Hoofdstuk X.

[Inhoud]Hoofdstuk X.Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog.De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de lezer verbaasd zal staan!De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.Na eene korte stilte, stamelde Jones:„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57][Inhoud]Hoofdstuk XII.Einde van het dertiende boek.De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”„Wien?” vroeg de dame, driftig.„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]

[Inhoud]Hoofdstuk X.Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog.De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de lezer verbaasd zal staan!De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.Na eene korte stilte, stamelde Jones:„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57][Inhoud]Hoofdstuk XII.Einde van het dertiende boek.De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”„Wien?” vroeg de dame, driftig.„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]

[Inhoud]Hoofdstuk X.Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog.De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de lezer verbaasd zal staan!De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.Na eene korte stilte, stamelde Jones:„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57][Inhoud]Hoofdstuk XII.Einde van het dertiende boek.De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”„Wien?” vroeg de dame, driftig.„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]

[Inhoud]Hoofdstuk X.Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog.De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de lezer verbaasd zal staan!De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.Na eene korte stilte, stamelde Jones:„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57][Inhoud]Hoofdstuk XII.Einde van het dertiende boek.De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”„Wien?” vroeg de dame, driftig.„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]

[Inhoud]Hoofdstuk X.Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog.De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.

Hoofdstuk X.Een hoofdstuk dat, hoe kort ook, welligt tranen ontlokken zal aan menig oog.

De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.

De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.

Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:

„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”

De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:

„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”

„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”

„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”

„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”

„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor[47]wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”

„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”

„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”

„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”

„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd[48]zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”

Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”

Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”

Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.

Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo[49]lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin de lezer verbaasd zal staan!De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.Na eene korte stilte, stamelde Jones:„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57]

Hoofdstuk XI.Waarin de lezer verbaasd zal staan!

De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.Na eene korte stilte, stamelde Jones:„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57]

De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.

Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.

Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.[50]

Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.

Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.

Na eene korte stilte, stamelde Jones:

„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”

„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”

„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”

„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.

„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”

„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”

„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”

Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:

„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare[51]oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op deknieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”

„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”

„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”

Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:

„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”

Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:

„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u[52]te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”

„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.

„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”

Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.

„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”

De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven,[53]en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:

„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”

Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:

„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”

Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:

„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”

Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.

Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle[54]blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:

„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”

Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.

De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:

„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”

Met deze woorden vestigdeLadyBellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:

„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”

„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.

„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”

Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van[55]Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”

Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.

Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:

„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”

„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”

„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”

Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:

„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of[56]wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”

Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:

„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”

„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”

Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.

Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.[57]

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Einde van het dertiende boek.De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”„Wien?” vroeg de dame, driftig.„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]

Hoofdstuk XII.Einde van het dertiende boek.

De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”„Wien?” vroeg de dame, driftig.„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]

De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.

En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.

Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.

Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”

„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”

„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.

„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”

„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen[58]niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”

„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”

„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”

„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.

„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”

„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.

„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”

„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.

„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”

„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.

„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer[59]Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”

„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”

„Wien?” vroeg de dame, driftig.

„Mijnheer Jones,” antwoorddeSophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”

„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”

„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”

„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”

En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.[60]


Back to IndexNext