Hoofdstuk VII.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt.De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”[216]Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt.De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”[216]Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt.De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”[216]Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt.De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”[216]Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt.De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”[216]Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.

Hoofdstuk VII.Waarin de heer Allworthy op een ziekbed verschijnt.

De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”[216]Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.

De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones, hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.[215]

De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden, of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag, dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven, dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare opkomst tegen.”

Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen. Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen, luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen gedood hebben.”

Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen, tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het treurspel zeggen:

„Geen schuld of vrees kent Cato;Hem is het eens: te slapen of te sterven!”

„Geen schuld of vrees kent Cato;

Hem is het eens: te slapen of te sterven!”

[216]

Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden: want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een milden meester.

De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.

De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg over bij hem op.

En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren. Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:

„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen. Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke vroeger weggeroepen worden, hebben slechts[217]weinige uren gemist, die op zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!

„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt, veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons niet verrassen of doen klagen.

„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe beneemt.

„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is, ik het noodig acht u die beschikkingen[218]mede te deelen, welke u afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.

„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder, die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond, waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.

„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek; bij u vermoed ik niets van dien aard.”

Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne erkentelijkheid daarvoor te uiten.

„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te verbergen.

Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:

„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat[219]voorzigtigheid voegt en godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.

„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt, zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.

„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan, twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw wijsgeerigen aard wenschen kan.

„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”

Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.

„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik. Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”[220]

Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde, daar het praten hem al te zeer uitgeput had.

Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij geene gelegenheid ooit verzuimde.

Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust te nemen.


Back to IndexNext