Hoofdstuk VI.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt.„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk VII.Vervolg der geschiedenis.Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Vervolg.De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”„Waar, mijnheer?”„In hare eigene woning.”„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”„En wie zond u er heen, vraag ik?”„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”„En was dat op last van mijnheer Blifil?”„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”„Ja, mijnheer.”„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”„Welken brief?” riep Allworthy.„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vervolg van de geschiedenis.Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt.„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk VII.Vervolg der geschiedenis.Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Vervolg.De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”„Waar, mijnheer?”„In hare eigene woning.”„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”„En wie zond u er heen, vraag ik?”„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”„En was dat op last van mijnheer Blifil?”„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”„Ja, mijnheer.”„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”„Welken brief?” riep Allworthy.„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vervolg van de geschiedenis.Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt.„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk VII.Vervolg der geschiedenis.Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Vervolg.De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”„Waar, mijnheer?”„In hare eigene woning.”„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”„En wie zond u er heen, vraag ik?”„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”„En was dat op last van mijnheer Blifil?”„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”„Ja, mijnheer.”„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”„Welken brief?” riep Allworthy.„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vervolg van de geschiedenis.Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt.„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑[Inhoud]Hoofdstuk VII.Vervolg der geschiedenis.Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Vervolg.De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”„Waar, mijnheer?”„In hare eigene woning.”„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”„En wie zond u er heen, vraag ik?”„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”„En was dat op last van mijnheer Blifil?”„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”„Ja, mijnheer.”„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”„Welken brief?” riep Allworthy.„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vervolg van de geschiedenis.Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt.„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑

Hoofdstuk VI.Waarin de geschiedenis verder voortgezet wordt.

„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”

„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”

„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”

„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik[291]van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef,1en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.

„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”

„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”

„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden![292]Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”

„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”

„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”

„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”

„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”

Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.

„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden.[293]Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”

Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.

Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.

„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”

Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:

„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”

Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:

„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”

„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”

Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.

Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”

Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.[294]

„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”

Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑

1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑

1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑

1Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur.Noot van den Schr.↑

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Vervolg der geschiedenis.Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300]

Hoofdstuk VII.Vervolg der geschiedenis.

Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300]

Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:

„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”

„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”

„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”

„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”

„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.

„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”

„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”[295]

„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”

„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”

„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”

„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”

„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”

„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”

„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”

„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”

„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”

„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”

„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij[296]waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”

„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”

„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.

„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.

„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.

„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.

Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”

„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.

„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”

„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”

„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne[297]moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”[298]

Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”

„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”

„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”

„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.

„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:[299]—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”

„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”

„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”

„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”

Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.[300]

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Vervolg.De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”„Waar, mijnheer?”„In hare eigene woning.”„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”„En wie zond u er heen, vraag ik?”„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”„En was dat op last van mijnheer Blifil?”„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”„Ja, mijnheer.”„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”„Welken brief?” riep Allworthy.„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.

Hoofdstuk VIII.Vervolg.

De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”„Waar, mijnheer?”„In hare eigene woning.”„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”„En wie zond u er heen, vraag ik?”„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”„En was dat op last van mijnheer Blifil?”„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”„Ja, mijnheer.”„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”„Welken brief?” riep Allworthy.„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.

De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:

„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”

„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.

„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”

„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”

„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk[301]gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”

„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”

„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”

„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”

„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”

„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”

„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”

„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”

„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”

„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”

„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals[302]bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”

„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”

„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”

Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:

„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”

„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”

„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”

„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat[303]gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”

„Zoolanghijleefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”

„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”

Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.[304]

Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.

Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:

„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”

„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.

Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”

„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”

„Waar, mijnheer?”

„In hare eigene woning.”

„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”

„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”

„En wie zond u er heen, vraag ik?”

„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”

„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”[305]

„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—

„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”

„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”

„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.

„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”

„En was dat op last van mijnheer Blifil?”

„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.

„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”

„Ja, mijnheer.”

„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”

„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide,[306]dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”

„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.

„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”

„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.

„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”

„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.

„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”

„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.

„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.

„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”

„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond,[307]en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”

„Welken brief?” riep Allworthy.

„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”

„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”

„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”

Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”

„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”

Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem[308]afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.

Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.

Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:

„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”

„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”

De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen[309]ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”

De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:

„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”

„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”

„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”

„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.

„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”

Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.

Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.

Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy[310]antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”

Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Vervolg van de geschiedenis.Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

Hoofdstuk IX.Vervolg van de geschiedenis.

Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.

Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:

„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”

„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig[311]als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”

„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”

„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”

„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”

„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”

„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik,[312]dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”

„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”

„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”

„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”

„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”

Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”

„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt[313]gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”

„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”

„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”

„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”

„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”

„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”

„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”

Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:[314]

„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”

„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”

„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”

„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”

„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke[315]huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”

„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”

„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”

„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dathiju misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze[316]nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”

Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:

„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”

Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”

„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”

„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”

„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”

„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”[317]

„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”

„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”

„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”

„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”

„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerelweêruit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”

De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.

Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.

Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud,[318]dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.

Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”

Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”

Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”


Back to IndexNext