Hoofdstuk IX.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers.Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht.Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers.Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht.Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers.Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht.Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers.Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht.Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers.Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.

Hoofdstuk IX.Het aanbreken van den dag, beschreven in den verhevenen trant. Een postwagen. De beleefdheid der meiden. De heldhaftige aard van Sophia. Hare edelmoedigheid. Hoe die vergolden wordt. Het vertrek van het gezelschap, en de aankomst te Londen, met eenige opmerkingen ten behoeve van reizigers.

Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.

Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.

Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.

En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.

Milord had een einde aan de discussie willen maken,[302]door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.

Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.

Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.

Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.

Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.

Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog[303]grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.

De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.

De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”

Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.

„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”

„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.

„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo[304]veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”

„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”

„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”

De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.

Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op[305]den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.

Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.

Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.

En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om[306]achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.

[Inhoud]Hoofdstuk X.Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht.Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]

Hoofdstuk X.Een paar wenken omtrent de deugd en nog een paar omtrent de verdenkingzucht.

Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]

Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.

Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.

Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming,[307]zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.

Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.

Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware inembryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede,[308]omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.

Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.

Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.

Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om[309]zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?

Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.

Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.

Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.[310]

Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”

Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”

Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.

Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.[311]


Back to IndexNext