[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende minnebrieven enz.Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.
[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende minnebrieven enz.Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.
[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende minnebrieven enz.Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.
[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende minnebrieven enz.Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.
[Inhoud]Hoofdstuk XII.Bevattende minnebrieven enz.Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.
Hoofdstuk XII.Bevattende minnebrieven enz.
Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.
Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem[293]toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.
Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”
Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.
Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.
Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.
Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.[294]
De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.
Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:
„Mejufvrouw,Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”
„Mejufvrouw,
Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.
„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.
„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.
„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.[295]
„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”
Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.
Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.
Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.
Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”[296]
Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.
Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?
George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”
Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.
George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.
De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:
„Mijnheer,Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”
„Mijnheer,
Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem,[297]om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”
Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.