[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters.Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Al de pret van eene maskerade.Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen.Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk.’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”[45]Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters.Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Al de pret van eene maskerade.Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen.Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk.’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”[45]Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters.Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Al de pret van eene maskerade.Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen.Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk.’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”[45]Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters.Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Al de pret van eene maskerade.Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen.Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42][Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk.’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”[45]Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
[Inhoud]Hoofdstuk VI.Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters.Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.
Hoofdstuk VI.Hetgeen er gebeurde terwijl het gezelschap bij het ontbijt zat, met eenige wenken omtrent de opvoeding van dochters.
Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.
Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick[24]plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.
Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”
Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.
„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”
Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.
Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan[25]werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.
Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”
Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”
Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:
„Aan den heer Jones.„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”
„Aan den heer Jones.
„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”
„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,
Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”
Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en[26]vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.
Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.
De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.
Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”[27]
„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”
„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”
Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.
De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”
Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden[28]van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.
Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.
In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.
Partridge ontdekte dit doorintuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.
„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten[29]en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”
Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.
„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”
„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””
Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?
Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.[30]
Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.
[Inhoud]Hoofdstuk VII.Al de pret van eene maskerade.Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.
Hoofdstuk VII.Al de pret van eene maskerade.
Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.
Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de grootearbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.
De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”
Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de[31]droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.
Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.
Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”
Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.
De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”
„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”
Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten[32]dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin derfeeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”
De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”
„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”
„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”
Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijneliefdeis niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”[33]
Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.
Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:
„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”
Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als deFeeën-koningingeen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”
Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.
Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames,[34]die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”
Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.
Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”
De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”
„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”
„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat[35]ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaaldrendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”
Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”
Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.
De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.[36]
Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?
Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.
Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.
[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen.Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42]
Hoofdstuk VIII.Bevattende een tooneel van ellende, dat de meeste lezers zeer vreemd zal toeschijnen.
Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42]
Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene[37]maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.
Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.
De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:
„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme[38]kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”
Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:
„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan[39]dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”
„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”
„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”
„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed[40]was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”
„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”
Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”
„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”
Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”
Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken[41]voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.
„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”
Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.
In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.
Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.[42]
[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk.’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”[45]Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
Hoofdstuk IX.Bevattende geheel andere zaken dan waarvan sprake is geweest in het vorige hoofdstuk.
’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”[45]Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.
Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.
Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen,[43]hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.
Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.
Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eenegeëvenredigdewijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.
Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag,[44]gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.
Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:
„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”
„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”
De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:
„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”
„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.
„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”
[45]
Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.
Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.
Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.
De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst[46]van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.