[Inhoud]Hoofdstuk II.Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had.De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”
[Inhoud]Hoofdstuk II.Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had.De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”
[Inhoud]Hoofdstuk II.Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had.De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”
[Inhoud]Hoofdstuk II.Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had.De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”
[Inhoud]Hoofdstuk II.Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had.De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”
Hoofdstuk II.Het karakter van mejufvrouw Western. Hare groote geleerdheid en wereldkennis, en een voorbeeld van het groote doorzigt, dat zij aan deze hoedanigheden te danken had.
De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”
De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen, waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd doorbragten.
Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig mogelijk gestemd waren.
Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.
Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken, operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland enEchard’sRomeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de meeste politieke[249]vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te spreken.
Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet, haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt (zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had, kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.
Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen. Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad[250]angst genoeg aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.
Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen, nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij floot, op de volgende wijze te storen:
„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn nichtje opgemerkt?”
„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”
„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”
„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken gehad.”
„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt gevaarlijker kwalen dan de pokken.”
Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar den besten dokter te bezorgen.”
„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt, dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot over de ooren verliefd is.”
„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te vragen?”
„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”[251]
„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me het hoofd niet mee breken.”
„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen, broeder, dat ik daarvan wat bezit!”
„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”
„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt. Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft, zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en onwetende gemoed van een meisje!”
„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post. Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan, omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”
„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep de dame.
„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me niet vergis!”
„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik[252]maar eene vrouw ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk! Bovendien—”
„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”
„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid! Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me, het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”
„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter spreekt.”
„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam, verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond? En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die steeds nog voortduurt?”
„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden. ’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar niet in het graafschap, en ik[253]zou liever van wat geldelijk voordeel afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar, zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb, in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”
„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat, mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous, in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan. Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen, zou in strijd zijn met alle regels.”
„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok op het lijf komen.”
„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is te voordeelig om afgeslagen te worden.”
„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke bl.…..m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”
„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen, omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk, broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”
„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij slechts eene vrouw zijt zal[254]ik u de schuld daarvan niet geven; want ik denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te vertrouwen.”
Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde blijven.
Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had, was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.
Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.[255]
Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”