Boek XI.Bevattende ongeveer drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een hapje voor de recensenten.Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had.In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”„Wat ik van haar denk?”„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267][Inhoud]Hoofdstuk III.Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel.De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk IV.De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
Boek XI.Bevattende ongeveer drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een hapje voor de recensenten.Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had.In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”„Wat ik van haar denk?”„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267][Inhoud]Hoofdstuk III.Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel.De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk IV.De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
Boek XI.Bevattende ongeveer drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een hapje voor de recensenten.Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had.In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”„Wat ik van haar denk?”„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267][Inhoud]Hoofdstuk III.Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel.De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk IV.De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
Boek XI.Bevattende ongeveer drie dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een hapje voor de recensenten.Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑[Inhoud]Hoofdstuk II.Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had.In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”„Wat ik van haar denk?”„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267][Inhoud]Hoofdstuk III.Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel.De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk IV.De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
Bevattende ongeveer drie dagen.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Een hapje voor de recensenten.Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑
Hoofdstuk I.Een hapje voor de recensenten.
Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]
Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.
Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”
Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.
Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.
Bovendien is er een ander licht, waarin men met het[255]meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?
De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.
En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.
Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.
Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:[256]
„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,En mij volstrekt verarmt.”1
„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;
’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:
Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,
Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,
En mij volstrekt verarmt.”1
Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.
De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.
Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.
Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid,[257]de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.
En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.
Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om inForo literarioeen vonnis te vellen.
Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.
Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen,[258]het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.
Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:
„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucisOffendar maculis, quas aut incuria fudit,Aut humana parum cavit natura,—”
„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucis
Offendar maculis, quas aut incuria fudit,
Aut humana parum cavit natura,—”
Want, zoo als Martialis zegt:Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.[259]
1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑
1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑
1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑
1Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.↑
[Inhoud]Hoofdstuk II.Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had.In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”„Wat ik van haar denk?”„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267]
Hoofdstuk II.Sophia’s avonturen nadat zij Upton verlaten had.
In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”„Wat ik van haar denk?”„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267]
In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.
Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.
Hij gehoorzaamdeonmiddellijken zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.
De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het[260]haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”
De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”
Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.
De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.
Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.[261]
Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”
De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.
Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?
Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”
Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.
Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar[262]zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.
De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.
Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad[263]hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.
Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.
Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemdeonmiddellijkhierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.
Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.
Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig[264]bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.
Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”
„Wat ik van haar denk?”
„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”
„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”
„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en[265]nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”
„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”
„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”
„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”
„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”
„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”
„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”
„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig[266]mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”
„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”
„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”
„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”
„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”
Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”
Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve![267]
[Inhoud]Hoofdstuk III.Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel.De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.
Hoofdstuk III.Een zeer kort hoofdstuk, waarin men echter vindt: eene zon, eene maan, eene ster en een engel.
De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.
De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.
Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.
Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.
Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.
Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde[268]Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.
Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.
Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.
Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid[269]waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.
De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
Hoofdstuk IV.De geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.
Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:
„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”[270]
„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”
„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”
Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:
„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.
„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest,[271]want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.
„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.
„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.
„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer[272]het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.
„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”
„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”
„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heerFitzpatrickmet ons beide eene intrigue had.
„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf[273]over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.
„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.
„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen[274]werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”
„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.
„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.
„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig,[275]de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”
Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.