[Inhoud]Hoofdstuk X.De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is.Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is.Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is.Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is.Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
[Inhoud]Hoofdstuk X.De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is.Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
Hoofdstuk X.De waarheid bewijzende van vele opmerkingen van Ovidius en van andere deftige schrijvers, die boven alle bedenking bewezen hebben, dat de wijn dikwerf de voorbode der ontucht is.
Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.
En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.
Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie[232]vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:
„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”
Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:
„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”[233]
„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.
„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”
Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.
Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.
Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”
Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de[234]heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.
Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of
„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandemDeveniunt—”
„SpeluncamBlifil,dux et divinus eandem
Deveniunt—”
dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.
Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.
Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.
Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”
Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.
De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.
Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn[235]toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.
De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.