Boek XV.Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Te kort om een inhoudsopgave te eischen.Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt.Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.[Inhoud]Hoofdstuk III.Eene nadere uitlegging van het beraamde plan.Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten.Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen.De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]
Boek XV.Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Te kort om een inhoudsopgave te eischen.Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt.Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.[Inhoud]Hoofdstuk III.Eene nadere uitlegging van het beraamde plan.Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten.Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen.De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]
Boek XV.Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Te kort om een inhoudsopgave te eischen.Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt.Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.[Inhoud]Hoofdstuk III.Eene nadere uitlegging van het beraamde plan.Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten.Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen.De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]
Boek XV.Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.[Inhoud]Hoofdstuk I.Te kort om een inhoudsopgave te eischen.Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt.Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.[Inhoud]Hoofdstuk III.Eene nadere uitlegging van het beraamde plan.Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten.Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen.De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]
Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Te kort om een inhoudsopgave te eischen.Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.
Hoofdstuk I.Te kort om een inhoudsopgave te eischen.
Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.
Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.
Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.[111]
Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.
Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.
Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.
Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt.Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.
Hoofdstuk II.Waarin een zeer zwarte aanslag tegen Sophia geopenbaard wordt.
Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.
Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.”[112]Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.
Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.
De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.
Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.
Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.
Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.
Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt[113]voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.
Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.
Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:
„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”
„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”
„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”
„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady[114]Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”
„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.
„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”
„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”
„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”
„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”
„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”
„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”
„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”
„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”
„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”
„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.
„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”
„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader[115]mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”
„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”
„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”
„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”
„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”
„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”
„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”
„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”
„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen[116]tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”
„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”
Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”
„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”
„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”
„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”[117]
„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”
Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.
„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”
Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Eene nadere uitlegging van het beraamde plan.Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.
Hoofdstuk III.Eene nadere uitlegging van het beraamde plan.
Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.
Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.[118]
Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.
Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.
De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.
Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:
„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”
Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die[119]niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”
„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.
„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”
Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”
Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”
Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.
Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.
Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal,[120]werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.
De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.
Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.
Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:
„Tusschen het bedenken en de uitvoeringEener wreede misdaad, is de tusschentijdAls koortsig ijlen, of een nare droom.De geest des menschen en zijn ligchaamskrachtenRaadplegen zâam;—zijn geheel bestaan isGelijk aan een koningrijkje, zwaar geschoktDoor bruischend oproer.—”
„Tusschen het bedenken en de uitvoering
Eener wreede misdaad, is de tusschentijd
Als koortsig ijlen, of een nare droom.
De geest des menschen en zijn ligchaamskrachten
Raadplegen zâam;—zijn geheel bestaan is
Gelijk aan een koningrijkje, zwaar geschokt
Door bruischend oproer.—”
Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste[121]gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.
Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.
„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”
„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”
„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”
„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent[122]niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”
„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”
„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”
Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten.Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.
Hoofdstuk IV.Waaruit blijkt hoe gevaarlijk eene dame wordt, als zij hare welsprekendheid gebruikt om eene slechte zaak te bepleiten.
Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.
Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.
„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die[123]dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!
„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”
„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”
Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.
Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.
„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”
„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”
„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den[124]spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”
„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”
„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”
Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.
Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen.De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]
Hoofdstuk V.Bevattende sommige dingen welke den lezer aandoen en andere welke hem welligt verrassen zullen.
De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]
De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.
Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen[125]toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:
„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”
„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”
„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”
Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.
Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”
„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”
„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”
„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”
„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.
„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen,[126]dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”
Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”
Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”
Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”
„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”
„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.
„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”
„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”
Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.[127]
Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:
„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”
Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.
Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.
Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.
De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.
Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.
Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van[128]zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.
Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:
„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”
De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:
„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”
„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”
„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”
„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant;[129]„ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”
Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:
„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”
„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”
Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.
„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”
„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”
„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.
„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”
„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”[130]
„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”
„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”
Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:
„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”
„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”
„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”
„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”
„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”
„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”
„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige[131]dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”
Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:
„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”
„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”
Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:
„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”
Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.
„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”
Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.
„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”
Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich[132]tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:
„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”
Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:
„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”
„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.
„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”
Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.
Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.[133]