Hoofdstuk X.

[Inhoud]Hoofdstuk X.De geschiedenis nadert de ontknooping.Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping.Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.[Inhoud]Hoofdstuk XII.Nog digter bij de ontknooping.Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]

[Inhoud]Hoofdstuk X.De geschiedenis nadert de ontknooping.Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping.Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.[Inhoud]Hoofdstuk XII.Nog digter bij de ontknooping.Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]

[Inhoud]Hoofdstuk X.De geschiedenis nadert de ontknooping.Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping.Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.[Inhoud]Hoofdstuk XII.Nog digter bij de ontknooping.Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]

[Inhoud]Hoofdstuk X.De geschiedenis nadert de ontknooping.Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.[Inhoud]Hoofdstuk XI.De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping.Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.[Inhoud]Hoofdstuk XII.Nog digter bij de ontknooping.Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]

[Inhoud]Hoofdstuk X.De geschiedenis nadert de ontknooping.Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.

Hoofdstuk X.De geschiedenis nadert de ontknooping.

Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.

Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.

Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker[319]tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.

Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”

„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”

„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.

„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een[320]groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”

„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken.[321]Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”

Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”

„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”[322]

„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”

„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”

„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”

Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.

Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik[323]wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”

Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.

„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”

„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”[324]

„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””

Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.

Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”

„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”

„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”

Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western[325]te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.

Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping.Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.

Hoofdstuk XI.De geschiedenis nadert hoe langer zoo meer de ontknooping.

Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.

Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.

Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.

Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals[326]kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.

Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.

Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.

Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen[327]wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.

Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.

Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.

Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.

Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.

„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.

„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”

„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;[328]maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”

Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”

Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.

Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”

Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.

Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.

Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”

Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.

„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—[329]daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”

„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”

„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”

Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”

Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”

Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.

„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”

Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der[330]menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.

Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.

Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.

Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.

Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.

„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van[331]dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”

„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”

„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”[332]

Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.

Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.

Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”

Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Nog digter bij de ontknooping.Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]

Hoofdstuk XII.Nog digter bij de ontknooping.

Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]

Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat[333]het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.

Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”

Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.

De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.

In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:

„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”[334]

„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”

„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”

„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”

„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”

„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”

Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”

„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”[335]

„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”

„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”

„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.

„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”

„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”

„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”[336]

„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”

„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.

„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”

Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”

„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”

„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”

„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”

„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”

„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw,[337]om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”

„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”

„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”

„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.

„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”

„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”

„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”

„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”

„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.

Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of[338]overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”

„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”

„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”

„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”

„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”

„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”

„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.

„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”

„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”

„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.

„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”

„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.

„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.

„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”[339]

„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.

„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.

„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.

„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.

Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”

Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.

Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”

„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”

„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”

„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”

„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”

„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”

„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.[340]

„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”

„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”

„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”

„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”

„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”

„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.

Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.

„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”

Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.[341]


Back to IndexNext