Hoofdstuk VI.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woordliefdete verbeteren.Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woordliefdete verbeteren.Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woordliefdete verbeteren.Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woordliefdete verbeteren.Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woordliefdete verbeteren.Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

Hoofdstuk VI.Door dit met het vorige hoofdstuk te vergelijken, zal de lezer welligt in staat gesteld zijn eene door hem vroeger gemaakte verkeerde toepassing van het woordliefdete verbeteren.

Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.

Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht, dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.

Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf, Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind, hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader kon beschouwen.

Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar, eindelijk ook door die van Molly zelve.

Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.[209]

Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en hoogmoed.

Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.

Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans geheel,geëvacueerdwas, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.

De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem oneindig dierbaarder was.

Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van aard, en werd niet slechts droefgeestig in[210]de eenzaamheid, maar ook neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te verbergen.

Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen, of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens te verijdelen.

Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot te stellen.

Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart, waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.

Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de schelm, over het[211]algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders dacht.

Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem doodelijk kwetste.

Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden, zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem verliefd.

Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den tuin, aan het einde van twee paden, die beide[212]uitliepen op het kanaal, waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.

Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot rijpheid was gekomen.

En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben; maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen, waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”

„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de regtvaardige straf der ondankbaarheid.”

„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk wezen.”

„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij, „is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had kunnen ontgaan.”

„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd,[213]dat u dat geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt, willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”

Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken glimlach vergezeld.

Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij zooveel onheil toewenschen?”

Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:

„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”

„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”

„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”

„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor mij zijn.”

„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat gij mij hebt kunnen beleedigen?”

„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”[214]

De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:

„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”

Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen. Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel die in de zijne lag.

Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het reukfleschjeonmiddellijkter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.


Back to IndexNext