[Inhoud]Hoofdstuk X.De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden.Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden.Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden.Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden.Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden.Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.
Hoofdstuk X.De gastvrijheid van den heer Allworthy, met eene korte schets van de karakters van twee broeders, een geneesheer en een kapitein, die door dien heer onthaald werden.
Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.
Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.
Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.
Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.
Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst[31]dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.
Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.
Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.
Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag[32]legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.
Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.
Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.
Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.
Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.
Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.
Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.”[33]Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.
Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.
Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.
Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.
Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?
Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen[34]wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.
De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen dedokterreden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.