Boek XVIII.Bevattende ongeveer zes dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een afscheidsgroet aan den lezer.Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.[Inhoud]Hoofdstuk II.Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.[Inhoud]Hoofdstuk III.Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking.Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”En hier brak hij af met de tranen in de oogen.Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin de geschiedenis voortgezet wordt.Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]
Boek XVIII.Bevattende ongeveer zes dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een afscheidsgroet aan den lezer.Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.[Inhoud]Hoofdstuk II.Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.[Inhoud]Hoofdstuk III.Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking.Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”En hier brak hij af met de tranen in de oogen.Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin de geschiedenis voortgezet wordt.Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]
Boek XVIII.Bevattende ongeveer zes dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een afscheidsgroet aan den lezer.Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.[Inhoud]Hoofdstuk II.Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.[Inhoud]Hoofdstuk III.Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking.Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”En hier brak hij af met de tranen in de oogen.Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin de geschiedenis voortgezet wordt.Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]
Boek XVIII.Bevattende ongeveer zes dagen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Een afscheidsgroet aan den lezer.Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.[Inhoud]Hoofdstuk II.Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.[Inhoud]Hoofdstuk III.Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking.Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”En hier brak hij af met de tranen in de oogen.Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin de geschiedenis voortgezet wordt.Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]
Bevattende ongeveer zes dagen.
[Inhoud]Hoofdstuk I.Een afscheidsgroet aan den lezer.Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.
Hoofdstuk I.Een afscheidsgroet aan den lezer.
Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.
Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn[266]geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.
Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.
Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.
Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.
In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.
En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen[267]kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.
Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.
Hoofdstuk II.Eene zeer tragische gebeurtenis bevattende.
Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.
Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.
Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?
„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”
„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.
„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”
„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.[268]
„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.
„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.
„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”
„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.
„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”
Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”
„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”
„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”
Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw[269]zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.
Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.
Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:
„Mijnheer,Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,Uwe ongelukkigeJ. Waters.„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”
„Mijnheer,
Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!
„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,
Uwe ongelukkige
J. Waters.
„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard[270]zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”
Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.
Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af teschilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.
Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.
De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.
„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”
Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”[271]
Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.
Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.
„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”
„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”
„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”
„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”
„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”
De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen[272]mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.
Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.
Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.
Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zusteronmiddellijkin eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.
Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat[273]als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking.Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”En hier brak hij af met de tranen in de oogen.Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.
Hoofdstuk III.Allworthy bezoekt den ouden Nightingale,—en doet bij die gelegenheid eene wonderbaarlijke ontdekking.
Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”En hier brak hij af met de tranen in de oogen.Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.
Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.
En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.
Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.
Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?
„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond[274]’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”
„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.
„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”
Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.
Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.
Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.
Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.
Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder[275]van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.
De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”
Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”
Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”
„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”
„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”
„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch[276]mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”
Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.
Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?
Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:
„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”
Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.
De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:
„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als[277]ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”
Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.
„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”
„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.
„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner[278]mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”
En hier brak hij af met de tranen in de oogen.
Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.
De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.
Hoofdstuk IV.Bevattende twee brieven in geheel verschillenden schrijftrant.„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.
„Zeer waardige vriend!„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,Mijnheer,uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,Thomas Square.
„Zeer waardige vriend!
„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.[279]
„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.
„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.
„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad[280]mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.
„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.
„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.
„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.
„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.
„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.
„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen[281]om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,
Mijnheer,
uw zeer verpligte,gehoorzame en onderdanige dienaar,
Thomas Square.
De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.
De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.
Mijnheer,Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.„Ik verblijf, mijnheer,uw getrouwe en dienstwillige dienaar,Roger Thwackum.”
Mijnheer,
Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!
„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.[282]
„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!
„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.
„Ik verblijf, mijnheer,
uw getrouwe en dienstwillige dienaar,
Roger Thwackum.”
Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.
Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij[283]dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.
[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin de geschiedenis voortgezet wordt.Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]
Hoofdstuk V.Waarin de geschiedenis voortgezet wordt.
Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]
Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:
„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”
Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.
„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”[284]
„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.
„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”
„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.
„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”
„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”
„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.
„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”
„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”
Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:
„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”
„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.
„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”
„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”
„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”[285]
„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”
„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.
„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”
„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”
„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”
Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.
Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.
Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”[286]
Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.
Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”
De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:
„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”
Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”
„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.
„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek[287]in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”
„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”
„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”
Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.
Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.
Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende[288]met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”
Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”
De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:
„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker[289]verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”
„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”
Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.
Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.
„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”
„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem.Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”
De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.
Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.
Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.[290]