[Inhoud]Hoofdstuk V.Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”[277]„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281][Inhoud]Hoofdstuk VI.De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid.Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285][Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt.Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick.Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.Maar zoo was het toch.Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”[277]„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281][Inhoud]Hoofdstuk VI.De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid.Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285][Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt.Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick.Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.Maar zoo was het toch.Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”[277]„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281][Inhoud]Hoofdstuk VI.De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid.Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285][Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt.Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick.Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.Maar zoo was het toch.Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”[277]„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281][Inhoud]Hoofdstuk VI.De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid.Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285][Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt.Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick.Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.Maar zoo was het toch.Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”[277]„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281]
Hoofdstuk V.Vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick.
„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”[277]„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281]
„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte[276]hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.
„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:
„„Den heere Brian Fitzpatrick.„Mijnheer,„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik„Mijnheer,„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”
„„Den heere Brian Fitzpatrick.
„Mijnheer,
„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.
„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.
„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.
„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik
„Mijnheer,
„Uw dienstwillige dienaar,Sam. Cosgrave.”
[277]
„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:
„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”
„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:
„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.
„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.
„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich[278]niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.
„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.
„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.
„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”[279]
„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.
„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten[280]opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.
„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.
„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”[281]
[Inhoud]Hoofdstuk VI.De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid.Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285]
Hoofdstuk VI.De vergissing van den waard brengt Sophia in verschrikkelijke verlegenheid.
Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285]
Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.
De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.
De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”
De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.
„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”
Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte[282]daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:
„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”
„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”
„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”
„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet[283]om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”
„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.
„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.
Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:
„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”
Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”
„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”
Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van[284]door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.
Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”
„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”
Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.
De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.
Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.[285]
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt.Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”
Hoofdstuk VII.Waarin mevrouw Fitzpatrick haar verhaal ten einde brengt.
Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”
Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:
„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.
„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”
„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren[286]kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”
„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”
„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.
„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.[287]
„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!
„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”
„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”
„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.
„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”
„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk[288]gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”
Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.
„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.
„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”
„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die[289]ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.
„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijkegoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”
„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”
„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”
„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”
„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”
„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw[290]had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.
„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.
„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis[291]van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.
„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.
„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal![292]Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.
„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”
„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.
„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.
„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”[293]
Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”
„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”
„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”
„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick.Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.Maar zoo was het toch.Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]
Hoofdstuk VIII.Een verschrikkelijk rumoer in het logement, en de onverwachte aankomst van een vriend van mevrouw Fitzpatrick.
Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.Maar zoo was het toch.Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]
Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.
Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had.[294]Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.
Maar zoo was het toch.
Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.
Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes,[295]de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”
De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.
Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”[296]
Hinc illae lachrymae!Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.
Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”
„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”
„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”
Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.
Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.
Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van[297]dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.
Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.
Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door devleeschhakenvan Honour, luide riep om wraak en vergelding.
Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.
Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia[298]verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.
Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.
Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.
Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.
Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden[299]van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.
Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.
Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.
Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.
Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en[300]zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.
Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”
Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.
Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.
„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”
Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.[301]