Hoofdstuk V.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel.Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel.Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel.Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel.Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel.Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

Hoofdstuk V.Waarin verhaald wordt wat er tusschen Sophia en hare tante voorviel.

Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?

„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer[263]aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”

Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:

„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”

„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”

„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.

„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”

„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”

„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.

„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd[264]willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”

„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”

„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”

„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”

„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”

„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.

„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”[265]

„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”

„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”

„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”

„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”

Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:

„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”

„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”

„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”

„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”

Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:

„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”

„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt[266]ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”

Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.

Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.

„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”

Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.

Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.

Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”

De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om[267]haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”

Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”

„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”

Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”

De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”

Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens[268]hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.


Back to IndexNext