[Inhoud]Hoofdstuk X.Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd.Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]
[Inhoud]Hoofdstuk X.Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd.Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]
[Inhoud]Hoofdstuk X.Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd.Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]
[Inhoud]Hoofdstuk X.Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd.Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]
[Inhoud]Hoofdstuk X.Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd.Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]
Hoofdstuk X.Een verhaal, gedaan door den predikant, den heer Supple. Het doorzigt van den heer Western. Zijne groote liefde tot zijne dochter, en hoe die vergolden werd.
Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]
Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.
De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt, hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu gelukte.
De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy, was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch, voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord,hij bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit aanstootelijk.
Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had, en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest bewijzen.[159]
Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als volgt:
„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:
„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”
„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”
wat zeggen wil, mejufvrouw:„Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware een zwarte zwaan.”
„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager, den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar, onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw, dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven, zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden, toen ik het huis verliet.”
„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te melden hadt.”
„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt[160]te worden; maar ik achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”
„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink eens uit! De flesch staat naast u!”
Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had, en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer, die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige pligtplegingen.
Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé wendende, riep hij uit:
„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong! Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal twee vier is, is hij de vader van het kind!”
„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.
„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven, dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”
„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:
„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”
„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene,[161]beleefde jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”
„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”
„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”
„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”
Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.
Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit[162]de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.
Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”
Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.[163]