[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn.Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn.Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn.Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn.Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.
[Inhoud]Hoofdstuk II.Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn.Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.
Hoofdstuk II.Waarin de heer Jones vele vriendschappelijke bezoeken ontvangt gedurende zijne ziekte, met eenige heel kleine sporen van verliefdheid, die naauwelijks voor het bloote oog zigtbaar zijn.
Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.
Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.
Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”
Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm[188]en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk,merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maarliberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”
Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar[189]hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.
De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”
Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad,[190]als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.
Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.
Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.
Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”
„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”
„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen,[191]als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”
Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.
„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”
„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”
„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”
Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.
Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.
Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten[192]ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.