[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint.„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143][Inhoud]Hoofdstuk XII.De oude man van denBerggaat voort met zijn verhaal.„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Vervolg van het voorgaande verhaal.„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint.„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143][Inhoud]Hoofdstuk XII.De oude man van denBerggaat voort met zijn verhaal.„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Vervolg van het voorgaande verhaal.„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint.„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143][Inhoud]Hoofdstuk XII.De oude man van denBerggaat voort met zijn verhaal.„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Vervolg van het voorgaande verhaal.„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint.„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143][Inhoud]Hoofdstuk XII.De oude man van denBerggaat voort met zijn verhaal.„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Vervolg van het voorgaande verhaal.„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint.„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143]
Hoofdstuk XI.Waarin de oude man van den Berg zijn verhaal begint.
„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143]
„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer[133]vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.
„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”
„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”
Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een[134]zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.
„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.
„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.
„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.[135]
„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.
„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.
„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.
„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd.[136]Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.
„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.
„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.[137]
„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”
Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”
Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”
Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.
„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook[138]in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.
„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”
„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”
Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:
„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.
„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.
„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”
„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones;[139]„en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”
„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.
„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.
„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid,[140]of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.
„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”
„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”
„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”
Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.
Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”
„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.
„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans[141]riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden[142]van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”
„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.
„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”
De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”
„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”
De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.[143]
[Inhoud]Hoofdstuk XII.De oude man van denBerggaat voort met zijn verhaal.„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.
Hoofdstuk XII.De oude man van denBerggaat voort met zijn verhaal.
„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.
„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.
„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.
„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.
„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar[144]gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.
„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”
„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””
„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door denBinnen-Tempelging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en steldeonmiddellijkvoor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en[145]sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.
„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zichonmiddellijktot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”
„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”
„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.
„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”
„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.… zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen[146]hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”
„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.
„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”
„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”
„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.
„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”[147]
„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”
„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.
„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.
„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.
„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.
„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen[148]wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.
„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.
„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.
„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.
„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”
„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge,[149]„want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”
Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.
[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Vervolg van het voorgaande verhaal.„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]
Hoofdstuk XIII.Vervolg van het voorgaande verhaal.
„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]
„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.
„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.
„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze,[150]om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.
„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkigeonmiddellijkmijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.
„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.
„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement inPiccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”[151]
„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”
„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.
„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.
„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.
„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er[152]bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.
„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.
„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.
„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”
Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:[153]
„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.
„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.
„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige[154]spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”
„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”
„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”
„Ja, ja!tempus edax rerum!” zei Partridge.
„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:
„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,Externi ne quid valeat per laeve morari:In quem manca ruit semper Fortuna.”
„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,
Externi ne quid valeat per laeve morari:
In quem manca ruit semper Fortuna.”
Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:
„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in[155]zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.
„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zichonmiddellijkin de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep[156]er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.
„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.
„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.
„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.
„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”
„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”
„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.[157]