[Inhoud]Hoofdstuk XI.Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen.Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen.Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen.Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen.Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.
[Inhoud]Hoofdstuk XI.Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen.Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.
Hoofdstuk XI.Een kort hoofdstuk, dat echter stof genoeg bevat om den goedaardigen lezer te treffen.
Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.
Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.
De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”
Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed[291]lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”
Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens[292]dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”
Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.
De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.
Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.