Hoofdstuk III.

[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst.De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]

[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst.De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]

[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst.De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]

[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst.De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]

[Inhoud]Hoofdstuk III.Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst.De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]

Hoofdstuk III.Waarin de geschiedenis terug gaat, om eene kleine gebeurtenis te vermelden, die eenige jaren vroeger voorviel, en hoe gering ook, zekere gevolgen had in de toekomst.

De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]

De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.

Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.

Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.

De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.

Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.

Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.

Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een[130]vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.

Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.

Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.

Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.

Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.

Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.

Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.

Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.

Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde[131]het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.

Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:

„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”

De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”

De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.

Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.[132]


Back to IndexNext