”
„Terwijl het glas metalebij het vrolijk drinkgelag
’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”
Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.
Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad,[123]om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.
Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.
Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.
En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die[124]geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.
De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.
Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.
Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en[125]daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.
En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.