Boek IX.Bevattende den tijd van twaalf uren.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven.Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van denBerg.Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton.Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187][Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten.Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard.De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep.Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.„Juist!” zei Partridge.„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]„Wel zeker,” antwoordde Partridge.„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd.Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]
Boek IX.Bevattende den tijd van twaalf uren.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven.Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van denBerg.Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton.Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187][Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten.Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard.De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep.Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.„Juist!” zei Partridge.„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]„Wel zeker,” antwoordde Partridge.„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd.Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]
Boek IX.Bevattende den tijd van twaalf uren.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven.Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van denBerg.Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton.Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187][Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten.Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard.De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep.Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.„Juist!” zei Partridge.„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]„Wel zeker,” antwoordde Partridge.„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd.Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]
Boek IX.Bevattende den tijd van twaalf uren.[Inhoud]Hoofdstuk I.Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven.Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van denBerg.Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton.Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187][Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten.Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard.De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep.Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.„Juist!” zei Partridge.„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]„Wel zeker,” antwoordde Partridge.„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd.Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]
Bevattende den tijd van twaalf uren.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven.Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑
Hoofdstuk I.Over diegenen die het regt hebben, en diegenen die het regt niet hebben om eene geschiedenis als deze te schrijven.
Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.
Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het[171]publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.
Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.
Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.
Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.
Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd[172]zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen.Scribimus indocti doctique passim,1kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.
Men zou welligt kunnen denken dat depoëzyhierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.
Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van eenpruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.
Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen[173]verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.
Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.
Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.[174]
Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.
Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van[175]een Garrick, eene Cibber, of eene Clive,2dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.
En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—ene converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden[176]heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.
Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.
1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑
1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑
1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑
1„Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”↑
2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑
2Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan.Noot van den Schr.↑
[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van denBerg.Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.
Hoofdstuk II.Bevattende een zeer wonderlijk avontuur van den heer Jones, onder de wandeling met den ouden man van denBerg.
Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.
Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.
Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?
„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik[177]trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”
„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”
Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”
Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.
Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.
De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde,[178]dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.
„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”
Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.
De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.
Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:
„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”
„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien[179]ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”
„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”
Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?
Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.
Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.
De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.
Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem[180]uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.
Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.
„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”
Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”
Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom[181]te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.
[Inhoud]Hoofdstuk III.De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton.Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187]
Hoofdstuk III.De aankomst van den heer Jones met de dame in het logement; met eene zeer uitvoerige beschrijving van den slag van Upton.
Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187]
Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.
Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”
Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.
Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.
Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De[182]waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.
Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.
Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.
De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.
Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste[183]kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.
De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.
Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.
Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge[184]straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.
De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met eenristvan scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.
Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.
De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”
Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling[185]naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.
De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.
Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.
Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijkPartridgetot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.
De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar[186]hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.
Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.
De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.
De waardin bragt beideonmiddellijknaar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.[187]
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten.Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.
Hoofdstuk IV.Waarin de aankomst van een krijgsman voor goed een einde maakt aan de vijandelijkheden en een vasten en duurzamen vrede tusschen alle partijen doet sluiten.
Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.
Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.
De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.
Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:
„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”
De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”
Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat[188]hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”
„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”
„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”
De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”
„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”
Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”[189]
„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”
Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.
De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.
Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde[190]hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.
De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.
Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:
„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”
Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.
Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf[191]vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.
De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard.De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.
Hoofdstuk V.Eene verontschuldiging voor alle helden die eene goede maag hebben, en de beschrijving van een strijd van verliefden aard.
De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.
De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs[192]zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.
Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.
Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.
Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.
De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder[193]naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.
Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.
Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.
Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.
Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne[194]ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad diespicula et faces amoriszoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.
Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als inpoëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.
Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.
Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te[195]leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het nietdignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.
De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.
Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.[196]
Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.
Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep.Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.„Juist!” zei Partridge.„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]„Wel zeker,” antwoordde Partridge.„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.
Hoofdstuk VI.Een vriendschappelijk gesprek in de keuken, dat op eene zeer gewone, hoewel niet al te vriendschappelijke wijze afliep.
Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.„Juist!” zei Partridge.„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]„Wel zeker,” antwoordde Partridge.„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.
Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.
Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.
Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de[197]oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.
Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”
„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”
„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”
„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”
„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn.[198]Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”
„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”
„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”
„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”
De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.
De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?
„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd!Sed, heu mihi! non sum quod fui!”
„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”
„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”
„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.
„Juist!” zei Partridge.
„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.[199]
„Wel zeker,” antwoordde Partridge.
„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”
„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.
„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”
„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”
„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”
„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”
„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”
„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”[200]
„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.
„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”
„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”
„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”
„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”
„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”
„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.
„Ja, dat hebt ge gedaan!”hernamde sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”
„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen.Non sequitur!”
„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”
„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking eennon sequiturwas.”
„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de[201]sergeant. „Zelfsequitur!Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”
Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beidenonmiddellijkde rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.
De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.
De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”[202]
Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.
De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd.Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]
Hoofdstuk VII.Bevattende breedvoerige ophelderingen omtrent mevrouw Waters en de wijze waarop zij in dien treurigen toestand geraakte, waaruit zij door Jones gered werd.
Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]
Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.
Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe[203]mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.
Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.
Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.
Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.
Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.
Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.
De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om[204]de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.
Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.
Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamenonmiddellijkdaarover te raadplegen.
Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.[205]
Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.
Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.
Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.
Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.
Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.[206]
Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.
Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.
En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.[207]