Boek VIII.

Boek VIII.Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk.Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones.Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt.Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot.De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”[Inhoud]Hoofdstuk V.Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier.Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

Boek VIII.Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk.Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones.Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt.Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot.De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”[Inhoud]Hoofdstuk V.Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier.Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

Boek VIII.Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk.Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones.Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt.Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot.De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”[Inhoud]Hoofdstuk V.Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier.Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

Boek VIII.Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk.Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones.Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt.Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot.De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”[Inhoud]Hoofdstuk V.Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier.Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.

[Inhoud]Hoofdstuk I.Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk.Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑

Hoofdstuk I.Een verbazend lang hoofdstuk over het wonderbaarlijke;—verreweg het langste inleidende hoofdstuk in het geheele werk.

Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.

Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten1van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.

Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch[78]te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.

Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren,[79]die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.

Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.

De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.

Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.

De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.

Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen[80]wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.

Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.

Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.

Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de[81]waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.

Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.

Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in deTempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra[82]de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”

Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren,[83]zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:

„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;Vel duo, vel nemo.”

„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;

Vel duo, vel nemo.”

En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulkerarae avesmoeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.

Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.

Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.

Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in[84]strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.

Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.

Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”

Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als[85]men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.

Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.

Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.

1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑

1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑

1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑

1Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones.Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.

Hoofdstuk II.Waarin de waardin een bezoek aflegt bij den heer Jones.

Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.

Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.

Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.[86]

Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.

„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen,[87]en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”

„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”

„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”

„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.

„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”

„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:

„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeldOp háár gelijken zou. Al wat ge u droomtVan hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”

„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeld

Op háár gelijken zou. Al wat ge u droomt

Van hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:

Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,

Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”

„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”

„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”

„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”

„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”[88]

„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”

„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”

„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”

„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”

„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”

„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”

„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”

„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”

„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm[89]verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.

De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”

En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.

[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt.Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.

Hoofdstuk III.Waarin de heelmeester ten tweedenmale optreedt.

Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.

Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige[90]tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.

Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.

Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”

„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”

Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.

De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.

„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei[91]de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”

„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”

„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”

„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”

„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”

„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”

Hij liep hieroponmiddellijkde trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen[92]Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.

„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.

„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”

„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”

„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.

„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”

„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”

„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.

„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”

„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot.De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”

Hoofdstuk IV.Waarin een der aardigste barbiers optreedt, die ooit in eenige geschiedenis vermeld werden,—met inbegrip zelfs van den barbier van Bagdad en van dien in Don Quichot.

De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”

De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt[93]gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.

Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”

„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”

„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”

„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”

„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”

Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.

Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.

Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.

Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.

Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter,[94]die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.

Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:

„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”

„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.

„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”

„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”

„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat dietondenti gravioris.”

„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.

„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte;hinc illae lachrymae!Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”

„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”

„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen[95]na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar eenhiatus in manuscriptiste zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”

„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.

„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”

„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”

„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”

„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.

„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”

Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.

Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal instatu quowas gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het[96]zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”

Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.

„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even alslucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.

De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”

„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”

„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”[97]

„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”

„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”

„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”

„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”

[Inhoud]Hoofdstuk V.Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier.Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

Hoofdstuk V.Een gesprek tusschen den heer Jones en den barbier.

Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.

„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:

„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.

„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt,ille optimus omnium patronus?”[98]

„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”

„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”

„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”

„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt,in casu incognitois, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”

„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”

„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”

„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.

„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij[99]hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”

„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.

„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daaramoris abundantia erga te.”

Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.

De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:

„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”

„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”

Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles[100]wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.

De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.

Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”

En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.

Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen[101]zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.

Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:

„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”

„Proh deum atque hominum fidem!Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”

„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”

„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar:Tempus edax rerum!”

Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”

„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, deColloquiavan Erasmus;—Ovidius, deTristibus;—deGradus ad Parnassumen in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe;[102]het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”

„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”

De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.


Back to IndexNext