[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Waarin de oude man van denBergzijn verhaal besluit.„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van denBerg.„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Waarin de oude man van denBergzijn verhaal besluit.„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van denBerg.„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Waarin de oude man van denBergzijn verhaal besluit.„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van denBerg.„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Waarin de oude man van denBergzijn verhaal besluit.„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.[Inhoud]Hoofdstuk XV.Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van denBerg.„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
[Inhoud]Hoofdstuk XIV.Waarin de oude man van denBergzijn verhaal besluit.„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.
Hoofdstuk XIV.Waarin de oude man van denBergzijn verhaal besluit.
„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.
„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzaligeomstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.
„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.
„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”
„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.
„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte[158]mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”
„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”
„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”
„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.
„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.[159]
„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”
„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.
„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.
„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.
„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.
„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.
„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.
„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk[160]alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.
„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”
„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”
„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me[161]toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”
„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”
Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:
„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.
„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte,[162]waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”
„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.
De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:
„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.
„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.
„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.
„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.
„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm[163]maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.
„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.
„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.
„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”
„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”
„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”
„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te[164]vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”
„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”
Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.
[Inhoud]Hoofdstuk XV.Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van denBerg.„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
Hoofdstuk XV.Eene korte geschiedenis van Europa; en een merkwaardig gesprek tusschen den heer Jones en den ouden man van denBerg.
„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.
„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”
„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld,[165]dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”
„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.
„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”
„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.
„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en[166]met„de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.
„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”
Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en[167]drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”
„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De[168]mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkiguitgeslotenblijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”
„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”
„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”
„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het[169]karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”
„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”
„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”
„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”
De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.
De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.[170]
De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”
Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.