[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick.Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden.In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin de geschiedenis terug gaat.Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IX.Sophia’s vlugt.Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”„Met wien?” vroeg Sophia driftig.„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick.Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden.In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin de geschiedenis terug gaat.Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IX.Sophia’s vlugt.Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”„Met wien?” vroeg Sophia driftig.„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick.Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden.In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin de geschiedenis terug gaat.Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IX.Sophia’s vlugt.Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”„Met wien?” vroeg Sophia driftig.„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick.Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden.In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin de geschiedenis terug gaat.Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk IX.Sophia’s vlugt.Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”„Met wien?” vroeg Sophia driftig.„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick.Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.
Hoofdstuk VI.Bevattende, onder anderen, de slimheid van Partridge, de dolzinnigheid van Jones en de dwaasheid van Fitzpatrick.
Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.
Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen,[232]en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.
Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.
De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:
„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en dezehorrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”
„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”
„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet[233]te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”
Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.
Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.
„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”
En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld[234]was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”
„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”
„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.
„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.
En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.
Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.
Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.
De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.
De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.[235]
De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.
De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.
Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.
Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloogonmiddellijkde trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk[236]dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.
Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.
Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden.In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.
Hoofdstuk VII.Waarin de avonturen in de herberg te Upton ten einde gebragt worden.
In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.
In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.
Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de[237]meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.
De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.
De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.
Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”
Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.
Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:
„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”
„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”
„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar,[238]op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”
Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.
Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”
Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.
De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.
De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.
De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.
Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt,[239]hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.
Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.
De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.
De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.
Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.
Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone[240]schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”
Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.
De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.
Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.
Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.
Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen[241]nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin de geschiedenis terug gaat.Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑
Hoofdstuk VIII.Waarin de geschiedenis terug gaat.
Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.
Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.
De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.
Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”
Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.
Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve[242]mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.
Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heerBlifilook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.
O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkendeknieënde kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!
„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl.…! Wel verd.…! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”
„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”
„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”
Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.
Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.[243]
Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.
De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.
Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.
Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”
„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin[244]gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”
„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische1slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”
Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.
Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene[245]liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”
„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”
Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.
Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”
Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.
1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑
1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑
1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑
1Bedoelde zij welligt Circassische?Noot van den Schr.↑
[Inhoud]Hoofdstuk IX.Sophia’s vlugt.Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”„Met wien?” vroeg Sophia driftig.„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
Hoofdstuk IX.Sophia’s vlugt.
Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”„Met wien?” vroeg Sophia driftig.„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]
Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.
Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te[246]doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.
Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.
Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.
Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de[247]geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.
Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.
Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.
Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van[248]den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.
Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.
Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”
Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.
De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.
„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”
„Met wien?” vroeg Sophia driftig.
„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”
„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.[249]
„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.
„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”
„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”
Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.
Onze reizigers bereikten Hambrook1bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.
Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.[250]
Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.
Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:
„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”
„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”
„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”
„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.
„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”
„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”
„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”
„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd[251]door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”
Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.
Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.
Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:
„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”
Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te[252]verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.
Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.
De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.
Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.
Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt tehebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet[253]minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.
Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.
Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.[254]
1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑
1Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had.Noot van den Schr.↑