[Inhoud]Hoofdstuk III.Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen.Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen.Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen.Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen.Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
[Inhoud]Hoofdstuk III.Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen.Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
Hoofdstuk III.Over eene vreemde gebeurtenis, welke de heer Allworthy eens bij zijne te huiskomst beleefde. De betamelijke houding van jufvrouw Deborah Wilkins, en eenige zeer gepaste aanmerkingen over onechte kinderen.
Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.
Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.
De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaanhoebelangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den[7]loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.
Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.
Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.[8]
Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.
Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.
„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”
„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”
„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar[9]het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”
Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.
Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.
Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te[10]doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.