Boek X.

Boek X.Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten.Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1[209]Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden.Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216][Inhoud]Hoofdstuk III.Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken.De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken.De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren.Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.Sophia keurde dit goed en begon als volgt:„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”Suze hernam, dat dit wel het geval was.„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

Boek X.Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten.Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1[209]Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden.Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216][Inhoud]Hoofdstuk III.Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken.De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken.De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren.Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.Sophia keurde dit goed en begon als volgt:„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”Suze hernam, dat dit wel het geval was.„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

Boek X.Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten.Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1[209]Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden.Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216][Inhoud]Hoofdstuk III.Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken.De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken.De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren.Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.Sophia keurde dit goed en begon als volgt:„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”Suze hernam, dat dit wel het geval was.„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

Boek X.Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten.Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1[209]Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden.Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216][Inhoud]Hoofdstuk III.Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken.De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken.De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren.Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.Sophia keurde dit goed en begon als volgt:„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”Suze hernam, dat dit wel het geval was.„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.

[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten.Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1[209]Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑

Hoofdstuk I.Bevattende zeer noodzakelijke onderrigting voor de hedendaagsche recensenten.

Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1[209]Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]

Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.

Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.

Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u nietonmiddellijkduidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.

Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.

Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.[208]

Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.

Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:

„—Nulla virtute redemptumA vitiis.”1

„—Nulla virtute redemptum

A vitiis.”1

[209]

Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.

Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten,quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.

En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.[210]

1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑

1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑

1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑

1Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.↑

[Inhoud]Hoofdstuk II.De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden.Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216]

Hoofdstuk II.De aankomst van een Ierschen heer, met de zeer verbazende avonturen in het logement, die daarop volgden.

Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216]

Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.

Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?

Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.

„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet[211]om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”

Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.

Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.

Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.

Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.

Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.

Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen[212]moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.

De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.

Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.

Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.

Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.

Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.[213]

Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.

Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:

„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”

Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:

„O, mijnheerMaclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”

„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”

Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”

Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heerMaclachlanhernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”

Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare[214]kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:

„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”

De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.

Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”

Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.

Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”

„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.[215]

Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”

De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.

En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.

Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.[216]

[Inhoud]Hoofdstuk III.Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken.De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑

Hoofdstuk III.Een gesprek tusschen de waardin en Suze de werkmeid, dat gelezen moest worden door alle logementhouders en hunne dienstboden,—alsmede de aankomst en de vriendelijkheid van zekere schoone jonge dame, waaruit menschen van hoogen stand leeren mogen hoe zij zich algemeen bemind kunnen maken.

De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.

De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.

Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.

Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”

„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”

„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven[217]tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”

Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”

Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.

„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur[218]van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”

Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.

Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.

De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben,[219]en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.

Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamdeonmiddellijkdoor die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.

De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.

Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.

De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:

„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”

Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op[220]eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.

De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.

„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”

„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”

„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”

„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”

„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.

„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”

„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”

„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de[221]beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”

Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”

„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”

„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”

„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”

„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”

Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.

Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke[222]gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.

„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”

De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey;1want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.

1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑

1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑

1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑

1Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken.De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.

Hoofdstuk IV.Bevattende onfeilbare middelen om zich algemeen veracht en gehaat te maken.

De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.

De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.

Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op[223]wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”

„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”

De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”

„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”

„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”

„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”[224]

„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.

„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”

De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”

De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.

Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”

Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”[225]

„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen.Non semper vox casualis est verbo nominativus.”

Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”

Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.

Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:

„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”

Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”

„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.

„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.

„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”

De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:

„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”

Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”[226]

„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”

De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren.Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.Sophia keurde dit goed en begon als volgt:„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”Suze hernam, dat dit wel het geval was.„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

Hoofdstuk V.Aantoonende wie de beminnelijke dame en hare onbeminnelijke kamenier waren.

Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.Sophia keurde dit goed en begon als volgt:„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”Suze hernam, dat dit wel het geval was.„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:

„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”

Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”

„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”

„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”

Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.

Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad[227]een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.

„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij;„„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”

„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”

Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten omonmiddellijkden heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.

Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”

Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.

„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar,non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”

„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.

„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop[228]haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.

Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:

„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”

„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”

Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want[229]even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.

Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.

Sophia keurde dit goed en begon als volgt:

„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.

„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”

Suze hernam, dat dit wel het geval was.

„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”

„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”

Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.

„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.

„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”

„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”

Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:

„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”

Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.[230]

Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.

„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”

„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.

„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”

„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”

„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:

„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”

Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.

Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze[231]misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.

Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.

De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.

Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.


Back to IndexNext