Hoofdstuk XIII.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen.De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen.De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen.De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen.De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

[Inhoud]Hoofdstuk XIII.Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen.De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

Hoofdstuk XIII.Een verschrikkelijk ongeluk, dat Sophia overkomt. De manhaftige houding van Tom Jones, en de nog verschrikkelijker gevolgen van die houding ten opzigte der jonge dame,—met eene korte afwijking ter verheerlijking der vrouwen.

De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.

Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.

Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.

Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloogonmiddellijkhaar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong[173]hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.

Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.

„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”

„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”

„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”

Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”

„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”

Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.

De heer Western, die een eindje vooruit gereden was,[174]eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:

„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”

Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.

Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft[175]dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.

Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.


Back to IndexNext