Hoofdstuk IV.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende verschillende wonderlijke zaken.Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende verschillende wonderlijke zaken.Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende verschillende wonderlijke zaken.Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende verschillende wonderlijke zaken.Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende verschillende wonderlijke zaken.Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

Hoofdstuk IV.Bevattende verschillende wonderlijke zaken.

Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.

Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.

Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en[261]eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.

Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.

Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.

Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.

Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.

Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond[262]eronmiddellijkantwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.

Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:

„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”

De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.


Back to IndexNext