Hoofdstuk IX.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk.Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk.Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk.Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk.Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk.Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

Hoofdstuk IX.Veel onstuimiger van aard dan het vorige hoofdstuk.

Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.

Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ookonmiddellijkdeed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.

Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.

Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke[280]gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.

Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.

Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—

Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik[281]eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.

Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.

Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.

Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alleonmiddellijkevrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.

Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den[282]heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.

„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”

Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.

’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.

Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:

„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”[283]

Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.

„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”

Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zichonmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”

De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.

De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”

Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij[284]Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.


Back to IndexNext