Hoofdstuk XII.

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden.Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden.Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden.Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden.Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]

[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden.Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]

Hoofdstuk XII.Bevattende hetgeen de lezer welligt verwacht er in te vinden.

Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]

Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man en vrouw.

Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.

Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon geven, zeide hij:

„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er aan denk?”

Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het gezelschap kon laten van iemand van[40]het andere geslacht. „Had ik kunnen vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”

„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”

„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige geschiedenis?”

„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit, die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk, ik gezegd heb,sui jurisis, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”

De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid, herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid zijner familie te[41]beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde, zoodanig op het spel had gezet.

Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is. Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime geldmiddelen?

„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand, hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs mensch of een Christen. En[42]men is welligt nog al te toegevend, als men aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.

„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur. Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam, deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.

„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven, haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele, wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht, zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”

Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.[43]


Back to IndexNext