Boek XII.Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden.De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging.De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel.Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een avontuur met een bedelaar.Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329][Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden.Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]
Boek XII.Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden.De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging.De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel.Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een avontuur met een bedelaar.Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329][Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden.Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]
Boek XII.Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden.De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging.De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel.Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een avontuur met een bedelaar.Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329][Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden.Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]
Boek XII.Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden.De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging.De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel.Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een avontuur met een bedelaar.Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329][Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden.Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]
Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden.De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.
Hoofdstuk I.Aantoonende wat men als plagiaat moet beschouwen bij een hedendaagschen schrijver, en wat men voor wettigen buit mag houden.
De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.
De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.
Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.
„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”
Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde[312]kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.
En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.
Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien[313]in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.
Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.
Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.
Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.
Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te[314]schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging.De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.
Hoofdstuk II.Waarin (hoewel de landjonker zijne dochter niet vindt) iets gevonden wordt dat een einde maakt aan zijne vervolging.
De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.
De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.
De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.
Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.
Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.
De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.[315]
„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kortcompos votizult wezen.”
„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”
Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:
„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.
Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.
Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden[316]was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”
Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.
De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.
Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.
De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.
Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid[317]te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.
Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.
Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.
Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.
Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.
Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen[318]avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel.Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”
Hoofdstuk III.Het vertrek van Jones uit Upton, en hetgeen er tusschen hem en Partridge onderweg voorviel.
Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”
Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.
Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.[319]
De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.
Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.
Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.
„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”
„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”
„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „omonmiddellijkregtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus:sed vox ea sola reperta est.”
„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—
Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.
Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen[320]had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.
Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.
Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.
Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”
Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter[321]toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.
Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.
Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.
Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.
„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten,[322]en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”
„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”
„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”
„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”
„Dulce et decorum est pro patria mori.Mors et fugacem persequitur virum,Nec parcit imbellis juventaePoplitibus, timidoque tergo.”
„Dulce et decorum est pro patria mori.
Mors et fugacem persequitur virum,
Nec parcit imbellis juventae
Poplitibus, timidoque tergo.”
„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”
„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”
„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”
„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!
Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,
Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,
Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”
„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker!Mors omnibus communis!Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop[323]geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”
„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”
„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat[324]hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus!Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat!Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Een avontuur met een bedelaar.Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329]
Hoofdstuk IV.Een avontuur met een bedelaar.
Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329]
Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”
Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”
En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.
„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”
Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.[325]
Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.
Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.
De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!
Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.
Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig[326]shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.
Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.
De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.
De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.
Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man!Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”
Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.
Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn[327]pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”
En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.
„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”
„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”
„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”
„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij[328]later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”
„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”
„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”
Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”
„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”
Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.
Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”[329]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden.Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]
Hoofdstuk V.Bevattende meer avonturen, welke de heer Jones en zijn makker onderweg beleefden.
Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]
Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.
Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.
Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”
„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.
„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker[330]niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, diemens sana in corpore sano,—”
Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”
Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”
Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.
En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.
„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”
Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.
„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”
„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”[331]
Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.
Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.
Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.
Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.
Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.
De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,””en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het[332]allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.
De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.
Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.
„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”
„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”
De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui[333]te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”
„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”
„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”
„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”
De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.[334]