Hoofdstuk VI.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was.’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107][Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin.Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet.De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”„Juist,” zei de andere.„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen.De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven.Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:„Wie zij waren en wat zij wilden?”Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was.’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107][Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin.Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet.De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”„Juist,” zei de andere.„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen.De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven.Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:„Wie zij waren en wat zij wilden?”Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was.’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107][Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin.Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet.De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”„Juist,” zei de andere.„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen.De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven.Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:„Wie zij waren en wat zij wilden?”Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was.’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107][Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin.Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet.De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”„Juist,” zei de andere.„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen.De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven.Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:„Wie zij waren en wat zij wilden?”Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was.’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107]

Hoofdstuk VI.Waarin de begaafdheden van den heer Benjamin zigtbaar worden;—alsmede wie deze buitengewone mensch eigenlijk was.

’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107]

’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”

De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks[103]beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.

„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”

„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen.Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”

Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.

„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.

„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.

„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”

Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.

„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge[104]uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”

„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.

„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”

„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”

„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”

Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.

„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”

Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”

Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.

„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.

„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”[105]

„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”

„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”

„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”

„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”

„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”

„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”

Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.[106]

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”

Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:

„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.

Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””

Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.

Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.

„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”

Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.[107]

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin.Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.

Hoofdstuk VII.Bevattende betere redenen dan tot dusver gebleken zijn voor het gedrag van Partridge;—eene verontschuldiging voor de zwakheid van Jones, en nog enkele anekdoten omtrent de waardin.

Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.

Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.

Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde[108]hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.

Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.

Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in[109]te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.

’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.

„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”

„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”

„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”

„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”

„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”

„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.

„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”[110]

„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”

„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”

Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.

Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.

’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.

De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.[111]

Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de grooteluî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet.De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”„Juist,” zei de andere.„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117]

Hoofdstuk VIII.Jones komt te Gloucester aan en neemt zijn intrek in „de Klok;” welke soort van logement dat was, en het karakter van een beunhaas, dien hij daar ontmoet.

De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”„Juist,” zei de andere.„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117]

De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.

Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische[112]begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.

Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.

Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.

Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer[113]Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.

Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.

Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.

Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”

Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”

„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”

„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.

„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals[114]iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”

„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”

„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”

„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”

„Juist,” zei de andere.

„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”

„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”

De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind[115]aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.

Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij welbegrijptdat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”

Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.

Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”

Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.

De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid,[116]welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.

Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.

Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.

Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.[117]

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen.De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.

Hoofdstuk IX.Bevattende verscheidene gesprekken tusschen Jones en Partridge over de liefde, de koude, den honger en andere dingen, met de gelukkige en wonderbaarlijke redding van Partridge, toen hij op het punt was van eene noodlottige ontdekking aan zijn vriend te doen.

De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.

De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.

Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge nietonmiddellijkop deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.

„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”[118]

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum!Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”

„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”

„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”

„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”

„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”

„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”

„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en[119]daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen.I prae, sequar te.”

Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”

„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”

„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”

„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had.Infandum, regina jubes renovare dolorem!Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”

„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.

„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”

„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”[120]

„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”

„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”

„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”

„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”

„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”

„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”

„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde[121]me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”

„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”

„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”

„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”

„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”

„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”

Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke[122]dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.

Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.

Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.

Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—[123]en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.

Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.

Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.

[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven.Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:„Wie zij waren en wat zij wilden?”Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

Hoofdstuk X.Waarin de reizigers een zeer wonderbaarlijk avontuur beleven.

Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:„Wie zij waren en wat zij wilden?”Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:

„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan[124]over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”

„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”

„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.

„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”

„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”

Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.

Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:

„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”

Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.[125]

Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”

„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:

„Wie zij waren en wat zij wilden?”

Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.

„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”

Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.

Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.[126]

De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.

Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.

Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.

Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:

„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”

„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”

„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”

„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”

„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch;[127]die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”

„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”

„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”

„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”

„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”

„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”

Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek[128]voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”

„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”

„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”

„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.

Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.

Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.

De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:

„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”

„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet[129]vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”

„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”

„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”

De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:

„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”

„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”

„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”

De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.

En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een[130]kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.

Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.

„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”

„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”

„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”

Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”

„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”

„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”

„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”[131]

„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”

„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”

„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”

„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”

„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”

„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”

Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:

„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”

Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”

„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks[132]het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”

Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.

Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.


Back to IndexNext