[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging.Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken.Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones.Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen.Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352][Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen.De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”Dowling zette hierbij groote oogen.Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging.Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken.Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones.Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen.Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352][Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen.De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”Dowling zette hierbij groote oogen.Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging.Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken.Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones.Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen.Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352][Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen.De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”Dowling zette hierbij groote oogen.Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging.Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken.Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones.Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen.Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352][Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen.De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”Dowling zette hierbij groote oogen.Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging.Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.
Hoofdstuk VI.Waaruit men opmaken kan dat de beste dingen onderhevig zijn aan verkeerde opvatting en uitlegging.
Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.
Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.
Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.
„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”
De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.
„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en[335]toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”
Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.
Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.
Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.[336]
In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.
Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”
Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.
„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.[337]
Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.
En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken.Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.
Hoofdstuk VII.Bevattende een paar opmerkingen van ons en zeer vele van het goede gezelschap in de keuken.
Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.
Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.
Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men[338]bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.
Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.
Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.
De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.
„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand[339]heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”
De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.
„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”
De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”
Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.
„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”
„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”
„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”
„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin;[340]„maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”
De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.
„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”
De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten[341]om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”
„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”
„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”
„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”
De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”
„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”
„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”
„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”
„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”
„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”
„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een[342]zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”
„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”
„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”
„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”
„Wel neen!” riep de andere; „datwaarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”
„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”
„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel![343]zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”
De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echteJakobietenwaren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.
Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.
De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones.Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348]
Hoofdstuk VIII.Waarin vrouw Fortuna gunstiger gestemd schijnt dan tot dus ver ten opzigte van Jones.
Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348]
Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”
Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.
Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den[344]muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.
Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.
„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”
Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.
Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.
Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om[345]verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.
Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”
En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.
Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.
De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.
Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:
„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”
„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is[346]waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”
Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.
Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.
Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones[347]te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, hetonmiddellijkegevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.
Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.
Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.[348]
[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen.Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352]
Hoofdstuk IX.Bevattende weinig meer dan eenige losse opmerkingen.
Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352]
Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.
Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal[349]overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.
Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.
Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.[350]
De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.
Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.
Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.
Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”
Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de[351]redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.
In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.
Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.[352]
[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen.De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”Dowling zette hierbij groote oogen.Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
Hoofdstuk X.Waarin de heer Jones en de heer Dowling zamen eene flesch ledigen.
De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”Dowling zette hierbij groote oogen.Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.
De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”
„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”
Dowling zette hierbij groote oogen.
Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”
„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid,[353]welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”
„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”
„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”
„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar[354]gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”
Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,
„—Van af de kinderjaren,Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”
„—Van af de kinderjaren,
Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”
En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.
„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,En treurig,—ja, verbazend treurig.”
„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,
En treurig,—ja, verbazend treurig.”
De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als[355]de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.
Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”
„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche[356]zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:
„Pone me pigris ubi nulla campisArbor aestiva recreatur aura,Quod latus mundi nebulae, malusqueJupiter urget.Pone sub curru nimium propinquiSolis in terra domibus negata;Dulce ridentem Lalagen amabo,Dulce loquentem.”1
„Pone me pigris ubi nulla campis
Arbor aestiva recreatur aura,
Quod latus mundi nebulae, malusque
Jupiter urget.
Pone sub curru nimium propinqui
Solis in terra domibus negata;
Dulce ridentem Lalagen amabo,
Dulce loquentem.”1
Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.
„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”[357]
Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.
1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
1„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
1
„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,Waar geen geboomte, struik noch hagenHet zomerkoeltje ruischen hoort,En waar door mist en nevelvlagenGeen enkle hemellichtstraal boort;Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,Te digt bij Phoebus zonnenwagen,Steeds zal mij Lalage behagen,Wier gulle lach, wier vriendlijk woordMe altijd en overal bekoort.”
„Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,
Waar geen geboomte, struik noch hagen
Het zomerkoeltje ruischen hoort,
En waar door mist en nevelvlagen
Geen enkle hemellichtstraal boort;
Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,
Te digt bij Phoebus zonnenwagen,
Steeds zal mij Lalage behagen,
Wier gulle lach, wier vriendlijk woord
Me altijd en overal bekoort.”