[Inhoud]Hoofdstuk XI.Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk.Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk.Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk.Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk.Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk.Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.
Hoofdstuk XI.Bevattende vele regels en eenige voorbeelden van het verliefd worden, beschrijvingen van schoonheid, en andere meer degelijke aanleidingen tot het huwelijk.
Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.
Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke, opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij het altijd zelve wel weet.
Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.
Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid[35]dezer opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest, toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje, dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over schaamde.
En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid, zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te bekennen.
De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig meer aan de natuur te danken.
Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze onwillekeurig deden[36]denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.
Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak, waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den wille van een veel degelijker voldoening.
De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar, onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven, voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om het kerkboek te dragen.
De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene leelijke vrouw,—dan eene schoone[37]vrouw te hebben, die geene van deze gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.
Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot vrouw moeten nemen.
Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om, wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke dame te winnen.
Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik, gebaar of woord van haar bij hem verloren.
De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke[38]houding van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was. Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten hoogste goedgekeurd door zijn broeder.
Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving, namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk is.
De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel, afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde, verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de standvastigheid harer weigering.
Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels, het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens[39]de regels, verdedigd werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade overgaf.
Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn op hetgeen gaande was.