[Inhoud]Hoofdstuk II.Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western.Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:„Nitor splendens Pario marmore purius.â€â€žSchitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]
[Inhoud]Hoofdstuk II.Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western.Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:„Nitor splendens Pario marmore purius.â€â€žSchitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]
[Inhoud]Hoofdstuk II.Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western.Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:„Nitor splendens Pario marmore purius.â€â€žSchitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]
[Inhoud]Hoofdstuk II.Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western.Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:„Nitor splendens Pario marmore purius.â€â€žSchitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]
[Inhoud]Hoofdstuk II.Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western.Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:„Nitor splendens Pario marmore purius.â€â€žSchitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]
Hoofdstuk II.Een gering blijk van hetgeen waartoe wij in staat zijn in den verheven schrijftrant, en eene beschrijving van mejufvrouw Sophia Western.
Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:„Nitor splendens Pario marmore purius.â€â€žSchitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]
Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.
Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde[126]koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoetenhartstogtop in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!
Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.
Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.
En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.
Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.
Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein.[127]Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:
„Haar lippen waren rond, en dun de eenAanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheenGestoken door een bij.—â€
„Haar lippen waren rond, en dun de een
Aanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheen
Gestoken door een bij.—â€
De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:
————„Op hare wangen sprakHaar edel bloed met onmiskenbre macht,Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€
————„Op hare wangen sprak
Haar edel bloed met onmiskenbre macht,
Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.â€
Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan[128]worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:
„Nitor splendens Pario marmore purius.â€
„Schitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.â€
Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.
Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring†noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.[129]