[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft.Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”„Niets,” hernam Sophia.„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft.Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”„Niets,” hernam Sophia.„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft.Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”„Niets,” hernam Sophia.„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft.Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”„Niets,” hernam Sophia.„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft.Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”„Niets,” hernam Sophia.„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.
Hoofdstuk VI.Bevattende een gesprek tusschen Sophia en jufvrouw Honour, hetwelk misschien wat van die aandoening zal verzachten, waarmede de goedaardige lezer het voorafgaande tooneel bijgewoond heeft.
Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”„Niets,” hernam Sophia.„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.
Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:
„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”
„Niets,” hernam Sophia.
„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”
„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”
„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”
„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”
„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar,[269]als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”
„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.
„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”
„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”
Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”
„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”
„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, hetmijniet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor[270]twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”
„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”
„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”
„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”
„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.
„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.
„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”
„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”
Honour deedonmiddellijkwat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen,[271]en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.
Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.