[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn.Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn.Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn.Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn.Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn.Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
Hoofdstuk IV.Bevattende zulke geleerde en ernstige zaken, dat het welligt niet naar den smaak van sommige lezers zal zijn.
Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.
Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:
„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”
Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:
„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”
„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”
„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”[133]
„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”
Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.
Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:
„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”
„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen[134]moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”
„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”
Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorggedragenhem zulke grondbeginselen in te prenten—”
„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”
„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”
„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”
De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot deferae naturaebehoort, wordt evenwel, wanneer[135]hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden alsnullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”
„Nu” zei de gastheer, „als hetnullus bonusis, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”
Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.
Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.