Boek XIV.Bevattende twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft.Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende brieven en andere liefde-zaken.Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”[65]Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende allerlei.Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht.Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.[Inhoud]Hoofdstuk V.De korte geschiedenis van jufvrouw Miller.Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
Boek XIV.Bevattende twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft.Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende brieven en andere liefde-zaken.Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”[65]Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende allerlei.Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht.Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.[Inhoud]Hoofdstuk V.De korte geschiedenis van jufvrouw Miller.Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
Boek XIV.Bevattende twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft.Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende brieven en andere liefde-zaken.Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”[65]Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende allerlei.Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht.Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.[Inhoud]Hoofdstuk V.De korte geschiedenis van jufvrouw Miller.Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
Boek XIV.Bevattende twee dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft.Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende brieven en andere liefde-zaken.Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”[65]Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende allerlei.Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht.Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.[Inhoud]Hoofdstuk V.De korte geschiedenis van jufvrouw Miller.Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
Bevattende twee dagen.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft.Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”
Hoofdstuk I.Een betoog, ten bewijze, dat een schrijver des te beter zal stellen, als hij iets weet van het onderwerp, dat hij te behandelen heeft.
Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”
Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.
Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.
Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.[61]
Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” vanBysshevoldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.
Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling:quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.
Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.
Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.
Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen,[62]zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.
De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.
Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.
Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming vanLords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.
Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.[63]
Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.
Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.
Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen[64]te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”
[Inhoud]Hoofdstuk II.Bevattende brieven en andere liefde-zaken.Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”[65]Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.
Hoofdstuk II.Bevattende brieven en andere liefde-zaken.
Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”[65]Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.
Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:
„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”
„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!
„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”
[65]
Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:
„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.„P.S. Komonmiddellijk!”
„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!
„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.
„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.
„P.S. Komonmiddellijk!”
Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:
„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te[66]ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”
„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”
„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”
„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”
„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”
„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”
„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”
Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”
„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—
„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”
„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.
„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als[67]van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”
Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”
„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”
„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”
„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”
Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.
„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”
„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.
„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”
„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”
„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”[68]
„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”
„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”
Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.
Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:
„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”
„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”
„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”
„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.
„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid[69]hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”
„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”
„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”
Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.
In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.
Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor[70]houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.
Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.
De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Bevattende allerlei.Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.
Hoofdstuk III.Bevattende allerlei.
Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.
Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:
„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”
„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”
Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim,[71]zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.
Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:
„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”
„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.
„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”
De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:
„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”
„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”[72]
„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”
Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.
„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen,[73]en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”
„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”
„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.
„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”
„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”
Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.
Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.
„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”
„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.
„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”
„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.
„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.
„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”
„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”
Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.[74]
„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”
„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook[75]in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar eenaalmoeste geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””
De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht.Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.
Hoofdstuk IV.Hetwelk, naar wij hopen, met de meeste oplettendheid gelezen zal worden door jonge lieden van beider geslacht.
Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.
Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:
„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:
„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw[76]Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”
„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”
„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”
„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”
„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”
„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”
„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.
„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”
„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”
„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”
„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”[77]
„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.
„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”
„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”
„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”
„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.
„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”
„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé[78]worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”
„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.
„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.
„Toen alle menschen sliepenEn slechts de maan nog waakte.”
„Toen alle menschen sliepen
En slechts de maan nog waakte.”
„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”
„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”
„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”
„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”
Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:
„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”
„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”
„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen[79]niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”
Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.
Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.
Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen,[80]moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.
[Inhoud]Hoofdstuk V.De korte geschiedenis van jufvrouw Miller.Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
Hoofdstuk V.De korte geschiedenis van jufvrouw Miller.
Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.
Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.
Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:
„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.
„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame[81]had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.
„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”
„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”
„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken,[82]om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”
Mejufvrouw!Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.
Mejufvrouw!
Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.
„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.
„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen,[83]dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”
„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”
„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”
Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:
„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”
Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.
Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal[84]uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.
Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.
Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.