[Inhoud]Hoofdstuk VII.Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour.Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende twisten van geen buitengewonen aard.Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde.De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn.De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.„Dus moeten wij terug?” zei Jones.„Wel zeker!” hernam de boer.„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”„Ge moet maar den regten weg volgen.”„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De avonturen van een troep soldaten.De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour.Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende twisten van geen buitengewonen aard.Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde.De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn.De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.„Dus moeten wij terug?” zei Jones.„Wel zeker!” hernam de boer.„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”„Ge moet maar den regten weg volgen.”„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De avonturen van een troep soldaten.De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour.Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende twisten van geen buitengewonen aard.Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde.De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn.De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.„Dus moeten wij terug?” zei Jones.„Wel zeker!” hernam de boer.„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”„Ge moet maar den regten weg volgen.”„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De avonturen van een troep soldaten.De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour.Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32][Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende twisten van geen buitengewonen aard.Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde.De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.[Inhoud]Hoofdstuk X.Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn.De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.„Dus moeten wij terug?” zei Jones.„Wel zeker!” hernam de boer.„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”„Ge moet maar den regten weg volgen.”„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De avonturen van een troep soldaten.De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour.Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32]
Hoofdstuk VII.Een vreemd besluit van Sophia en eene nog vreemder list van jufvrouw Honour.
Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32]
Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.
Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.[27]
„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”
„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”
„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”
Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”
„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”
„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”
„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.
„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”
„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”
„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.
„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—[28]Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”
„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan teonderwerpenom dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”
„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”
Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:
„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”
„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”
„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte[29]mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”
„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”
„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”
„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”
„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”
„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”[30]
„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”
„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”
„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”
„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”
„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”
„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”
„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”
Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.
Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op,[31]en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.
Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.
De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.
„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”
Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.[32]
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende twisten van geen buitengewonen aard.Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.
Hoofdstuk VIII.Bevattende twisten van geen buitengewonen aard.
Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.
Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest[33]eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.
De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenoverjufvrouwHonour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheidinggeëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de anderegeëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.
Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:
„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde[34]me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”
„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”
„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”
„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”
„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”
Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:
„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”[35]
„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”
Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.
„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”
„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”
„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”
„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”
„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”
Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken,[36]met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.
De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.
[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde.De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.
Hoofdstuk IX.Het wijze gedrag van den heer Western als magistraat. Een wenk voor de vrederegters omtrent de vereischten van een griffier;—met verbazende voorbeelden van vaderlijke dwaasheid en kinderlijke liefde.
De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.
De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.
Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”
Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken[37]van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.
Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”
In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.
Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.
De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”
Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd[38]hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”
„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”
Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.
Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.
Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al dieairs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.
De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed[39]was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.
Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.
Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.
De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het[40]genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.
Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.
Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.
Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.
[Inhoud]Hoofdstuk X.Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn.De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.„Dus moeten wij terug?” zei Jones.„Wel zeker!” hernam de boer.„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”„Ge moet maar den regten weg volgen.”„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.
Hoofdstuk X.Bevattende onderscheidene zaken, die welligt heel natuurlijk—maar die ook gemeen zijn.
De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.„Dus moeten wij terug?” zei Jones.„Wel zeker!” hernam de boer.„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”„Ge moet maar den regten weg volgen.”„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.
De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.[41]
Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.
Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?
„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.
„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”
„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”
„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”
„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”
„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.
„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.
„Dus moeten wij terug?” zei Jones.
„Wel zeker!” hernam de boer.
„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”
„Ge moet maar den regten weg volgen.”
„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”
„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”[42]
Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”
„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.
„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”
Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”
Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.
De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.
Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de[43]droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.
Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”
Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”
„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”
„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.
„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten[44]dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”
„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.
„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”
Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”
„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”
„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”
„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”
„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”[45]
„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”
Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.
Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.
„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”
„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”
„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”
En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.
Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.
De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer[46]vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.
Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.
Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.De avonturen van een troep soldaten.De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]
Hoofdstuk XI.De avonturen van een troep soldaten.
De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]
De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.[47]
Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.
De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.
Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.
Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.
Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den[48]twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.
De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.
Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.
De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.
Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.
De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”
Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen[49]geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:
„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”
Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.
Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:
„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”
Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.
Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige[50]gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.
Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.
De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.
„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”
Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.
De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.[51]