[Inhoud]Hoofdstuk V.Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis.Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis.Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis.Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis.Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]
[Inhoud]Hoofdstuk V.Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis.Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]
Hoofdstuk V.Een zeer lang hoofdstuk voor eene zeer gewigtige gebeurtenis.
Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]
Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.
Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken,[200]waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.
Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.
Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.
Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd[201]worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.
Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.
Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:
„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik[202]geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”
Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.
Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.
Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.
Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en[203]staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.
Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.
Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.
De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.
Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid[204]dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.
Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.
De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.
Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet[205]te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.
Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.
Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.
Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.[206]
Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:
„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordtgeregeldvolgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”
„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe, te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft, altijd geheim blijven.”
„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid, niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”
„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de vermeerdering van ons geslacht?”
„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit gevoelen te zijn geweest.”[207]
„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”
„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot onderscheid—”
„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En, Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar ik maar kan.”
Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende, verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.
Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had, niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.[208]