Hoofdstuk XI.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen.Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen.Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen.Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen.Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

[Inhoud]Hoofdstuk XI.Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen.Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

Hoofdstuk XI.Waarin, in een langen volzin, naar den smaak van den heer Pope, een beeld de beschrijving vooraf gaat van een der bloedigste gevechten, die geleverd kunnen worden zonder het gebruik van blanke wapenen.

Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van[236]Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):

„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”

„—Procul, o procul este, profani,Proclamat vates, totoque absistite luco!”

„—Procul, o procul este, profani,

Proclamat vates, totoque absistite luco!”

„Wijkt ver van hier, oningewijden,”Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”

„Wijkt ver van hier, oningewijden,”

Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”

Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aangenus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.

Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.

Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:

„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”

„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”

„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”

„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”

„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”[237]

„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”

„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”

„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „datdatnu niet gebeuren zal!”

Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”

Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hemonmiddellijkter aarde velde.

Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.

De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.[238]

Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.

Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.

De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”

De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.

Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de[239]plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones hetslagtoffervan Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.


Back to IndexNext