Hoofdstuk VI.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal.De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”De brief luidde als volgt:„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale.Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is.Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vreemde dingen bevattende.Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal.De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”De brief luidde als volgt:„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale.Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is.Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vreemde dingen bevattende.Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal.De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”De brief luidde als volgt:„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale.Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is.Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vreemde dingen bevattende.Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal.De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”De brief luidde als volgt:„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale.Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is.Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vreemde dingen bevattende.Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal.De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”De brief luidde als volgt:„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.

Hoofdstuk VI.Een tooneel bevattende, dat, zonder twijfel den lezer zeer treffen zal.

De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”De brief luidde als volgt:„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.

De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om[85]medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”

De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.

Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”

Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”

„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”

Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden,[86]in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’tontbijtte zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”

Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.

Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:

„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”

„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”

„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen[87]brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”

De brief luidde als volgt:

„Liefste Nancy!„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”

„Liefste Nancy!

„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ikonmiddellijkaanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!

„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.

„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,

Uw getrouwen, ongelukkigenJ. N.”

Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:

„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”

„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief[88]in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”

„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid[89]zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”

Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”

Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”

Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”

„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.

„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”

Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”

Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met[90]nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.

„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”

Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale.Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.

Hoofdstuk VII.De ontmoeting tusschen de heeren Jones en Nightingale.

Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.

Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.

De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe[91]woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.

Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:

„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”

„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”

De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.

Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:

„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”

„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”

„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook[92]tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”

„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”

„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.

„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”

„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”

„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.

„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”

„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen,[93]een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”

„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”

„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt[94]tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”

„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”

„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen,[95]zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”

„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”

„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”

Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:

„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk[96]was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”

Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is.Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.

Hoofdstuk VIII.Hetgeen er voorviel tusschen de heeren Jones en Nightingale,—en de aankomst van iemand, die tot dusver niet in deze geschiedenis opgetreden is.

Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.

Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.

Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.

Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men[97]noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.

Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.

Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.

Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”

„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.

„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan[98]herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”

„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”

„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.

„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”

Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.

Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.

„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te[99]zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”

„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”

„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”

„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”

„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”

„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”

„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.[100]

„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”

„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”

„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”

„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”

„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”

„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”

„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”

„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.

„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”

„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”

„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”

„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.

„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”

„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.

„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller,[101]bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”

„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.

„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”

Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.

Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.

Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.

De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen[102]was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.

Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:

„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.

„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.

„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.

„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen.[103]Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.

„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”

Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.[104]

De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.

„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”

De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.

Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vreemde dingen bevattende.Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

Hoofdstuk IX.Vreemde dingen bevattende.

Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.

De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.

Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten,[105]en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.

Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.

Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:

„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”

Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.

„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”

„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”

„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid[106]in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”

„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”

„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”

„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”

„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”

„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”

„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”[107]

„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”

„Gijwilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”

„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”

„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!

„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”

„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent[108]gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”

„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.

„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”

Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.


Back to IndexNext