[Inhoud]Hoofdstuk IV.De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy.De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy.De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy.De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy.De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy.De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
Hoofdstuk IV.De lezer loopt gevaar van den nek te breken over eene beschrijving;—hoe hij daaraan ontsnapt, en de groote vriendelijkheid van mejufvrouw Brigitta Allworthy.
De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.
Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.
In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen[11]stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.
Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.
Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.
Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.
De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.
Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.
Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was,[12]of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.
Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.
Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.
Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.
Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene[13]feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.
Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.
De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.
Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.