[Inhoud]Hoofdstuk X.De heer Western bezoekt den heer Allworthy.De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De heer Western bezoekt den heer Allworthy.De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De heer Western bezoekt den heer Allworthy.De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De heer Western bezoekt den heer Allworthy.De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De heer Western bezoekt den heer Allworthy.De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.
Hoofdstuk X.De heer Western bezoekt den heer Allworthy.
De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.
De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:
„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”[285]
„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.
„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”
„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.
„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”
„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”
„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen.[286]Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”
„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”
„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”
„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”
„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”
Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:
„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”
Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet[287]ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.
Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.
Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:
„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”
„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen[288]gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”
„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”
„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”
„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”
„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”
„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”
„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”
„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij[289]nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”
„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”
Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.
„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”
Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar[290]eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.