[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen.Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]
[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen.Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]
[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen.Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]
[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen.Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]
[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen.Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]
Hoofdstuk XIII.Waarmede het eerste boek eindigt, en dat een voorbeeld van ondankbaarheid oplevert, hetwelk naar wij hopen, onnatuurlijk zal schijnen.
Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]
Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening, indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat wezenlijk van meer belang is.
De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:
„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard, en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt, te voorkomen.”
De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links laten liggen.
Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.
De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg[44]geen anderen uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij om weg te gaan.”
Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost. De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten dienste van een onwaardige?
De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had; waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.
Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn, en uiterlijk eene verzoening veinsde.
Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook haar tegen die persoon in te nemen.
De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan al de bezwaren[45]te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou, dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.
Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te vreezen.
Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de opregtheid der verzoening.
De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor weet.
Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen; want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.[46]