X. VERHAEL.

[Inhoud]X. VERHAEL.Van twee nieuwe ghetrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot Argiers tot Slaven gebracht wierden.[158]In de Stadt van Nantes in Bretaignen was in het Jaer 1641. een Capiteyn van een Schip, die maer na de Windt wachte om na Canada te varen, ende terwijl hy na de Wint wachte, was hy verlieft op een Dochter van een Rijck Coopman, dewelcke vernam dat ſijn Dochter op hem verlieft was, ende wilde in geenderley maniere conſenteren tot dit Huwelijck, conſidererende dat deſe Capiteyn moſte vertrecken, ende dat de eerſte goede Windt hem ſoude wech voeren met zijn Schip, ende de Liefde van de Dochter met de Windt. Maer de Capiteyn ſiende aen d’ andere zijde, dat hy meer konde winnen met het trouwen van deſe Dochter, als alle ſijn leven te varen, wiſte ſijn ſaecke ſoo fraeykens te verrichten, ende de goede gratie van ſijn Maiſtreſſe te winnen, datſe ſecreetlijck ſonder weten van de Ouders trouden, ende voor al eer ſy de tijdinge daer van hadden, hy met de nieuwe Bruydt geimbarqueert was, zeylende na Canada toe, hopende dat voor ſijne wederkomſte ſijne ſaecke ſoude geaccommodeert ſijn door interceſſie van ſijne Vrienden: Maer de Fortuyne diſponeerde daer van anders. Hy hadde naeuwelijcks 24 uyren in Zee geweeſt, wanneer een Zee-roover van Argiers hem aen Boort quam. Deſen[159]amoreuſen Man meer gewoon ſijnde tot de careſſe van ſijn Maiſtreſſe, als tot de oeffeninge van Mars, gaf ſijn Schip over ſonder eenige reſiſtentie.Weynigh daghen daer na ſaghmen deſe Franſe Iuffrouw met haer Man ende andere Slaven op de Marckt van Argiers, alwaer de Chriſtenen verkocht worden. De Turcken, Mooren, Griecken, ende Spaignaerts, die niet ghewoon waren de kleedinghe van Franſe Iuffrouwen te ſien, het Hayr gepoudreert, ende het Hooft in goede ordre, ſagen haer met groote verwonderinghe aen: Sy ſeyde aen eenige Chriſtenen die haer onderhielden ende vertrooſten, ick vreeſe alleen datmen mijn Religie ſal doen verſaecken: Het ſcheen dat de vreeſe van deſe Vrouwe Gode aengenaem was: Want de Conſul van Vranckrijck wiſte de ſaecke met de Baſſa ſo wel te doen, datmen de verkoopinge ophiel, onder pretext van eenighe conſideratie met de Franſen.Maer de oorſaecke procedeerde uyt de giericheydt vande Baſſa (gelijck ghy ſult verſtaen) de welcke ſpottende met de vrede: maer alſoo den Franſen Capiteyn ſich niet gedefendeert hadde, allegeerde de Conſul dat het Schip van gheen goede prijs was.[160]Het was na mijn oordeel een vondt vande Baſſa, die met de Conſul overeen quam, om dit Schip vry te verklaren, ende alſoo de Reeders ende de Soldaten te bedriegen: Ende dat de Capiteyn om ſijn ende ſijns Vrouwen liberteyt te hebben, het Schip met de gantſche laſt tot proffijt vande Baſſa ſoude laten. Terwijl men daer mede doende was, brochtmen de Iuffrouw in het Huys van een voornaemſte Turckſe Vrouwe, alwaer ſy heel wel was, alleen datſe met haer man alleen niet mochte ſpreecken. Ick en wete het eynde van deſe ſaecke niet, alſoo ick korts daer na van Argiers vertrock.[Inhoud]XI. VERHAEL.Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſſe Slaef.Ick hebbe binnen Argiers gekent een Capiteyn ſijnde een vermaerde Zee-Roover, genaemt den grooten Moor, van Natie een Moſabi, ſijnde een Natie van arme Arabes, ſeer veracht, ende gants niet geeſtimeert: Om datſe haer tot de Wapenen niet begeven, ende de Keucke liever hebben als den Oorlogh. Sy gaen ordinaris met Darmen om,[161]onaenghenaem van weſen, want ſy ſijn noch ſwart noch wit, ende noch minder mulatten: Maer het ſchijnt dat haer aenſicht van Olye is.Den Grooten Moor, ſijnde een Ionge van ontrent twaelf Jaren quam tot Argiers: ende alſoo de Coopmanſchap van darmen hem miſhaechde, ging hy met de Zee-roovers Scheep voor Ionge vande Capiteyn: ende door de gedurige navigatien ende verſcheyde gevechten, wierde hy een ervaren Zee-man ende een goet Soldaet, verkrijgende ſoo veel reputatie, dat de Reeders hem Capiteyn van een kleyn Schip maeckten: ende daer na van een groot Schip met 30. ſtucken Geſchut. Eyndelijck wierde hy Capiteyn van een Galeye gemaeckt.Deſen grooten Moor was de vreeſe van alle de Chriſtenen Schepen, die inde Middelandtſe Zee voeren, ende van alle de Turcken geeſtimeert voor een Godt Mars. Ick ghelove dat indien den Grooten Heer hem abſoluyt commandement op de Zee gegeven hadde, ghelijck Sultan Soliman het gaf aen den Eerts-Zee-roover Barberoſſe inde voorgaende eeuwe, de Victorien van den grooten Moor grooter ſouden zijn geweeſt als die van alle de Ottomanſe Generaels,[162]want hy was een Leeuw in het vechten, ende een Lam in ſijne Victorien, tracterende ſijne overwonnen Vyanden met ſoeticheydt ende groote courtoiſie.Deſen grooten Moor hadde onder andere een Portugijſe Slaef die hem aen Landt diende voor Camerlingh, ende op Zee als Schrijver. Deſen Portugijs hadde ſijn Patroon eenige jaren langh getrouwelijck gedient ſoo ter Zee als te Lande. Op ſeeckeren dagh kruyſte den grooten Turck met ſijn Schip de Kuſt van Portugael: Hy riep zijn Slaef, ende ſeyde hem: Gy hebt ſoo veel jaren my getrouwelijck ghedient, ick geve u vryheydt, ende gaf terſtont ordre de Kuſt te approcheren, om deſen libertijn te lichter met de Chaloup aen Landt te ſetten, die zijn Meeſter bedanckte met een dobbelſinnigh ende ondanckbaer Herte. Terwijlmen dicht by het Landt quam, ging hy ſecretelijck inde Kejuyt, ende opende een Coffer van ſijn Patroon, daer hy de Sleutelen van hadde, ende nam eenige Hembden, ende om zijn voornemen te volbrengen ſonder ontdeckt te worden, dede hy die onder zijne Kleederen. Men ſette de Chaloup in Zee, ende de Portugijs overleverende de Sleutelen vande Coffer, nam zijn laetſte adieu van zijn Patroon. Men ſette[163]hem aen Landt, de Chaloup quam wederom, ende het Schip continueerde met kruyſen. Eenige dagen daer na wilde de groote Turck ſchoon Lywaet aendoen: Maer hy was bedroghen, want zijn lywaet was van dien ondanckbaren geſtolen. Hy wierde ſoo ſeer vertoornt, dat hy ſeyde, ick ſwere by het leven van den Grooten Heere, dat indien ick dien ondanckbaren Chriſten wederom in mijn Handen krijge, hy de Slavernye om op de Galeyen te roeyen niet ſal eſchapperen.Op de ſelfde tijdt geſchiede een andere ſeer remarquable ſake, te weten, dat de Generael Alli Pegelin, verloren hebbende een Diamant van groote prijs, de ſelfde van alle ſijne Slaven aen alle kanten dede ſoecken: onder andere vonde de ſelfde een van ſijne Slaven ſijnde een Spaengiaert. Hy preſenteerde de Diamant aen Pegelin, die de ſelfde ontfing, blijde zijnde dat hy die hadde, ghevende aende Slaef tot recompenſie een half ſtuck van achten, ende hem ſeggende, Neemt dat gy beeſt ſonder verſtandt, ende koopt een Touw om u te hanghen: Ghy hadt u vryheydt gewonnen, ende gy hebtſe niet konnen nemen. Alli Pegelin was immers ſoo ondanckbaer tegens ſijn Spaenſe Slaef, als de Portugijſe Slaef was tegens den grooten Moor.[164][Inhoud]XII. VERHAEL.De maniere vande dooden tot Argiers te begraven.In een van mijn voorgaende Verhalingen, hebbe ick mentie gemaeckt van den Oorlogh van een Barbariſen Koningh Benali tegen de Baſſa van Argiers. In deſen Oorlogh wierden vele Turcken ende Renegados doodt geſlagen. Onder andere een Bulcebas, dat is Capiteyn van infanterie. Deſen Bulcebas was een Renegado, ende hadde Slaef van mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga gheweeſt: Ende hy woonde inde ſelfde ſtraet van de voorſz Mahomet Celibi.Soo haeſt als de tydinghe gekomen was vande doodt van deſen Bulcebas, ging mijn Patroneſſe vergeſelſchapt met twee ſwartinnen hare Slavinnen, ende met alle de Vrouwen vande buyrt, in het huys vande Weduwe, ende ſoo haeſt als ſy daer binnen waren gekomen, begonnenſe te ſchreyen, weenen, roepen, ende haer deſperatelijck aen te ſtellen; ende een van deſe Vrouwen klopte geſtadig met een ſtuck Yſers op een Tafel, het welcke ſoo grooten geluyt ende ſoo ſchrickelijcken[165]geraes maeckte, als ofte de ſtraet vol dolle Menſchen ware. Ick vviſte vvel dat het de maniere van ſich te beklagen inden rouvv op zijn Africaens vvas. Wanneer mijn Patroneſſe vvederom thuys quam, thoonde ick als ofte ick de reden van alle dat gekrijt niet en vviſte, vragende de oorſaecke vvaerom ſy geſchreyt hadde, ende vvaerom ſy haer aenſicht gekrabbelt ende bebloet hadde. Sy antvvoorde my, dat het de maniere van het Landt vvas, ende datmen op deſe vvijſe de doodt van de Ouders ende goede Vrienden bevveende. Ick repliceerde: Dat is goet voor u, die den overleden kent: Maer vvederom is uvve Slavinne bekrabbelt ende bebloet gelijck als gy, devvijl ſy den overleden niet en kent, vvant ſy is onlangs eerſt by u gekomen, ende is vvildt? Mijn Patroneſſe antvvoorde my. Zy heeft ghedaen gelijck ſy ghezien heeft datmen dede, ſonder andere reden.Op dit vvoort vanwildt, ſult gy vveten dat het Koninckrijck van Argiers vele kleyne tributariſe Koningen heeft ende ſommige van haer betalen door ghebreck van Gelt haer jaerlijckſe tribuyt met menſchen. Deſe menſchen zijn ofte gevangen Arabiers, genaemt dvvalende Arabiers: Ofte by gebreck van gevangens, betalenſe met haer[166]eygen onderſaten: Men noemt ſoodanigh Volck tot Argiers, Wilde, om datſe de ghemeene ſpraecke van het Landt, te vveten, Arabiſch ofte Moors, niet en kennen.[Inhoud]XIII. VERHAEL.Van de onbedachte yver, ende vanden voorſichtighen yver.Wanneer ick inde Mamore van Tituan was, quam een Moorſe Vrybuyter inde Mamore met een beelt van onſe Lieve Vrouwe in Houdt gheſneden, het welcke hy op een Chriſten Schip ghenomen hadde, preſenterende het ſelfde te verkopen. Alle de Spaenſe Slaven vergaderde haer daer rontſom, preſenterende een Goude Kroon, op dat aen het beelt geen verachtinge ofte ongelijck ſoude gheſchieden. De Moor ſiende den goeden yver van de Chriſtenen, ſeyde haer datter vier mael ſoo veel moſte ſijn, ende indien gy het niet geven wilt, ſal ick het verbranden.De goede Spaignaerts waren in groote bekommerniſſe over de dreygementen van[167]den Barbaer, ende delibereerden oftſe den Moor ſouden gheven ’t gene hy eyſchte: Ende om deſe ſomme te vinden, wilde het meeſtendeel vande Spaignaerts contribueren alles wat ſy hadden: Want die inde Mamore een ſtuck van achten kan verteeren, en heeft van armoede niet te klagen.Ick ſagh aen ’t gene aldaer paſſeerde ſonder een woordt te ſpreecken; Op het laetſte moeyde ick my daer mede, ende ſeyde tot de Spaignaerts. Dit beelt is ſoo veel niet waert: Zy antwoorden my terſtont: Wy koopen het beelt niet om ſijn waerde, Maer op dat het geen ongelijck ſoude lijden. Ick ſeyde haer. Uwen yver is ſeer goet, maer conſidereert ghy niet dat deſen Moor met de vier Goude Kroonen uyt de Mamore ſal gaen voor een beelt dat geen vier Realen weerdigh is: Hy ſal door de gantſche Stadt gaen publiceren dat de Chriſtenen Afgoden-Dienaers ſijn: Ter naeuwer noot wilden de yverighe Spaignaerts mijn reden verſtaen, ende ick liep groot perijckel van voor een Lutheriaen ghehouden te worden. Maer ick kreegh een groot ſecours van een Pater Dominicaen, die mede Slaef inde Mamore was, ſijnde een Man van een goet leven ende ſeer geleert. Ick vertelde hem[168]’t ghene paſſeerde tuſſchen de Spaignaerts ende de Moor. Deſen goeden Pater gaet terſtont met een yver ghefondeert op voorſichtigheydt, na de Moor toe, ende ſeyde hem. Wilt gy een ſtuck van achten voor het beelt hebben, men ſal het u geven, ſoo niet, gaet ende doet met het beelt wat ghy wilt, ende vertreckt van hier, ofte anderſints ſullen de Chriſten Slaven u duyſendt ſlagen met Vuyſten geven. De Moor ſiende den Religieus ſoo reſoluyt, en ſprack geen rodomontaden meer, noch dat hy het beelt ſoude verbranden, maer was wel blijde het ſtuck van achten te hebben, gevende het beelt: Indien de Spaignaerts vier goude Kroonen gegeven hadden, ſouden ſy haer Geldt verloren gehadt hebben, de Moor ſoude haer beſpot hebben, ende de Catholijcke Religie veracht: maer den goeden yver van deſen Religieux vergeſelſchapt met voorſichtigheyt, conſerveerde het gelt van de arme Slaven, gaf vreeſe aen den Barbariſchen Moor, ende dede de Mahometanen ſien, dat de eere die de Catholijcken aen de beelden geven, niet beſtaet in de materie, gelijck de onwetende geloven.[169][Inhoud]XIV. VERHAEL.Twee Exempelen van mildadigheyt ende erkenteniſſeSaban Gallan Aga, menighmael gementioneert in het diſcours van mijn Reyſe, als mede in mijne Verhalinghen, was van Geboorte een Spaignaert vande Frontieren van Portugael, ende Zoon van een Boots-Geſel. Hy was van zijn jonckheydt af gevallen in Slavernye vande Turcken, die hem geperſuadeert ende gheinduceert hadden het Chriſtelijcke Geloof te verſaecken, het welcke aen een jongh Kindt licht te doen is.Deſen Saban ontfingh door zijne noble maniere van yder een te tracteren, de naem van Galan. Hy was ſeer Rijck: Zijn oeffeninge was den Oorlogh ſoo ter Zee als te Lande. Hy was een Aga geweeſt, dat is, Maiſtre de Camp. Deſen Saban gingh op ſeeckere dagh by geval over de Marckt, alwaer men de Chriſtenen verkoopt, hy begon met de Slaven te diſcoureren, ende vonde by gheval een van ſijne Landts-Luyden, die hy om een kleyn Gelt koſte, want[170]hy was een Viſſcher, ſonder apparentie van groot Rantſoen voor te krijghen. Hy brocht de Slaef t’ ſijnen Huyſe, ende ſeyde hem: Ick hebbe hondert ende vijftigh ſtucken van achten voor u betaelt, indien gy my wilt belooven ghelijcke ſomme in u Landt te betalen aen een die mijn Bloed-Vrindt is ende arm, ſal ick u aen Landt ſetten in u Vaderlandt met de eerſte Vrybuyter die vertrecken ſal. De Viſſcher de Slaef was ſeer blijde over deſe propoſitie, ende accepteerde ſonder uytſtel ’t ghene ſijn Patroon voor-geſtelt hadde. Saban dede volgens ſijn belofte hem inbarqueren op het eerſte Vrybuyters Schip, het welcke na de Ocean toe voer, ende gaf ordre datmen deſen Chriſten op de Kuſt van Portugael aen Landt ſoude ſetten. De ordre van Saban wierde volbracht. De Portugijſen van ſijn Dorp waren verwondert een Man ſoo haeſt van de Slavernye wederom te ſien. Hy begon ſijn Fortuyn te vertellen, ende de reſcontre die hy gehadt hadde, ende voorts alles wat met Saban Gallan gepaſſeert was.Hy verkocht alles wat hy hadde, ende betaelde volghens zijn belofte aen wien hy de 150. ſtucken van achten betalen moſte, de welcke het Gelt ontfangen hebbende,[171]ſchreef een brief van danck aen zijn bloedt-verwant Saban Gallan. Ondertuſſchen keerde deſen goeden Man ſich wederom na de Viſſcherye om zijn Koſt te winnen, ende het ongeluck wilde dat hy noch eens vande Zee-Roovers genomen wierde, ende tot Argiers gebracht, alwaer hy gekomen zijnde, liet hy aen Saban Gallan zijn ongheluck weten, die hem wederom kocht, hem eenighe daghen langh in zijn Huys tracterende, ende verſagh hem met Wolle ende Linnen na zijn behoef, ende ſeyde. Om dat gy een eerlijck Man zijt, ende dat gy u belofte voldaen hebt, keert noch een mael na u Huys, ende ’t gene gy gekoſt hebt, betaelt dat aen de ſelfde Perſoon op ſoodanighen tijdt. De Viſſcher ſeyde, Ick kan het niet doen, want ick hebbe alles wat ick hadde verkocht, om mijn eerſte rantſoen te betalen: Daerom ſal ick liever Slaef blijven, als mijn woordt niet te houden. Saban hoorende deſe eerlijcke reden, ſeyde hem, betaelt na u gelegentheydt (de tijdt was van ſes Maenden) binnen twee Iaren. De Viſſcher nam deſe conditie aen ende men ſette hem aen Landt als d’ eerſte mael in zijn Vaderlandt.Hy gingh terſtont by de Bloet-Vrindt[172]van Saban, ende ſeyde hem zijne recommandatien, hem belovende de geaccordeerde ſomme te betalen binnen twee Iaren,ende keerde wederom na zijn neringe. Maer alſoo zijn Barck met zijn toebehooren, ofte verkocht was, om zijn eerſte rantſoen te betalen, ofte verloren, wanneer hy de tweede mael genomen wierde, was hy genootſaeckt voor Knecht van andere Viſſchers te varen, ſoo dat hy ſoo veel profijt niet konde doen, als wanneer hy voor ſijn ſelven was: Maer niet teghenſtaende zijn kleyn profijt hebbende een kleyn ſomme gheſpaert, gaf hy de ſelve terſtont tot afkortinge van zijn rantſoen.De twee Iaren waren gepaſſeert, ende hy hadde noch boven een derdedeel niet betaelt van ’t ghene hy ſchuldigh was: Om ſijn belofte te voldoen, dachte hy op een middel, de welcke was een quintael Toback te koopen, ende imbarqueerde ſich in een Portugijſe Schip dat na Argiers vertrock, (alwaer de Toback doenmael ſeer dier was) met paſpoort vande Baſſa, om eenighe Slaven af te loſſen. Hy quam in weynig dagen tot Argiers, ende ging recht na het Huys van Saban Gallan, de welcke ſeer verbaeſt was hem te zien: De Viſſcher ſeyde hem: Patroon, ick hebbe[173]maer een derdendeel van ’t gene ick u ſchuldig ben, betaelt, als blijckt by deſe Quitantie, ende alſoo ick geen middel hebbe om de reſt te betalen, ben ick gekomen met een Quintael Toback, ende indien ick die kan verkoopen met het profijt alſmen my verſeeckert heeft dat ick ſoude doen, ſal ick u betalen, ſoo niet, ſal ick liever wederom u Slaef willen zijn, als dat uwe Signorie, vande welcke ick ſoo veel weldaden ontfanghen hebbe, my ſoude beſchuldigen van eenighe ondanckbaerheydt. Saban hoorde deſe redenen met groote verwonderinge vande ghetrouwigheydt ende erkenteniſſe van deſen Viſſcher: Antwoorde hem, gy zijt een eerlijck, getrouw ende danckbaer Man, Maer ſeer onnoſel: Gaet u Toback verkoopen, ende keert wederom na u Landt, ende behoudt het Gelt te ſamen met uwe vryheydt, ende gaf hem in ſijn Huys Eten, ende Drincken, tot dat hy met het ſelfde Schip wederom keerde: latende binnen Argiers een eeuwige naem van getrouwigheydt ende danckbaerheydt, ende brenghende in Portugael een eeuwige lof vande liberaliteyt van Saban Gallan.[174][Inhoud]XV. VERHAEL.Van de maniere van Trouwen tot Argiers.Myn Cameraet Ian Baptiſta Caloen woonde by een oude Vrouwe,de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, die een vande vijf Turcken was die tegens ons ſouden verwiſſelt worden. Deſen Moſtafa hadde een Broeder ghenaemt Amet Iugles, out 22. Iaren, maer ſeer ghedebaucheert, een Hoer-Jager, ende grooten Dronckaert, ſoo dat het leven dat deſen armen Turck voerde niet veel langher konde duyren ſonder hem ſelven te ruineren.De Groot-Moeder ende de Moeder van Amet wiſten hem ſoo wel te perſuaderen, dat hy haer beloofde de Wijn ende Hoeren, te verlaten, ende dat hy voortaen ſoude leven als een eerlijcke Mahometaen: Ende om te toonen dat hy op die maniere wilde leven, ſeyde hy haer, ick ben te vreden een Wijf te nemen. Dit begeeren na hy toonde, behaeghde de Groot-Moeder ende de Moeder ſeer wel, die aen Amet preſenteerden verſcheyde Dochters van qualiteyt,[175]ende onder andere eene die hem ſeer behaegde, om haer groote Rijckdom. Om dit Huwelijck te effectueren dede de Groot-Moeder van Amet de Ouders van de Dochter ſpreecken, ende Amet imployeerde tot Spion ende Afgeſante een oude Vrouwe, die inde principaelſte Huyſen zijde ſtoffen te verkoopen bracht.Deſe oude Vrouwe wiſte zijne ſaecken alſoo te wege te brenghen, dat de Dochter binnen weynigh daghen haer woort ingageerde: Sy wiſte oock de ſchoonheydt vande Dochter, ende hare deughden, manieren ende Rijckdom ſoo te beſchrijven, dat Amet van Liefde betoovert wierde door het diſcoureren van deſe oude Vrouwe: De Ouders van beyde zijden approbeerden het Huwelijck. Men ordonneerde een dagh voor de Bruyloft: De toekomende Bruydegom ſondt aen ſijn Maiſtreſſe een preſent van zijde Linten ende andere dierghelijcke dingen: Ende om het preſent met behoorlijcke ſolemniteyten te doen, riep Amet 20. Slaven van ſijne Ouders ende Vrienden, onder de welcke ick oock was.Wy marcheerden d’ een na den anderen, yder met ſijn Schotel bedeckt, waer inde preſenten waren. Amet leyde de Slaven tot aende Deure van het Huys van zijn[176]Maiſtreſſe, alwaer ſy ghekomen ſijnde, bleef hy op de ſtraet, ende de Slaven gingen in het Huys, het welcke ghebout was op ſijn Italiaens met een vierkante plaets tuſſchen vier Galeryen. De toekomende Bruyt was geſeten op een Kuſſen van Root Fluweel, rijckelijck met Silver bewrocht, in ’t in komen van een kleyne Zael: Yder Slaef ſtelde zijn Schotel op de plaets die bereyt was om die te ontfangen, maeckende een groote reverentie aende toekomende Bruyt.De andere Slaven hadden Monſieur Caloen ende my geleert deſe woorden,eylaa,eylaa,eylaa, die wy over luyts moſten uyt roepen, na dat vvy alle de Schotels op de Aerde geſet hadden, het vvelcke ghedaen vvierde. Ende de Slaven van het Huys ſo Mans als Vrouvven antwoorden met de ſelfde Muſijck. Dat gedaen ſijnde dede vvy een groote reverentie, ende ginghen uyt het Huys.Amet vervvachte ons aende Deure, ende vvanneer ick voor by hem paſſeerde, ſeyde hy my in Spaens, Duynkercker is ſy ſchoon? Ick antwoorde, ſeer ſchoon, nemende de ſchoonheydt na de opinie van de Africanen, want ſy houden de Vrouwen ſchoon die vet zijn: Deſe tijdinghe behaegde[177]Amet ſeer wel, want hy hadde het aenſicht van zijn Maiſtreſſe noyt geſien, de maniere van het Landt is dat wanneer de Vrouwen langs de ſtraten gaen, hebben het aenſicht bedeckt met twee Doecken, de een die het voor-Hooft tot de Ooghen toe bedeckt, de ander die de gantſche Neus bedeckt. Wanneerſe thuys ſijn, ſijnſe ſoo ſcrupuleus voor de Chriſten Slaven niet: Want ſy ſegghen, dat de Chriſtenen blindt zijn: Maer indien een Mahometaen haer aenſicht bloot ſoude ſien, dat ſoude een groote ſonde ſijn, ende dat een jongh-Man een eerlijcke Dochter in het Huys van haer Ouders ſoude ſpreken, is geenſints toegelaten.Deſe maniere van leven dunckt my ſeer vreemt: Maer ſy is ſeer nootſakelijck in dat Landt wegen dequadeinclinatien van de Vrouwen: Want hoewel haer Mans met alle vlijt trachten haer Vrouwen ende Dochters in Huys te houden, vindenſe nochtans duyſent practijcken om in het badt te gaen, ofte om viſiten te doen, ofte onder pretext van devotie (welcke inventie oock in Europa genoeg bekent is) te viſiteren ſoodanigen Marabout ofte Santon; Ende onder dit pretext abandonneren ſy haer ſelven, wanneerſe occaſie vinden, aen allen den genen[178]dieſe reſcontreren, al waren het maer Guyten, Bedelaers, ende Sodomiten.[Inhoud]XVI. VERHAEL.De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande vernuftigheydt.Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien uren genoodight, met conditie dat hy met hem[179]voor den eten een keer inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren, ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen, ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te drincken.Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemtTerrevechia, ende Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende[180]oftſe geen Yſer te verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande Slaven vande Galeyen.Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, endeleydeterſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael Alli Pegelin, de welcke[181]inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam. Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van achten bleven by Fontimama.Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten[182]van Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe, Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven, wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven: Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde. Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op[183]de geſtelde tijdt; Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden: Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt: Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden: Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in is. Men noemt ſoodanige Luyden in SpaensVidas. Deſen Rodrigo ſocht zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort ghemaeckt wierde.[184]Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam. Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde[185]de Secreten vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh hiel hy zijn leven op.Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde, wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden, ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van achten van.Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe[186]haer oock met Vrouwen ende de Wijn.Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden, maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven, uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het rantſoen.Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by haer loon. Maer gy[187]moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts, de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de Slaven ſijn Zee-Luyden.Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont[188]’t gene onder de Slaven paſſeerde, ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de Menſchen te leeren leven.[Inhoud]XVII. VERHAEL.Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van Alli Pegelin.In het Iaer 1641. was in Argiers Slaef een Pater Carmelijt, in wien men klaerlijck ſagh dat de goede opvoedinghe ende wijſheydt zijne leere gouverneerden. Deſen Eerwaerdigen Pater was genaemt Pater Angeli, van Genua Gebooren, ende hadde door ordre van zijn Overſte eenige Iaren in Perſia gereſideert, gelijck hy menigmael vertelt heeft. In ’t wederkeeren na Italien door Turckien met paſpoort van den Grooten Heere, wierde hy vande Zee-Roovers genomen, met zijn compagnon, die een Portugijs was. Men brocht deſe twee Religieuſe Perſonen voor de Baſſa; Sy thoonden haer paſpoort, maer te vergeefs:[189]Want de Baſſa ſeyde haer, ſchrijft na Conſtantinopelen, ende klaecht over my, indien het u goet dunckt: Men moet de onrechtveerdigheydt met patientie verdraghen. Men verkochtſe, Pegelin kochtſe, ende ſondtſe inde Bain by de andere Slaven.Deſen Religieus ſeyde dagelijcks Miſſe inde Kerck van de Bain, doende de Kerckelijcke bedieninghen: Ende in weynigh tijdts, ick en wete niet door wat ſecrete inclinatie behaeghde hy yder een, niet alleen de Catholijcken, maer oock de Lutherianen, Calviniſten, Puriteynen, Schiſmatijcken, ende Nicolaiten: Want de Bain vvas van alle deſe ſoorten verſien.Wanneer deſen goeden Pater paſſeerde ter plaetſe daer de Slaven aten, badenſe hem alle by haer te eten, ſelfs oock de Moſcoviters ende Ruſſen, de welcke door een naturelijcke tegenſtrijdinge ſchijnen uyt hare Herte allerley courtoiſie ende civiliteyt gebannen te hebben. Indiender inde Bain eenigh verſchil tuſſchen de Slaven was, van wat Natie die waren, dede hy haer accorderen: Sijnde ſoo ſeltſame dinghen, dat de Seghen Godts ſcheen haer woonplaetſe ende reſidentie in het Herte vanden Religieus genomen te hebben. Indiender eenige[190]Slaef ſieck was, hadde Pater Angeli ſorge dat de ſiecke eenige leckere Koſt mochte te eten hebben. Indien eenighe Slaef hem quam bekennen dat hy in noodt was, gaf Pater Angeli hem een Aelmoes, ende hem ghebrack nimmermeer Gelt door de gunſte van eenighe Godtvruchtighe Slaven die hem met Aelmoeſſen voorſaghen om die te diſtribueren: Soo dat de deughden van deſen Religieus hem deden eſtimeren voor een Heylig Man onder de Turcken ſelfs.Pegelin hebbende verſtaen de gheruchte van deſen goeden Man, dede hem op een ſeeckeren dag by hem komen: Als ſijnde zijn Slaef, was hy hem gehoorſaem, vragende met een goede gratie, ofter yets was daer in hy hem ſoude konnen dienen: Pegelin antwoorde hem, Papas (ſoo noemen de Turcken de Prieſters) ick verſta dat gy een deugtſaem ende geleert Man ſijt, ende dat ghy goede ſatisfactie kondt geven van ’t ghene datmen u vraeght, ghy moet my ſatisfactie gheven van een dingh dat ick begerig ben u te vragen. Den goeden Angeli antwoorde, ick ben Slaef van uwe Signorie, mijn ſchuldige plicht is u gehoorſaem te zijn. Doen vraeghde hem Pegelin, wat ſal van my bekomen? Seght doch wat u daer van dunckt. Hy antwoorde:[191]Uwe Signorie is Capiteyn Generael van de Galeyen, ende ick ben een arme Religieus: Uwe Signorie is mijn Patroon, ende ick zijn Slaef: My dunckt dat ſulcks ſoude zijn te buyten gaen het reſpect die ick uwe Signorie ſchuldigh ben. Dit compliment behaegde Pegelin ſeer wel, want de Turcken begeeren dat men haer reſpectere: Pegelin ſeyde: Ick ſal het niet qualijck af nemen, hem bevelende dat hy ſoude ſegghen ’t gene hy van hem docht. Den goeden Pater Angeli ſiende dat hy aengedrongen wierde, ſeyde vry uyt: My vertrouwende op uwe Signorie, ſal ick u ſeggen ’t gene ick dencke. Ick geloove vaſtelijck, dat de Duyvel u ſal wegh halen. Pegelin antwoorde, waerom? Den goeden Religieus antwoorde; Ten eerſten hebt gy geen Religie, ende gy denckt nergens anders op, als de Chriſtenen te berooven ende te beſtelen; Gy doet geen wercken van Godtſaligheydt, ende veel minder van barmhertigheydt: Gy leeft als ofter geen Rechtveerdige Godt en ware, ja gy ſpot ſelfs met den Alcoran, ende met het ghene ’t welck de ſelfde de Mahometanen beveelt: Gy komt nimmermeer inde Meſquite: Gy leeſt nimmermeer uwe Aſſala: Want hy en las niet alleen de Aſſala, maer dat meer is, wanneer[192]hy in het Huys vande Baſſa inde Zael van audientie was, vvierde my geſeyt, dat vvanneer de Moor uyt riep (het vvelcke een teecken is om te bidden, gelijck in het Chriſtenrijck de Klocke) deckte hy zijn Aenſicht met ſijn Neuſdoeck: Ende ick gheloove dat hy dat dede om ſich te vvachten van lacchen over hare ceremonien. Ten laetſten verklaerde de Pater zijn leven van punt tot punt, toonende klaerlijck dat Pegelin voor zijn eenige Religie hadde een onverſadelijcke gierigheydt, ſonder oyt te dencken op de ſaligheyt van zijn Ziele.Dit diſcours gedaen ſijnde, ſeyde Pegelin tot hem al lacchende; Papas, vvanneer ſal dit zijn dat de Duyvel my ſalvvechhalen: Pater Angeli antvvoorde; Soo drae als gy ſult ſterven, ende dat u Ziele dit miſerabel Lichaem ſal verlaten. Pegelin repliceerde: Soo veel als mijn doodt aengaet, dat is noch een langh proces, ende ſoo langh als ick ſal leven, vvil ick mijn dienen vanden goeden tijdt die ick hebbe, ende na mijn doodt, laet de Duyvel met my doen dat hy vvil: Ende daer mede ſont hy den Religieus vvederom inde Bain.Ghy ſiet by ’t ghene ick gheſeydt hebbe datmen aen de Grooten ende de Godtlooſen vvel de vvaerheydt mach ſegghen ſonder[193]eenig perijckel, wanneer wijſheydt bequame tijdt ende ſtont daer toe ſal verkoren hebben.[Inhoud]XVIII. VERHAEL.Het ghebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa.Yemant met vergift om te brengen is een ſeer gemeene miſdaedt in Africa. Wanneer ick tot Argiers was, hadden de Zee-Roovers een Fregat ghenomen die tot Duynkercke gemaect was. Dit gebouſel behaeghde alle de Vrybuyterſe Capiteynen ſeer wel, ende yeder van haer wilde die hebben. Maer alſoo de Baſſa voor zijn recht van acht Chriſtenen eenen heeft, ende van yder Schip de helft, hadde de broeder vande Baſſa, die een Vrybuyterſe Capiteyn was, de Fregat. Waer over den vermaerden Capiteyn den grooten Moor (vanden welcken ick hier voren geſproken hebbe) nijdigh ende qualijck te vrede was: Seggende in volle compagnie, datmen hem ongelijck ghedaen hadde, dat men hem die Fregatte niet ghelaten hadde, mits daer[194]voor betalende als hy gheboden hadde. Dat de Broeder van de Baſſa nergens goe voor en was, als om de Buyt te deelen, en de hy om de ſelfde te nemen met een Rappier inde Handt.Dit diſcours wierde gerapporteert aen de Broeder van de Baſſa, die daer over ſeer vertoornt was, ende middel ſocht ſich daer over te wreecken. Om hem in Duel te roepen, vermochte hy niet, door dien het de maniere niet en is, de partye vanden grooten Moor ende hem was niet gelijck, want hy was te ſwack voor ſoo grooten Vyandt. Hy veynſde zijn gramſchap, ende eenighe daghen daer na noodighde hy den Grooten Moor met noch eenige andere Capiteynen ’s middaghs ten eten, haer gevende de grootſte cier alſmen konde bedencken om te beter het quaet van ſijn Herte te bedecken.Het middaghmael gedaen ſijnde, retireerde ſich yeder een, den Grooten Moor thuys gekomen ſijnde, voelde ſijn Maegh uyt der maten ghealtereert: Hy riep een van zijn Slaven die een Chirurgijn was, ende ſeyde hem; Ghy moet my terſtont wat remedie geven, want ick gevoele dat ick vergeven ben. Den Chirurgijn ſeer ervaren in ſijn Konſt, gaf hem terſtont een goede[195]quantiteyt Melck te drincken, ende ſiende dat de Melck in ’t Lijf bleef, dede hy zijn Hooft om laegh houden, ende ten laetſten quam de Melck uyt met het vergift, ende ſoo wierde den Grooten Moor geneſen, ende de Broeder van de Baſſa beſpot om dat hy het Vergift op de maniere van Africa niet hadde konnen toebereyden: De welcke ſoodanigh is dat het zijn effect niet en doe als eenigen tijdt daer na. Dit langhſaem Vergift is de oorſaecke waerom veele Spaignaerts ende Italianen het Chriſtelijcke Geloof verſaecken. De reden is, dat veele Turcken haer begeven tot de vervloeckelijcke Sonde, ende de Vrouwen debaucheren haer met de Slaven. Eyndelijck ſeggen ſy haer: Indien gy u Geloof wilt verſaecken, ſal ick u Trouwen, ende in plaetſe van een arme Slaef u maecken een Rijck Meeſter van dit Huys: Deſe beloften ſijn ſchoon, ende alſoo het meeſtendeel van de Slaven van gheboorte Zee-Luyden zijn, die in haer Landt arm ſijn, ende die haer leven met arbeyden moeten winnen, laten ſy haer-luyden op deſe ſchoone apparentie van vryheydt, ende van Rijckdommen, ende op de ſollicitatien van een ſchoone Vrouwe, ende voor het tijdelijcke goet laten ſy het eeuwige. De Vrouwen geven[196]dan aen haer Mans een langhſaem Vergift, ende Trouwen met de Gerenegeerde Slaef. De Juſtitie en doet geen ſcherpe onderſoeckinge van deſe ſlagh van miſdaden: Daer zijnder veel die haer roemen datſe in deſe Konſt excelleren.Het gedenckt my dat ick twee Gerenegeerde Franſen te ſamen hoorde diſcoureren, d’ een ſeggende tot de andere. Gaet ghy noch uwe Hoere ſoecken: d’ Andere ſeyde, ja: Maer het ſal niet langh duyren, ick bender moede van, ick hebbe de remedie in mijn Koffer om my daer van te ontlaſten. Ick hebbe mede gheſien wanneer ick Slaef van Pegelin was, dat onſe Meeſter een groote Feeſt maeckte in zijn Plaiſier-Huys buyten de Stadt, ende tot een grooter pracht dedemen de Koſt draghen door 250. Slaven (onder de welcke ick die ghene was die een Schotel met Noten droegh:) Deſe Slaven marcheerden in ordre twintigh te gelijck: Daer waſſer een die een Mande droegh bedeckt met een Zijden doeck, ende in die Mande was Broot ofte eenige Paſteyen. De genoodighde waren de vermaertſte Capiteynen, ende de Rijckſte Reeders van Schepen. De Baſſa was daer oock met eenige van zijne voornaemſte Favoryten: Maer 20. van zijne[197]Slaven brochten zijn eyghen Koſt ende dranck, want hy vertrouwde Pegelin niet: Nochtans wierde dat niet qualijck ghenomen. Het ſoude ſomwijlen beter zijn by een Alarbe in Africa te eten, als ghenoodigt te zijn op het Feeſt van ſo Groote Heeren.

[Inhoud]X. VERHAEL.Van twee nieuwe ghetrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot Argiers tot Slaven gebracht wierden.[158]In de Stadt van Nantes in Bretaignen was in het Jaer 1641. een Capiteyn van een Schip, die maer na de Windt wachte om na Canada te varen, ende terwijl hy na de Wint wachte, was hy verlieft op een Dochter van een Rijck Coopman, dewelcke vernam dat ſijn Dochter op hem verlieft was, ende wilde in geenderley maniere conſenteren tot dit Huwelijck, conſidererende dat deſe Capiteyn moſte vertrecken, ende dat de eerſte goede Windt hem ſoude wech voeren met zijn Schip, ende de Liefde van de Dochter met de Windt. Maer de Capiteyn ſiende aen d’ andere zijde, dat hy meer konde winnen met het trouwen van deſe Dochter, als alle ſijn leven te varen, wiſte ſijn ſaecke ſoo fraeykens te verrichten, ende de goede gratie van ſijn Maiſtreſſe te winnen, datſe ſecreetlijck ſonder weten van de Ouders trouden, ende voor al eer ſy de tijdinge daer van hadden, hy met de nieuwe Bruydt geimbarqueert was, zeylende na Canada toe, hopende dat voor ſijne wederkomſte ſijne ſaecke ſoude geaccommodeert ſijn door interceſſie van ſijne Vrienden: Maer de Fortuyne diſponeerde daer van anders. Hy hadde naeuwelijcks 24 uyren in Zee geweeſt, wanneer een Zee-roover van Argiers hem aen Boort quam. Deſen[159]amoreuſen Man meer gewoon ſijnde tot de careſſe van ſijn Maiſtreſſe, als tot de oeffeninge van Mars, gaf ſijn Schip over ſonder eenige reſiſtentie.Weynigh daghen daer na ſaghmen deſe Franſe Iuffrouw met haer Man ende andere Slaven op de Marckt van Argiers, alwaer de Chriſtenen verkocht worden. De Turcken, Mooren, Griecken, ende Spaignaerts, die niet ghewoon waren de kleedinghe van Franſe Iuffrouwen te ſien, het Hayr gepoudreert, ende het Hooft in goede ordre, ſagen haer met groote verwonderinghe aen: Sy ſeyde aen eenige Chriſtenen die haer onderhielden ende vertrooſten, ick vreeſe alleen datmen mijn Religie ſal doen verſaecken: Het ſcheen dat de vreeſe van deſe Vrouwe Gode aengenaem was: Want de Conſul van Vranckrijck wiſte de ſaecke met de Baſſa ſo wel te doen, datmen de verkoopinge ophiel, onder pretext van eenighe conſideratie met de Franſen.Maer de oorſaecke procedeerde uyt de giericheydt vande Baſſa (gelijck ghy ſult verſtaen) de welcke ſpottende met de vrede: maer alſoo den Franſen Capiteyn ſich niet gedefendeert hadde, allegeerde de Conſul dat het Schip van gheen goede prijs was.[160]Het was na mijn oordeel een vondt vande Baſſa, die met de Conſul overeen quam, om dit Schip vry te verklaren, ende alſoo de Reeders ende de Soldaten te bedriegen: Ende dat de Capiteyn om ſijn ende ſijns Vrouwen liberteyt te hebben, het Schip met de gantſche laſt tot proffijt vande Baſſa ſoude laten. Terwijl men daer mede doende was, brochtmen de Iuffrouw in het Huys van een voornaemſte Turckſe Vrouwe, alwaer ſy heel wel was, alleen datſe met haer man alleen niet mochte ſpreecken. Ick en wete het eynde van deſe ſaecke niet, alſoo ick korts daer na van Argiers vertrock.[Inhoud]XI. VERHAEL.Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſſe Slaef.Ick hebbe binnen Argiers gekent een Capiteyn ſijnde een vermaerde Zee-Roover, genaemt den grooten Moor, van Natie een Moſabi, ſijnde een Natie van arme Arabes, ſeer veracht, ende gants niet geeſtimeert: Om datſe haer tot de Wapenen niet begeven, ende de Keucke liever hebben als den Oorlogh. Sy gaen ordinaris met Darmen om,[161]onaenghenaem van weſen, want ſy ſijn noch ſwart noch wit, ende noch minder mulatten: Maer het ſchijnt dat haer aenſicht van Olye is.Den Grooten Moor, ſijnde een Ionge van ontrent twaelf Jaren quam tot Argiers: ende alſoo de Coopmanſchap van darmen hem miſhaechde, ging hy met de Zee-roovers Scheep voor Ionge vande Capiteyn: ende door de gedurige navigatien ende verſcheyde gevechten, wierde hy een ervaren Zee-man ende een goet Soldaet, verkrijgende ſoo veel reputatie, dat de Reeders hem Capiteyn van een kleyn Schip maeckten: ende daer na van een groot Schip met 30. ſtucken Geſchut. Eyndelijck wierde hy Capiteyn van een Galeye gemaeckt.Deſen grooten Moor was de vreeſe van alle de Chriſtenen Schepen, die inde Middelandtſe Zee voeren, ende van alle de Turcken geeſtimeert voor een Godt Mars. Ick ghelove dat indien den Grooten Heer hem abſoluyt commandement op de Zee gegeven hadde, ghelijck Sultan Soliman het gaf aen den Eerts-Zee-roover Barberoſſe inde voorgaende eeuwe, de Victorien van den grooten Moor grooter ſouden zijn geweeſt als die van alle de Ottomanſe Generaels,[162]want hy was een Leeuw in het vechten, ende een Lam in ſijne Victorien, tracterende ſijne overwonnen Vyanden met ſoeticheydt ende groote courtoiſie.Deſen grooten Moor hadde onder andere een Portugijſe Slaef die hem aen Landt diende voor Camerlingh, ende op Zee als Schrijver. Deſen Portugijs hadde ſijn Patroon eenige jaren langh getrouwelijck gedient ſoo ter Zee als te Lande. Op ſeeckeren dagh kruyſte den grooten Turck met ſijn Schip de Kuſt van Portugael: Hy riep zijn Slaef, ende ſeyde hem: Gy hebt ſoo veel jaren my getrouwelijck ghedient, ick geve u vryheydt, ende gaf terſtont ordre de Kuſt te approcheren, om deſen libertijn te lichter met de Chaloup aen Landt te ſetten, die zijn Meeſter bedanckte met een dobbelſinnigh ende ondanckbaer Herte. Terwijlmen dicht by het Landt quam, ging hy ſecretelijck inde Kejuyt, ende opende een Coffer van ſijn Patroon, daer hy de Sleutelen van hadde, ende nam eenige Hembden, ende om zijn voornemen te volbrengen ſonder ontdeckt te worden, dede hy die onder zijne Kleederen. Men ſette de Chaloup in Zee, ende de Portugijs overleverende de Sleutelen vande Coffer, nam zijn laetſte adieu van zijn Patroon. Men ſette[163]hem aen Landt, de Chaloup quam wederom, ende het Schip continueerde met kruyſen. Eenige dagen daer na wilde de groote Turck ſchoon Lywaet aendoen: Maer hy was bedroghen, want zijn lywaet was van dien ondanckbaren geſtolen. Hy wierde ſoo ſeer vertoornt, dat hy ſeyde, ick ſwere by het leven van den Grooten Heere, dat indien ick dien ondanckbaren Chriſten wederom in mijn Handen krijge, hy de Slavernye om op de Galeyen te roeyen niet ſal eſchapperen.Op de ſelfde tijdt geſchiede een andere ſeer remarquable ſake, te weten, dat de Generael Alli Pegelin, verloren hebbende een Diamant van groote prijs, de ſelfde van alle ſijne Slaven aen alle kanten dede ſoecken: onder andere vonde de ſelfde een van ſijne Slaven ſijnde een Spaengiaert. Hy preſenteerde de Diamant aen Pegelin, die de ſelfde ontfing, blijde zijnde dat hy die hadde, ghevende aende Slaef tot recompenſie een half ſtuck van achten, ende hem ſeggende, Neemt dat gy beeſt ſonder verſtandt, ende koopt een Touw om u te hanghen: Ghy hadt u vryheydt gewonnen, ende gy hebtſe niet konnen nemen. Alli Pegelin was immers ſoo ondanckbaer tegens ſijn Spaenſe Slaef, als de Portugijſe Slaef was tegens den grooten Moor.[164][Inhoud]XII. VERHAEL.De maniere vande dooden tot Argiers te begraven.In een van mijn voorgaende Verhalingen, hebbe ick mentie gemaeckt van den Oorlogh van een Barbariſen Koningh Benali tegen de Baſſa van Argiers. In deſen Oorlogh wierden vele Turcken ende Renegados doodt geſlagen. Onder andere een Bulcebas, dat is Capiteyn van infanterie. Deſen Bulcebas was een Renegado, ende hadde Slaef van mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga gheweeſt: Ende hy woonde inde ſelfde ſtraet van de voorſz Mahomet Celibi.Soo haeſt als de tydinghe gekomen was vande doodt van deſen Bulcebas, ging mijn Patroneſſe vergeſelſchapt met twee ſwartinnen hare Slavinnen, ende met alle de Vrouwen vande buyrt, in het huys vande Weduwe, ende ſoo haeſt als ſy daer binnen waren gekomen, begonnenſe te ſchreyen, weenen, roepen, ende haer deſperatelijck aen te ſtellen; ende een van deſe Vrouwen klopte geſtadig met een ſtuck Yſers op een Tafel, het welcke ſoo grooten geluyt ende ſoo ſchrickelijcken[165]geraes maeckte, als ofte de ſtraet vol dolle Menſchen ware. Ick vviſte vvel dat het de maniere van ſich te beklagen inden rouvv op zijn Africaens vvas. Wanneer mijn Patroneſſe vvederom thuys quam, thoonde ick als ofte ick de reden van alle dat gekrijt niet en vviſte, vragende de oorſaecke vvaerom ſy geſchreyt hadde, ende vvaerom ſy haer aenſicht gekrabbelt ende bebloet hadde. Sy antvvoorde my, dat het de maniere van het Landt vvas, ende datmen op deſe vvijſe de doodt van de Ouders ende goede Vrienden bevveende. Ick repliceerde: Dat is goet voor u, die den overleden kent: Maer vvederom is uvve Slavinne bekrabbelt ende bebloet gelijck als gy, devvijl ſy den overleden niet en kent, vvant ſy is onlangs eerſt by u gekomen, ende is vvildt? Mijn Patroneſſe antvvoorde my. Zy heeft ghedaen gelijck ſy ghezien heeft datmen dede, ſonder andere reden.Op dit vvoort vanwildt, ſult gy vveten dat het Koninckrijck van Argiers vele kleyne tributariſe Koningen heeft ende ſommige van haer betalen door ghebreck van Gelt haer jaerlijckſe tribuyt met menſchen. Deſe menſchen zijn ofte gevangen Arabiers, genaemt dvvalende Arabiers: Ofte by gebreck van gevangens, betalenſe met haer[166]eygen onderſaten: Men noemt ſoodanigh Volck tot Argiers, Wilde, om datſe de ghemeene ſpraecke van het Landt, te vveten, Arabiſch ofte Moors, niet en kennen.[Inhoud]XIII. VERHAEL.Van de onbedachte yver, ende vanden voorſichtighen yver.Wanneer ick inde Mamore van Tituan was, quam een Moorſe Vrybuyter inde Mamore met een beelt van onſe Lieve Vrouwe in Houdt gheſneden, het welcke hy op een Chriſten Schip ghenomen hadde, preſenterende het ſelfde te verkopen. Alle de Spaenſe Slaven vergaderde haer daer rontſom, preſenterende een Goude Kroon, op dat aen het beelt geen verachtinge ofte ongelijck ſoude gheſchieden. De Moor ſiende den goeden yver van de Chriſtenen, ſeyde haer datter vier mael ſoo veel moſte ſijn, ende indien gy het niet geven wilt, ſal ick het verbranden.De goede Spaignaerts waren in groote bekommerniſſe over de dreygementen van[167]den Barbaer, ende delibereerden oftſe den Moor ſouden gheven ’t gene hy eyſchte: Ende om deſe ſomme te vinden, wilde het meeſtendeel vande Spaignaerts contribueren alles wat ſy hadden: Want die inde Mamore een ſtuck van achten kan verteeren, en heeft van armoede niet te klagen.Ick ſagh aen ’t gene aldaer paſſeerde ſonder een woordt te ſpreecken; Op het laetſte moeyde ick my daer mede, ende ſeyde tot de Spaignaerts. Dit beelt is ſoo veel niet waert: Zy antwoorden my terſtont: Wy koopen het beelt niet om ſijn waerde, Maer op dat het geen ongelijck ſoude lijden. Ick ſeyde haer. Uwen yver is ſeer goet, maer conſidereert ghy niet dat deſen Moor met de vier Goude Kroonen uyt de Mamore ſal gaen voor een beelt dat geen vier Realen weerdigh is: Hy ſal door de gantſche Stadt gaen publiceren dat de Chriſtenen Afgoden-Dienaers ſijn: Ter naeuwer noot wilden de yverighe Spaignaerts mijn reden verſtaen, ende ick liep groot perijckel van voor een Lutheriaen ghehouden te worden. Maer ick kreegh een groot ſecours van een Pater Dominicaen, die mede Slaef inde Mamore was, ſijnde een Man van een goet leven ende ſeer geleert. Ick vertelde hem[168]’t ghene paſſeerde tuſſchen de Spaignaerts ende de Moor. Deſen goeden Pater gaet terſtont met een yver ghefondeert op voorſichtigheydt, na de Moor toe, ende ſeyde hem. Wilt gy een ſtuck van achten voor het beelt hebben, men ſal het u geven, ſoo niet, gaet ende doet met het beelt wat ghy wilt, ende vertreckt van hier, ofte anderſints ſullen de Chriſten Slaven u duyſendt ſlagen met Vuyſten geven. De Moor ſiende den Religieus ſoo reſoluyt, en ſprack geen rodomontaden meer, noch dat hy het beelt ſoude verbranden, maer was wel blijde het ſtuck van achten te hebben, gevende het beelt: Indien de Spaignaerts vier goude Kroonen gegeven hadden, ſouden ſy haer Geldt verloren gehadt hebben, de Moor ſoude haer beſpot hebben, ende de Catholijcke Religie veracht: maer den goeden yver van deſen Religieux vergeſelſchapt met voorſichtigheyt, conſerveerde het gelt van de arme Slaven, gaf vreeſe aen den Barbariſchen Moor, ende dede de Mahometanen ſien, dat de eere die de Catholijcken aen de beelden geven, niet beſtaet in de materie, gelijck de onwetende geloven.[169][Inhoud]XIV. VERHAEL.Twee Exempelen van mildadigheyt ende erkenteniſſeSaban Gallan Aga, menighmael gementioneert in het diſcours van mijn Reyſe, als mede in mijne Verhalinghen, was van Geboorte een Spaignaert vande Frontieren van Portugael, ende Zoon van een Boots-Geſel. Hy was van zijn jonckheydt af gevallen in Slavernye vande Turcken, die hem geperſuadeert ende gheinduceert hadden het Chriſtelijcke Geloof te verſaecken, het welcke aen een jongh Kindt licht te doen is.Deſen Saban ontfingh door zijne noble maniere van yder een te tracteren, de naem van Galan. Hy was ſeer Rijck: Zijn oeffeninge was den Oorlogh ſoo ter Zee als te Lande. Hy was een Aga geweeſt, dat is, Maiſtre de Camp. Deſen Saban gingh op ſeeckere dagh by geval over de Marckt, alwaer men de Chriſtenen verkoopt, hy begon met de Slaven te diſcoureren, ende vonde by gheval een van ſijne Landts-Luyden, die hy om een kleyn Gelt koſte, want[170]hy was een Viſſcher, ſonder apparentie van groot Rantſoen voor te krijghen. Hy brocht de Slaef t’ ſijnen Huyſe, ende ſeyde hem: Ick hebbe hondert ende vijftigh ſtucken van achten voor u betaelt, indien gy my wilt belooven ghelijcke ſomme in u Landt te betalen aen een die mijn Bloed-Vrindt is ende arm, ſal ick u aen Landt ſetten in u Vaderlandt met de eerſte Vrybuyter die vertrecken ſal. De Viſſcher de Slaef was ſeer blijde over deſe propoſitie, ende accepteerde ſonder uytſtel ’t ghene ſijn Patroon voor-geſtelt hadde. Saban dede volgens ſijn belofte hem inbarqueren op het eerſte Vrybuyters Schip, het welcke na de Ocean toe voer, ende gaf ordre datmen deſen Chriſten op de Kuſt van Portugael aen Landt ſoude ſetten. De ordre van Saban wierde volbracht. De Portugijſen van ſijn Dorp waren verwondert een Man ſoo haeſt van de Slavernye wederom te ſien. Hy begon ſijn Fortuyn te vertellen, ende de reſcontre die hy gehadt hadde, ende voorts alles wat met Saban Gallan gepaſſeert was.Hy verkocht alles wat hy hadde, ende betaelde volghens zijn belofte aen wien hy de 150. ſtucken van achten betalen moſte, de welcke het Gelt ontfangen hebbende,[171]ſchreef een brief van danck aen zijn bloedt-verwant Saban Gallan. Ondertuſſchen keerde deſen goeden Man ſich wederom na de Viſſcherye om zijn Koſt te winnen, ende het ongeluck wilde dat hy noch eens vande Zee-Roovers genomen wierde, ende tot Argiers gebracht, alwaer hy gekomen zijnde, liet hy aen Saban Gallan zijn ongheluck weten, die hem wederom kocht, hem eenighe daghen langh in zijn Huys tracterende, ende verſagh hem met Wolle ende Linnen na zijn behoef, ende ſeyde. Om dat gy een eerlijck Man zijt, ende dat gy u belofte voldaen hebt, keert noch een mael na u Huys, ende ’t gene gy gekoſt hebt, betaelt dat aen de ſelfde Perſoon op ſoodanighen tijdt. De Viſſcher ſeyde, Ick kan het niet doen, want ick hebbe alles wat ick hadde verkocht, om mijn eerſte rantſoen te betalen: Daerom ſal ick liever Slaef blijven, als mijn woordt niet te houden. Saban hoorende deſe eerlijcke reden, ſeyde hem, betaelt na u gelegentheydt (de tijdt was van ſes Maenden) binnen twee Iaren. De Viſſcher nam deſe conditie aen ende men ſette hem aen Landt als d’ eerſte mael in zijn Vaderlandt.Hy gingh terſtont by de Bloet-Vrindt[172]van Saban, ende ſeyde hem zijne recommandatien, hem belovende de geaccordeerde ſomme te betalen binnen twee Iaren,ende keerde wederom na zijn neringe. Maer alſoo zijn Barck met zijn toebehooren, ofte verkocht was, om zijn eerſte rantſoen te betalen, ofte verloren, wanneer hy de tweede mael genomen wierde, was hy genootſaeckt voor Knecht van andere Viſſchers te varen, ſoo dat hy ſoo veel profijt niet konde doen, als wanneer hy voor ſijn ſelven was: Maer niet teghenſtaende zijn kleyn profijt hebbende een kleyn ſomme gheſpaert, gaf hy de ſelve terſtont tot afkortinge van zijn rantſoen.De twee Iaren waren gepaſſeert, ende hy hadde noch boven een derdedeel niet betaelt van ’t ghene hy ſchuldigh was: Om ſijn belofte te voldoen, dachte hy op een middel, de welcke was een quintael Toback te koopen, ende imbarqueerde ſich in een Portugijſe Schip dat na Argiers vertrock, (alwaer de Toback doenmael ſeer dier was) met paſpoort vande Baſſa, om eenighe Slaven af te loſſen. Hy quam in weynig dagen tot Argiers, ende ging recht na het Huys van Saban Gallan, de welcke ſeer verbaeſt was hem te zien: De Viſſcher ſeyde hem: Patroon, ick hebbe[173]maer een derdendeel van ’t gene ick u ſchuldig ben, betaelt, als blijckt by deſe Quitantie, ende alſoo ick geen middel hebbe om de reſt te betalen, ben ick gekomen met een Quintael Toback, ende indien ick die kan verkoopen met het profijt alſmen my verſeeckert heeft dat ick ſoude doen, ſal ick u betalen, ſoo niet, ſal ick liever wederom u Slaef willen zijn, als dat uwe Signorie, vande welcke ick ſoo veel weldaden ontfanghen hebbe, my ſoude beſchuldigen van eenighe ondanckbaerheydt. Saban hoorde deſe redenen met groote verwonderinge vande ghetrouwigheydt ende erkenteniſſe van deſen Viſſcher: Antwoorde hem, gy zijt een eerlijck, getrouw ende danckbaer Man, Maer ſeer onnoſel: Gaet u Toback verkoopen, ende keert wederom na u Landt, ende behoudt het Gelt te ſamen met uwe vryheydt, ende gaf hem in ſijn Huys Eten, ende Drincken, tot dat hy met het ſelfde Schip wederom keerde: latende binnen Argiers een eeuwige naem van getrouwigheydt ende danckbaerheydt, ende brenghende in Portugael een eeuwige lof vande liberaliteyt van Saban Gallan.[174][Inhoud]XV. VERHAEL.Van de maniere van Trouwen tot Argiers.Myn Cameraet Ian Baptiſta Caloen woonde by een oude Vrouwe,de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, die een vande vijf Turcken was die tegens ons ſouden verwiſſelt worden. Deſen Moſtafa hadde een Broeder ghenaemt Amet Iugles, out 22. Iaren, maer ſeer ghedebaucheert, een Hoer-Jager, ende grooten Dronckaert, ſoo dat het leven dat deſen armen Turck voerde niet veel langher konde duyren ſonder hem ſelven te ruineren.De Groot-Moeder ende de Moeder van Amet wiſten hem ſoo wel te perſuaderen, dat hy haer beloofde de Wijn ende Hoeren, te verlaten, ende dat hy voortaen ſoude leven als een eerlijcke Mahometaen: Ende om te toonen dat hy op die maniere wilde leven, ſeyde hy haer, ick ben te vreden een Wijf te nemen. Dit begeeren na hy toonde, behaeghde de Groot-Moeder ende de Moeder ſeer wel, die aen Amet preſenteerden verſcheyde Dochters van qualiteyt,[175]ende onder andere eene die hem ſeer behaegde, om haer groote Rijckdom. Om dit Huwelijck te effectueren dede de Groot-Moeder van Amet de Ouders van de Dochter ſpreecken, ende Amet imployeerde tot Spion ende Afgeſante een oude Vrouwe, die inde principaelſte Huyſen zijde ſtoffen te verkoopen bracht.Deſe oude Vrouwe wiſte zijne ſaecken alſoo te wege te brenghen, dat de Dochter binnen weynigh daghen haer woort ingageerde: Sy wiſte oock de ſchoonheydt vande Dochter, ende hare deughden, manieren ende Rijckdom ſoo te beſchrijven, dat Amet van Liefde betoovert wierde door het diſcoureren van deſe oude Vrouwe: De Ouders van beyde zijden approbeerden het Huwelijck. Men ordonneerde een dagh voor de Bruyloft: De toekomende Bruydegom ſondt aen ſijn Maiſtreſſe een preſent van zijde Linten ende andere dierghelijcke dingen: Ende om het preſent met behoorlijcke ſolemniteyten te doen, riep Amet 20. Slaven van ſijne Ouders ende Vrienden, onder de welcke ick oock was.Wy marcheerden d’ een na den anderen, yder met ſijn Schotel bedeckt, waer inde preſenten waren. Amet leyde de Slaven tot aende Deure van het Huys van zijn[176]Maiſtreſſe, alwaer ſy ghekomen ſijnde, bleef hy op de ſtraet, ende de Slaven gingen in het Huys, het welcke ghebout was op ſijn Italiaens met een vierkante plaets tuſſchen vier Galeryen. De toekomende Bruyt was geſeten op een Kuſſen van Root Fluweel, rijckelijck met Silver bewrocht, in ’t in komen van een kleyne Zael: Yder Slaef ſtelde zijn Schotel op de plaets die bereyt was om die te ontfangen, maeckende een groote reverentie aende toekomende Bruyt.De andere Slaven hadden Monſieur Caloen ende my geleert deſe woorden,eylaa,eylaa,eylaa, die wy over luyts moſten uyt roepen, na dat vvy alle de Schotels op de Aerde geſet hadden, het vvelcke ghedaen vvierde. Ende de Slaven van het Huys ſo Mans als Vrouvven antwoorden met de ſelfde Muſijck. Dat gedaen ſijnde dede vvy een groote reverentie, ende ginghen uyt het Huys.Amet vervvachte ons aende Deure, ende vvanneer ick voor by hem paſſeerde, ſeyde hy my in Spaens, Duynkercker is ſy ſchoon? Ick antwoorde, ſeer ſchoon, nemende de ſchoonheydt na de opinie van de Africanen, want ſy houden de Vrouwen ſchoon die vet zijn: Deſe tijdinghe behaegde[177]Amet ſeer wel, want hy hadde het aenſicht van zijn Maiſtreſſe noyt geſien, de maniere van het Landt is dat wanneer de Vrouwen langs de ſtraten gaen, hebben het aenſicht bedeckt met twee Doecken, de een die het voor-Hooft tot de Ooghen toe bedeckt, de ander die de gantſche Neus bedeckt. Wanneerſe thuys ſijn, ſijnſe ſoo ſcrupuleus voor de Chriſten Slaven niet: Want ſy ſegghen, dat de Chriſtenen blindt zijn: Maer indien een Mahometaen haer aenſicht bloot ſoude ſien, dat ſoude een groote ſonde ſijn, ende dat een jongh-Man een eerlijcke Dochter in het Huys van haer Ouders ſoude ſpreken, is geenſints toegelaten.Deſe maniere van leven dunckt my ſeer vreemt: Maer ſy is ſeer nootſakelijck in dat Landt wegen dequadeinclinatien van de Vrouwen: Want hoewel haer Mans met alle vlijt trachten haer Vrouwen ende Dochters in Huys te houden, vindenſe nochtans duyſent practijcken om in het badt te gaen, ofte om viſiten te doen, ofte onder pretext van devotie (welcke inventie oock in Europa genoeg bekent is) te viſiteren ſoodanigen Marabout ofte Santon; Ende onder dit pretext abandonneren ſy haer ſelven, wanneerſe occaſie vinden, aen allen den genen[178]dieſe reſcontreren, al waren het maer Guyten, Bedelaers, ende Sodomiten.[Inhoud]XVI. VERHAEL.De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande vernuftigheydt.Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien uren genoodight, met conditie dat hy met hem[179]voor den eten een keer inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren, ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen, ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te drincken.Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemtTerrevechia, ende Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende[180]oftſe geen Yſer te verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande Slaven vande Galeyen.Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, endeleydeterſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael Alli Pegelin, de welcke[181]inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam. Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van achten bleven by Fontimama.Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten[182]van Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe, Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven, wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven: Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde. Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op[183]de geſtelde tijdt; Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden: Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt: Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden: Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in is. Men noemt ſoodanige Luyden in SpaensVidas. Deſen Rodrigo ſocht zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort ghemaeckt wierde.[184]Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam. Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde[185]de Secreten vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh hiel hy zijn leven op.Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde, wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden, ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van achten van.Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe[186]haer oock met Vrouwen ende de Wijn.Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden, maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven, uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het rantſoen.Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by haer loon. Maer gy[187]moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts, de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de Slaven ſijn Zee-Luyden.Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont[188]’t gene onder de Slaven paſſeerde, ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de Menſchen te leeren leven.[Inhoud]XVII. VERHAEL.Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van Alli Pegelin.In het Iaer 1641. was in Argiers Slaef een Pater Carmelijt, in wien men klaerlijck ſagh dat de goede opvoedinghe ende wijſheydt zijne leere gouverneerden. Deſen Eerwaerdigen Pater was genaemt Pater Angeli, van Genua Gebooren, ende hadde door ordre van zijn Overſte eenige Iaren in Perſia gereſideert, gelijck hy menigmael vertelt heeft. In ’t wederkeeren na Italien door Turckien met paſpoort van den Grooten Heere, wierde hy vande Zee-Roovers genomen, met zijn compagnon, die een Portugijs was. Men brocht deſe twee Religieuſe Perſonen voor de Baſſa; Sy thoonden haer paſpoort, maer te vergeefs:[189]Want de Baſſa ſeyde haer, ſchrijft na Conſtantinopelen, ende klaecht over my, indien het u goet dunckt: Men moet de onrechtveerdigheydt met patientie verdraghen. Men verkochtſe, Pegelin kochtſe, ende ſondtſe inde Bain by de andere Slaven.Deſen Religieus ſeyde dagelijcks Miſſe inde Kerck van de Bain, doende de Kerckelijcke bedieninghen: Ende in weynigh tijdts, ick en wete niet door wat ſecrete inclinatie behaeghde hy yder een, niet alleen de Catholijcken, maer oock de Lutherianen, Calviniſten, Puriteynen, Schiſmatijcken, ende Nicolaiten: Want de Bain vvas van alle deſe ſoorten verſien.Wanneer deſen goeden Pater paſſeerde ter plaetſe daer de Slaven aten, badenſe hem alle by haer te eten, ſelfs oock de Moſcoviters ende Ruſſen, de welcke door een naturelijcke tegenſtrijdinge ſchijnen uyt hare Herte allerley courtoiſie ende civiliteyt gebannen te hebben. Indiender inde Bain eenigh verſchil tuſſchen de Slaven was, van wat Natie die waren, dede hy haer accorderen: Sijnde ſoo ſeltſame dinghen, dat de Seghen Godts ſcheen haer woonplaetſe ende reſidentie in het Herte vanden Religieus genomen te hebben. Indiender eenige[190]Slaef ſieck was, hadde Pater Angeli ſorge dat de ſiecke eenige leckere Koſt mochte te eten hebben. Indien eenighe Slaef hem quam bekennen dat hy in noodt was, gaf Pater Angeli hem een Aelmoes, ende hem ghebrack nimmermeer Gelt door de gunſte van eenighe Godtvruchtighe Slaven die hem met Aelmoeſſen voorſaghen om die te diſtribueren: Soo dat de deughden van deſen Religieus hem deden eſtimeren voor een Heylig Man onder de Turcken ſelfs.Pegelin hebbende verſtaen de gheruchte van deſen goeden Man, dede hem op een ſeeckeren dag by hem komen: Als ſijnde zijn Slaef, was hy hem gehoorſaem, vragende met een goede gratie, ofter yets was daer in hy hem ſoude konnen dienen: Pegelin antwoorde hem, Papas (ſoo noemen de Turcken de Prieſters) ick verſta dat gy een deugtſaem ende geleert Man ſijt, ende dat ghy goede ſatisfactie kondt geven van ’t ghene datmen u vraeght, ghy moet my ſatisfactie gheven van een dingh dat ick begerig ben u te vragen. Den goeden Angeli antwoorde, ick ben Slaef van uwe Signorie, mijn ſchuldige plicht is u gehoorſaem te zijn. Doen vraeghde hem Pegelin, wat ſal van my bekomen? Seght doch wat u daer van dunckt. Hy antwoorde:[191]Uwe Signorie is Capiteyn Generael van de Galeyen, ende ick ben een arme Religieus: Uwe Signorie is mijn Patroon, ende ick zijn Slaef: My dunckt dat ſulcks ſoude zijn te buyten gaen het reſpect die ick uwe Signorie ſchuldigh ben. Dit compliment behaegde Pegelin ſeer wel, want de Turcken begeeren dat men haer reſpectere: Pegelin ſeyde: Ick ſal het niet qualijck af nemen, hem bevelende dat hy ſoude ſegghen ’t gene hy van hem docht. Den goeden Pater Angeli ſiende dat hy aengedrongen wierde, ſeyde vry uyt: My vertrouwende op uwe Signorie, ſal ick u ſeggen ’t gene ick dencke. Ick geloove vaſtelijck, dat de Duyvel u ſal wegh halen. Pegelin antwoorde, waerom? Den goeden Religieus antwoorde; Ten eerſten hebt gy geen Religie, ende gy denckt nergens anders op, als de Chriſtenen te berooven ende te beſtelen; Gy doet geen wercken van Godtſaligheydt, ende veel minder van barmhertigheydt: Gy leeft als ofter geen Rechtveerdige Godt en ware, ja gy ſpot ſelfs met den Alcoran, ende met het ghene ’t welck de ſelfde de Mahometanen beveelt: Gy komt nimmermeer inde Meſquite: Gy leeſt nimmermeer uwe Aſſala: Want hy en las niet alleen de Aſſala, maer dat meer is, wanneer[192]hy in het Huys vande Baſſa inde Zael van audientie was, vvierde my geſeyt, dat vvanneer de Moor uyt riep (het vvelcke een teecken is om te bidden, gelijck in het Chriſtenrijck de Klocke) deckte hy zijn Aenſicht met ſijn Neuſdoeck: Ende ick gheloove dat hy dat dede om ſich te vvachten van lacchen over hare ceremonien. Ten laetſten verklaerde de Pater zijn leven van punt tot punt, toonende klaerlijck dat Pegelin voor zijn eenige Religie hadde een onverſadelijcke gierigheydt, ſonder oyt te dencken op de ſaligheyt van zijn Ziele.Dit diſcours gedaen ſijnde, ſeyde Pegelin tot hem al lacchende; Papas, vvanneer ſal dit zijn dat de Duyvel my ſalvvechhalen: Pater Angeli antvvoorde; Soo drae als gy ſult ſterven, ende dat u Ziele dit miſerabel Lichaem ſal verlaten. Pegelin repliceerde: Soo veel als mijn doodt aengaet, dat is noch een langh proces, ende ſoo langh als ick ſal leven, vvil ick mijn dienen vanden goeden tijdt die ick hebbe, ende na mijn doodt, laet de Duyvel met my doen dat hy vvil: Ende daer mede ſont hy den Religieus vvederom inde Bain.Ghy ſiet by ’t ghene ick gheſeydt hebbe datmen aen de Grooten ende de Godtlooſen vvel de vvaerheydt mach ſegghen ſonder[193]eenig perijckel, wanneer wijſheydt bequame tijdt ende ſtont daer toe ſal verkoren hebben.[Inhoud]XVIII. VERHAEL.Het ghebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa.Yemant met vergift om te brengen is een ſeer gemeene miſdaedt in Africa. Wanneer ick tot Argiers was, hadden de Zee-Roovers een Fregat ghenomen die tot Duynkercke gemaect was. Dit gebouſel behaeghde alle de Vrybuyterſe Capiteynen ſeer wel, ende yeder van haer wilde die hebben. Maer alſoo de Baſſa voor zijn recht van acht Chriſtenen eenen heeft, ende van yder Schip de helft, hadde de broeder vande Baſſa, die een Vrybuyterſe Capiteyn was, de Fregat. Waer over den vermaerden Capiteyn den grooten Moor (vanden welcken ick hier voren geſproken hebbe) nijdigh ende qualijck te vrede was: Seggende in volle compagnie, datmen hem ongelijck ghedaen hadde, dat men hem die Fregatte niet ghelaten hadde, mits daer[194]voor betalende als hy gheboden hadde. Dat de Broeder van de Baſſa nergens goe voor en was, als om de Buyt te deelen, en de hy om de ſelfde te nemen met een Rappier inde Handt.Dit diſcours wierde gerapporteert aen de Broeder van de Baſſa, die daer over ſeer vertoornt was, ende middel ſocht ſich daer over te wreecken. Om hem in Duel te roepen, vermochte hy niet, door dien het de maniere niet en is, de partye vanden grooten Moor ende hem was niet gelijck, want hy was te ſwack voor ſoo grooten Vyandt. Hy veynſde zijn gramſchap, ende eenighe daghen daer na noodighde hy den Grooten Moor met noch eenige andere Capiteynen ’s middaghs ten eten, haer gevende de grootſte cier alſmen konde bedencken om te beter het quaet van ſijn Herte te bedecken.Het middaghmael gedaen ſijnde, retireerde ſich yeder een, den Grooten Moor thuys gekomen ſijnde, voelde ſijn Maegh uyt der maten ghealtereert: Hy riep een van zijn Slaven die een Chirurgijn was, ende ſeyde hem; Ghy moet my terſtont wat remedie geven, want ick gevoele dat ick vergeven ben. Den Chirurgijn ſeer ervaren in ſijn Konſt, gaf hem terſtont een goede[195]quantiteyt Melck te drincken, ende ſiende dat de Melck in ’t Lijf bleef, dede hy zijn Hooft om laegh houden, ende ten laetſten quam de Melck uyt met het vergift, ende ſoo wierde den Grooten Moor geneſen, ende de Broeder van de Baſſa beſpot om dat hy het Vergift op de maniere van Africa niet hadde konnen toebereyden: De welcke ſoodanigh is dat het zijn effect niet en doe als eenigen tijdt daer na. Dit langhſaem Vergift is de oorſaecke waerom veele Spaignaerts ende Italianen het Chriſtelijcke Geloof verſaecken. De reden is, dat veele Turcken haer begeven tot de vervloeckelijcke Sonde, ende de Vrouwen debaucheren haer met de Slaven. Eyndelijck ſeggen ſy haer: Indien gy u Geloof wilt verſaecken, ſal ick u Trouwen, ende in plaetſe van een arme Slaef u maecken een Rijck Meeſter van dit Huys: Deſe beloften ſijn ſchoon, ende alſoo het meeſtendeel van de Slaven van gheboorte Zee-Luyden zijn, die in haer Landt arm ſijn, ende die haer leven met arbeyden moeten winnen, laten ſy haer-luyden op deſe ſchoone apparentie van vryheydt, ende van Rijckdommen, ende op de ſollicitatien van een ſchoone Vrouwe, ende voor het tijdelijcke goet laten ſy het eeuwige. De Vrouwen geven[196]dan aen haer Mans een langhſaem Vergift, ende Trouwen met de Gerenegeerde Slaef. De Juſtitie en doet geen ſcherpe onderſoeckinge van deſe ſlagh van miſdaden: Daer zijnder veel die haer roemen datſe in deſe Konſt excelleren.Het gedenckt my dat ick twee Gerenegeerde Franſen te ſamen hoorde diſcoureren, d’ een ſeggende tot de andere. Gaet ghy noch uwe Hoere ſoecken: d’ Andere ſeyde, ja: Maer het ſal niet langh duyren, ick bender moede van, ick hebbe de remedie in mijn Koffer om my daer van te ontlaſten. Ick hebbe mede gheſien wanneer ick Slaef van Pegelin was, dat onſe Meeſter een groote Feeſt maeckte in zijn Plaiſier-Huys buyten de Stadt, ende tot een grooter pracht dedemen de Koſt draghen door 250. Slaven (onder de welcke ick die ghene was die een Schotel met Noten droegh:) Deſe Slaven marcheerden in ordre twintigh te gelijck: Daer waſſer een die een Mande droegh bedeckt met een Zijden doeck, ende in die Mande was Broot ofte eenige Paſteyen. De genoodighde waren de vermaertſte Capiteynen, ende de Rijckſte Reeders van Schepen. De Baſſa was daer oock met eenige van zijne voornaemſte Favoryten: Maer 20. van zijne[197]Slaven brochten zijn eyghen Koſt ende dranck, want hy vertrouwde Pegelin niet: Nochtans wierde dat niet qualijck ghenomen. Het ſoude ſomwijlen beter zijn by een Alarbe in Africa te eten, als ghenoodigt te zijn op het Feeſt van ſo Groote Heeren.

[Inhoud]X. VERHAEL.Van twee nieuwe ghetrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot Argiers tot Slaven gebracht wierden.[158]In de Stadt van Nantes in Bretaignen was in het Jaer 1641. een Capiteyn van een Schip, die maer na de Windt wachte om na Canada te varen, ende terwijl hy na de Wint wachte, was hy verlieft op een Dochter van een Rijck Coopman, dewelcke vernam dat ſijn Dochter op hem verlieft was, ende wilde in geenderley maniere conſenteren tot dit Huwelijck, conſidererende dat deſe Capiteyn moſte vertrecken, ende dat de eerſte goede Windt hem ſoude wech voeren met zijn Schip, ende de Liefde van de Dochter met de Windt. Maer de Capiteyn ſiende aen d’ andere zijde, dat hy meer konde winnen met het trouwen van deſe Dochter, als alle ſijn leven te varen, wiſte ſijn ſaecke ſoo fraeykens te verrichten, ende de goede gratie van ſijn Maiſtreſſe te winnen, datſe ſecreetlijck ſonder weten van de Ouders trouden, ende voor al eer ſy de tijdinge daer van hadden, hy met de nieuwe Bruydt geimbarqueert was, zeylende na Canada toe, hopende dat voor ſijne wederkomſte ſijne ſaecke ſoude geaccommodeert ſijn door interceſſie van ſijne Vrienden: Maer de Fortuyne diſponeerde daer van anders. Hy hadde naeuwelijcks 24 uyren in Zee geweeſt, wanneer een Zee-roover van Argiers hem aen Boort quam. Deſen[159]amoreuſen Man meer gewoon ſijnde tot de careſſe van ſijn Maiſtreſſe, als tot de oeffeninge van Mars, gaf ſijn Schip over ſonder eenige reſiſtentie.Weynigh daghen daer na ſaghmen deſe Franſe Iuffrouw met haer Man ende andere Slaven op de Marckt van Argiers, alwaer de Chriſtenen verkocht worden. De Turcken, Mooren, Griecken, ende Spaignaerts, die niet ghewoon waren de kleedinghe van Franſe Iuffrouwen te ſien, het Hayr gepoudreert, ende het Hooft in goede ordre, ſagen haer met groote verwonderinghe aen: Sy ſeyde aen eenige Chriſtenen die haer onderhielden ende vertrooſten, ick vreeſe alleen datmen mijn Religie ſal doen verſaecken: Het ſcheen dat de vreeſe van deſe Vrouwe Gode aengenaem was: Want de Conſul van Vranckrijck wiſte de ſaecke met de Baſſa ſo wel te doen, datmen de verkoopinge ophiel, onder pretext van eenighe conſideratie met de Franſen.Maer de oorſaecke procedeerde uyt de giericheydt vande Baſſa (gelijck ghy ſult verſtaen) de welcke ſpottende met de vrede: maer alſoo den Franſen Capiteyn ſich niet gedefendeert hadde, allegeerde de Conſul dat het Schip van gheen goede prijs was.[160]Het was na mijn oordeel een vondt vande Baſſa, die met de Conſul overeen quam, om dit Schip vry te verklaren, ende alſoo de Reeders ende de Soldaten te bedriegen: Ende dat de Capiteyn om ſijn ende ſijns Vrouwen liberteyt te hebben, het Schip met de gantſche laſt tot proffijt vande Baſſa ſoude laten. Terwijl men daer mede doende was, brochtmen de Iuffrouw in het Huys van een voornaemſte Turckſe Vrouwe, alwaer ſy heel wel was, alleen datſe met haer man alleen niet mochte ſpreecken. Ick en wete het eynde van deſe ſaecke niet, alſoo ick korts daer na van Argiers vertrock.

X. VERHAEL.Van twee nieuwe ghetrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot Argiers tot Slaven gebracht wierden.[158]

[158]

In de Stadt van Nantes in Bretaignen was in het Jaer 1641. een Capiteyn van een Schip, die maer na de Windt wachte om na Canada te varen, ende terwijl hy na de Wint wachte, was hy verlieft op een Dochter van een Rijck Coopman, dewelcke vernam dat ſijn Dochter op hem verlieft was, ende wilde in geenderley maniere conſenteren tot dit Huwelijck, conſidererende dat deſe Capiteyn moſte vertrecken, ende dat de eerſte goede Windt hem ſoude wech voeren met zijn Schip, ende de Liefde van de Dochter met de Windt. Maer de Capiteyn ſiende aen d’ andere zijde, dat hy meer konde winnen met het trouwen van deſe Dochter, als alle ſijn leven te varen, wiſte ſijn ſaecke ſoo fraeykens te verrichten, ende de goede gratie van ſijn Maiſtreſſe te winnen, datſe ſecreetlijck ſonder weten van de Ouders trouden, ende voor al eer ſy de tijdinge daer van hadden, hy met de nieuwe Bruydt geimbarqueert was, zeylende na Canada toe, hopende dat voor ſijne wederkomſte ſijne ſaecke ſoude geaccommodeert ſijn door interceſſie van ſijne Vrienden: Maer de Fortuyne diſponeerde daer van anders. Hy hadde naeuwelijcks 24 uyren in Zee geweeſt, wanneer een Zee-roover van Argiers hem aen Boort quam. Deſen[159]amoreuſen Man meer gewoon ſijnde tot de careſſe van ſijn Maiſtreſſe, als tot de oeffeninge van Mars, gaf ſijn Schip over ſonder eenige reſiſtentie.Weynigh daghen daer na ſaghmen deſe Franſe Iuffrouw met haer Man ende andere Slaven op de Marckt van Argiers, alwaer de Chriſtenen verkocht worden. De Turcken, Mooren, Griecken, ende Spaignaerts, die niet ghewoon waren de kleedinghe van Franſe Iuffrouwen te ſien, het Hayr gepoudreert, ende het Hooft in goede ordre, ſagen haer met groote verwonderinghe aen: Sy ſeyde aen eenige Chriſtenen die haer onderhielden ende vertrooſten, ick vreeſe alleen datmen mijn Religie ſal doen verſaecken: Het ſcheen dat de vreeſe van deſe Vrouwe Gode aengenaem was: Want de Conſul van Vranckrijck wiſte de ſaecke met de Baſſa ſo wel te doen, datmen de verkoopinge ophiel, onder pretext van eenighe conſideratie met de Franſen.Maer de oorſaecke procedeerde uyt de giericheydt vande Baſſa (gelijck ghy ſult verſtaen) de welcke ſpottende met de vrede: maer alſoo den Franſen Capiteyn ſich niet gedefendeert hadde, allegeerde de Conſul dat het Schip van gheen goede prijs was.[160]Het was na mijn oordeel een vondt vande Baſſa, die met de Conſul overeen quam, om dit Schip vry te verklaren, ende alſoo de Reeders ende de Soldaten te bedriegen: Ende dat de Capiteyn om ſijn ende ſijns Vrouwen liberteyt te hebben, het Schip met de gantſche laſt tot proffijt vande Baſſa ſoude laten. Terwijl men daer mede doende was, brochtmen de Iuffrouw in het Huys van een voornaemſte Turckſe Vrouwe, alwaer ſy heel wel was, alleen datſe met haer man alleen niet mochte ſpreecken. Ick en wete het eynde van deſe ſaecke niet, alſoo ick korts daer na van Argiers vertrock.

In de Stadt van Nantes in Bretaignen was in het Jaer 1641. een Capiteyn van een Schip, die maer na de Windt wachte om na Canada te varen, ende terwijl hy na de Wint wachte, was hy verlieft op een Dochter van een Rijck Coopman, dewelcke vernam dat ſijn Dochter op hem verlieft was, ende wilde in geenderley maniere conſenteren tot dit Huwelijck, conſidererende dat deſe Capiteyn moſte vertrecken, ende dat de eerſte goede Windt hem ſoude wech voeren met zijn Schip, ende de Liefde van de Dochter met de Windt. Maer de Capiteyn ſiende aen d’ andere zijde, dat hy meer konde winnen met het trouwen van deſe Dochter, als alle ſijn leven te varen, wiſte ſijn ſaecke ſoo fraeykens te verrichten, ende de goede gratie van ſijn Maiſtreſſe te winnen, datſe ſecreetlijck ſonder weten van de Ouders trouden, ende voor al eer ſy de tijdinge daer van hadden, hy met de nieuwe Bruydt geimbarqueert was, zeylende na Canada toe, hopende dat voor ſijne wederkomſte ſijne ſaecke ſoude geaccommodeert ſijn door interceſſie van ſijne Vrienden: Maer de Fortuyne diſponeerde daer van anders. Hy hadde naeuwelijcks 24 uyren in Zee geweeſt, wanneer een Zee-roover van Argiers hem aen Boort quam. Deſen[159]amoreuſen Man meer gewoon ſijnde tot de careſſe van ſijn Maiſtreſſe, als tot de oeffeninge van Mars, gaf ſijn Schip over ſonder eenige reſiſtentie.

Weynigh daghen daer na ſaghmen deſe Franſe Iuffrouw met haer Man ende andere Slaven op de Marckt van Argiers, alwaer de Chriſtenen verkocht worden. De Turcken, Mooren, Griecken, ende Spaignaerts, die niet ghewoon waren de kleedinghe van Franſe Iuffrouwen te ſien, het Hayr gepoudreert, ende het Hooft in goede ordre, ſagen haer met groote verwonderinghe aen: Sy ſeyde aen eenige Chriſtenen die haer onderhielden ende vertrooſten, ick vreeſe alleen datmen mijn Religie ſal doen verſaecken: Het ſcheen dat de vreeſe van deſe Vrouwe Gode aengenaem was: Want de Conſul van Vranckrijck wiſte de ſaecke met de Baſſa ſo wel te doen, datmen de verkoopinge ophiel, onder pretext van eenighe conſideratie met de Franſen.

Maer de oorſaecke procedeerde uyt de giericheydt vande Baſſa (gelijck ghy ſult verſtaen) de welcke ſpottende met de vrede: maer alſoo den Franſen Capiteyn ſich niet gedefendeert hadde, allegeerde de Conſul dat het Schip van gheen goede prijs was.[160]

Het was na mijn oordeel een vondt vande Baſſa, die met de Conſul overeen quam, om dit Schip vry te verklaren, ende alſoo de Reeders ende de Soldaten te bedriegen: Ende dat de Capiteyn om ſijn ende ſijns Vrouwen liberteyt te hebben, het Schip met de gantſche laſt tot proffijt vande Baſſa ſoude laten. Terwijl men daer mede doende was, brochtmen de Iuffrouw in het Huys van een voornaemſte Turckſe Vrouwe, alwaer ſy heel wel was, alleen datſe met haer man alleen niet mochte ſpreecken. Ick en wete het eynde van deſe ſaecke niet, alſoo ick korts daer na van Argiers vertrock.

[Inhoud]XI. VERHAEL.Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſſe Slaef.Ick hebbe binnen Argiers gekent een Capiteyn ſijnde een vermaerde Zee-Roover, genaemt den grooten Moor, van Natie een Moſabi, ſijnde een Natie van arme Arabes, ſeer veracht, ende gants niet geeſtimeert: Om datſe haer tot de Wapenen niet begeven, ende de Keucke liever hebben als den Oorlogh. Sy gaen ordinaris met Darmen om,[161]onaenghenaem van weſen, want ſy ſijn noch ſwart noch wit, ende noch minder mulatten: Maer het ſchijnt dat haer aenſicht van Olye is.Den Grooten Moor, ſijnde een Ionge van ontrent twaelf Jaren quam tot Argiers: ende alſoo de Coopmanſchap van darmen hem miſhaechde, ging hy met de Zee-roovers Scheep voor Ionge vande Capiteyn: ende door de gedurige navigatien ende verſcheyde gevechten, wierde hy een ervaren Zee-man ende een goet Soldaet, verkrijgende ſoo veel reputatie, dat de Reeders hem Capiteyn van een kleyn Schip maeckten: ende daer na van een groot Schip met 30. ſtucken Geſchut. Eyndelijck wierde hy Capiteyn van een Galeye gemaeckt.Deſen grooten Moor was de vreeſe van alle de Chriſtenen Schepen, die inde Middelandtſe Zee voeren, ende van alle de Turcken geeſtimeert voor een Godt Mars. Ick ghelove dat indien den Grooten Heer hem abſoluyt commandement op de Zee gegeven hadde, ghelijck Sultan Soliman het gaf aen den Eerts-Zee-roover Barberoſſe inde voorgaende eeuwe, de Victorien van den grooten Moor grooter ſouden zijn geweeſt als die van alle de Ottomanſe Generaels,[162]want hy was een Leeuw in het vechten, ende een Lam in ſijne Victorien, tracterende ſijne overwonnen Vyanden met ſoeticheydt ende groote courtoiſie.Deſen grooten Moor hadde onder andere een Portugijſe Slaef die hem aen Landt diende voor Camerlingh, ende op Zee als Schrijver. Deſen Portugijs hadde ſijn Patroon eenige jaren langh getrouwelijck gedient ſoo ter Zee als te Lande. Op ſeeckeren dagh kruyſte den grooten Turck met ſijn Schip de Kuſt van Portugael: Hy riep zijn Slaef, ende ſeyde hem: Gy hebt ſoo veel jaren my getrouwelijck ghedient, ick geve u vryheydt, ende gaf terſtont ordre de Kuſt te approcheren, om deſen libertijn te lichter met de Chaloup aen Landt te ſetten, die zijn Meeſter bedanckte met een dobbelſinnigh ende ondanckbaer Herte. Terwijlmen dicht by het Landt quam, ging hy ſecretelijck inde Kejuyt, ende opende een Coffer van ſijn Patroon, daer hy de Sleutelen van hadde, ende nam eenige Hembden, ende om zijn voornemen te volbrengen ſonder ontdeckt te worden, dede hy die onder zijne Kleederen. Men ſette de Chaloup in Zee, ende de Portugijs overleverende de Sleutelen vande Coffer, nam zijn laetſte adieu van zijn Patroon. Men ſette[163]hem aen Landt, de Chaloup quam wederom, ende het Schip continueerde met kruyſen. Eenige dagen daer na wilde de groote Turck ſchoon Lywaet aendoen: Maer hy was bedroghen, want zijn lywaet was van dien ondanckbaren geſtolen. Hy wierde ſoo ſeer vertoornt, dat hy ſeyde, ick ſwere by het leven van den Grooten Heere, dat indien ick dien ondanckbaren Chriſten wederom in mijn Handen krijge, hy de Slavernye om op de Galeyen te roeyen niet ſal eſchapperen.Op de ſelfde tijdt geſchiede een andere ſeer remarquable ſake, te weten, dat de Generael Alli Pegelin, verloren hebbende een Diamant van groote prijs, de ſelfde van alle ſijne Slaven aen alle kanten dede ſoecken: onder andere vonde de ſelfde een van ſijne Slaven ſijnde een Spaengiaert. Hy preſenteerde de Diamant aen Pegelin, die de ſelfde ontfing, blijde zijnde dat hy die hadde, ghevende aende Slaef tot recompenſie een half ſtuck van achten, ende hem ſeggende, Neemt dat gy beeſt ſonder verſtandt, ende koopt een Touw om u te hanghen: Ghy hadt u vryheydt gewonnen, ende gy hebtſe niet konnen nemen. Alli Pegelin was immers ſoo ondanckbaer tegens ſijn Spaenſe Slaef, als de Portugijſe Slaef was tegens den grooten Moor.[164]

XI. VERHAEL.Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſſe Slaef.

Ick hebbe binnen Argiers gekent een Capiteyn ſijnde een vermaerde Zee-Roover, genaemt den grooten Moor, van Natie een Moſabi, ſijnde een Natie van arme Arabes, ſeer veracht, ende gants niet geeſtimeert: Om datſe haer tot de Wapenen niet begeven, ende de Keucke liever hebben als den Oorlogh. Sy gaen ordinaris met Darmen om,[161]onaenghenaem van weſen, want ſy ſijn noch ſwart noch wit, ende noch minder mulatten: Maer het ſchijnt dat haer aenſicht van Olye is.Den Grooten Moor, ſijnde een Ionge van ontrent twaelf Jaren quam tot Argiers: ende alſoo de Coopmanſchap van darmen hem miſhaechde, ging hy met de Zee-roovers Scheep voor Ionge vande Capiteyn: ende door de gedurige navigatien ende verſcheyde gevechten, wierde hy een ervaren Zee-man ende een goet Soldaet, verkrijgende ſoo veel reputatie, dat de Reeders hem Capiteyn van een kleyn Schip maeckten: ende daer na van een groot Schip met 30. ſtucken Geſchut. Eyndelijck wierde hy Capiteyn van een Galeye gemaeckt.Deſen grooten Moor was de vreeſe van alle de Chriſtenen Schepen, die inde Middelandtſe Zee voeren, ende van alle de Turcken geeſtimeert voor een Godt Mars. Ick ghelove dat indien den Grooten Heer hem abſoluyt commandement op de Zee gegeven hadde, ghelijck Sultan Soliman het gaf aen den Eerts-Zee-roover Barberoſſe inde voorgaende eeuwe, de Victorien van den grooten Moor grooter ſouden zijn geweeſt als die van alle de Ottomanſe Generaels,[162]want hy was een Leeuw in het vechten, ende een Lam in ſijne Victorien, tracterende ſijne overwonnen Vyanden met ſoeticheydt ende groote courtoiſie.Deſen grooten Moor hadde onder andere een Portugijſe Slaef die hem aen Landt diende voor Camerlingh, ende op Zee als Schrijver. Deſen Portugijs hadde ſijn Patroon eenige jaren langh getrouwelijck gedient ſoo ter Zee als te Lande. Op ſeeckeren dagh kruyſte den grooten Turck met ſijn Schip de Kuſt van Portugael: Hy riep zijn Slaef, ende ſeyde hem: Gy hebt ſoo veel jaren my getrouwelijck ghedient, ick geve u vryheydt, ende gaf terſtont ordre de Kuſt te approcheren, om deſen libertijn te lichter met de Chaloup aen Landt te ſetten, die zijn Meeſter bedanckte met een dobbelſinnigh ende ondanckbaer Herte. Terwijlmen dicht by het Landt quam, ging hy ſecretelijck inde Kejuyt, ende opende een Coffer van ſijn Patroon, daer hy de Sleutelen van hadde, ende nam eenige Hembden, ende om zijn voornemen te volbrengen ſonder ontdeckt te worden, dede hy die onder zijne Kleederen. Men ſette de Chaloup in Zee, ende de Portugijs overleverende de Sleutelen vande Coffer, nam zijn laetſte adieu van zijn Patroon. Men ſette[163]hem aen Landt, de Chaloup quam wederom, ende het Schip continueerde met kruyſen. Eenige dagen daer na wilde de groote Turck ſchoon Lywaet aendoen: Maer hy was bedroghen, want zijn lywaet was van dien ondanckbaren geſtolen. Hy wierde ſoo ſeer vertoornt, dat hy ſeyde, ick ſwere by het leven van den Grooten Heere, dat indien ick dien ondanckbaren Chriſten wederom in mijn Handen krijge, hy de Slavernye om op de Galeyen te roeyen niet ſal eſchapperen.Op de ſelfde tijdt geſchiede een andere ſeer remarquable ſake, te weten, dat de Generael Alli Pegelin, verloren hebbende een Diamant van groote prijs, de ſelfde van alle ſijne Slaven aen alle kanten dede ſoecken: onder andere vonde de ſelfde een van ſijne Slaven ſijnde een Spaengiaert. Hy preſenteerde de Diamant aen Pegelin, die de ſelfde ontfing, blijde zijnde dat hy die hadde, ghevende aende Slaef tot recompenſie een half ſtuck van achten, ende hem ſeggende, Neemt dat gy beeſt ſonder verſtandt, ende koopt een Touw om u te hanghen: Ghy hadt u vryheydt gewonnen, ende gy hebtſe niet konnen nemen. Alli Pegelin was immers ſoo ondanckbaer tegens ſijn Spaenſe Slaef, als de Portugijſe Slaef was tegens den grooten Moor.[164]

Ick hebbe binnen Argiers gekent een Capiteyn ſijnde een vermaerde Zee-Roover, genaemt den grooten Moor, van Natie een Moſabi, ſijnde een Natie van arme Arabes, ſeer veracht, ende gants niet geeſtimeert: Om datſe haer tot de Wapenen niet begeven, ende de Keucke liever hebben als den Oorlogh. Sy gaen ordinaris met Darmen om,[161]onaenghenaem van weſen, want ſy ſijn noch ſwart noch wit, ende noch minder mulatten: Maer het ſchijnt dat haer aenſicht van Olye is.

Den Grooten Moor, ſijnde een Ionge van ontrent twaelf Jaren quam tot Argiers: ende alſoo de Coopmanſchap van darmen hem miſhaechde, ging hy met de Zee-roovers Scheep voor Ionge vande Capiteyn: ende door de gedurige navigatien ende verſcheyde gevechten, wierde hy een ervaren Zee-man ende een goet Soldaet, verkrijgende ſoo veel reputatie, dat de Reeders hem Capiteyn van een kleyn Schip maeckten: ende daer na van een groot Schip met 30. ſtucken Geſchut. Eyndelijck wierde hy Capiteyn van een Galeye gemaeckt.

Deſen grooten Moor was de vreeſe van alle de Chriſtenen Schepen, die inde Middelandtſe Zee voeren, ende van alle de Turcken geeſtimeert voor een Godt Mars. Ick ghelove dat indien den Grooten Heer hem abſoluyt commandement op de Zee gegeven hadde, ghelijck Sultan Soliman het gaf aen den Eerts-Zee-roover Barberoſſe inde voorgaende eeuwe, de Victorien van den grooten Moor grooter ſouden zijn geweeſt als die van alle de Ottomanſe Generaels,[162]want hy was een Leeuw in het vechten, ende een Lam in ſijne Victorien, tracterende ſijne overwonnen Vyanden met ſoeticheydt ende groote courtoiſie.

Deſen grooten Moor hadde onder andere een Portugijſe Slaef die hem aen Landt diende voor Camerlingh, ende op Zee als Schrijver. Deſen Portugijs hadde ſijn Patroon eenige jaren langh getrouwelijck gedient ſoo ter Zee als te Lande. Op ſeeckeren dagh kruyſte den grooten Turck met ſijn Schip de Kuſt van Portugael: Hy riep zijn Slaef, ende ſeyde hem: Gy hebt ſoo veel jaren my getrouwelijck ghedient, ick geve u vryheydt, ende gaf terſtont ordre de Kuſt te approcheren, om deſen libertijn te lichter met de Chaloup aen Landt te ſetten, die zijn Meeſter bedanckte met een dobbelſinnigh ende ondanckbaer Herte. Terwijlmen dicht by het Landt quam, ging hy ſecretelijck inde Kejuyt, ende opende een Coffer van ſijn Patroon, daer hy de Sleutelen van hadde, ende nam eenige Hembden, ende om zijn voornemen te volbrengen ſonder ontdeckt te worden, dede hy die onder zijne Kleederen. Men ſette de Chaloup in Zee, ende de Portugijs overleverende de Sleutelen vande Coffer, nam zijn laetſte adieu van zijn Patroon. Men ſette[163]hem aen Landt, de Chaloup quam wederom, ende het Schip continueerde met kruyſen. Eenige dagen daer na wilde de groote Turck ſchoon Lywaet aendoen: Maer hy was bedroghen, want zijn lywaet was van dien ondanckbaren geſtolen. Hy wierde ſoo ſeer vertoornt, dat hy ſeyde, ick ſwere by het leven van den Grooten Heere, dat indien ick dien ondanckbaren Chriſten wederom in mijn Handen krijge, hy de Slavernye om op de Galeyen te roeyen niet ſal eſchapperen.

Op de ſelfde tijdt geſchiede een andere ſeer remarquable ſake, te weten, dat de Generael Alli Pegelin, verloren hebbende een Diamant van groote prijs, de ſelfde van alle ſijne Slaven aen alle kanten dede ſoecken: onder andere vonde de ſelfde een van ſijne Slaven ſijnde een Spaengiaert. Hy preſenteerde de Diamant aen Pegelin, die de ſelfde ontfing, blijde zijnde dat hy die hadde, ghevende aende Slaef tot recompenſie een half ſtuck van achten, ende hem ſeggende, Neemt dat gy beeſt ſonder verſtandt, ende koopt een Touw om u te hanghen: Ghy hadt u vryheydt gewonnen, ende gy hebtſe niet konnen nemen. Alli Pegelin was immers ſoo ondanckbaer tegens ſijn Spaenſe Slaef, als de Portugijſe Slaef was tegens den grooten Moor.[164]

[Inhoud]XII. VERHAEL.De maniere vande dooden tot Argiers te begraven.In een van mijn voorgaende Verhalingen, hebbe ick mentie gemaeckt van den Oorlogh van een Barbariſen Koningh Benali tegen de Baſſa van Argiers. In deſen Oorlogh wierden vele Turcken ende Renegados doodt geſlagen. Onder andere een Bulcebas, dat is Capiteyn van infanterie. Deſen Bulcebas was een Renegado, ende hadde Slaef van mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga gheweeſt: Ende hy woonde inde ſelfde ſtraet van de voorſz Mahomet Celibi.Soo haeſt als de tydinghe gekomen was vande doodt van deſen Bulcebas, ging mijn Patroneſſe vergeſelſchapt met twee ſwartinnen hare Slavinnen, ende met alle de Vrouwen vande buyrt, in het huys vande Weduwe, ende ſoo haeſt als ſy daer binnen waren gekomen, begonnenſe te ſchreyen, weenen, roepen, ende haer deſperatelijck aen te ſtellen; ende een van deſe Vrouwen klopte geſtadig met een ſtuck Yſers op een Tafel, het welcke ſoo grooten geluyt ende ſoo ſchrickelijcken[165]geraes maeckte, als ofte de ſtraet vol dolle Menſchen ware. Ick vviſte vvel dat het de maniere van ſich te beklagen inden rouvv op zijn Africaens vvas. Wanneer mijn Patroneſſe vvederom thuys quam, thoonde ick als ofte ick de reden van alle dat gekrijt niet en vviſte, vragende de oorſaecke vvaerom ſy geſchreyt hadde, ende vvaerom ſy haer aenſicht gekrabbelt ende bebloet hadde. Sy antvvoorde my, dat het de maniere van het Landt vvas, ende datmen op deſe vvijſe de doodt van de Ouders ende goede Vrienden bevveende. Ick repliceerde: Dat is goet voor u, die den overleden kent: Maer vvederom is uvve Slavinne bekrabbelt ende bebloet gelijck als gy, devvijl ſy den overleden niet en kent, vvant ſy is onlangs eerſt by u gekomen, ende is vvildt? Mijn Patroneſſe antvvoorde my. Zy heeft ghedaen gelijck ſy ghezien heeft datmen dede, ſonder andere reden.Op dit vvoort vanwildt, ſult gy vveten dat het Koninckrijck van Argiers vele kleyne tributariſe Koningen heeft ende ſommige van haer betalen door ghebreck van Gelt haer jaerlijckſe tribuyt met menſchen. Deſe menſchen zijn ofte gevangen Arabiers, genaemt dvvalende Arabiers: Ofte by gebreck van gevangens, betalenſe met haer[166]eygen onderſaten: Men noemt ſoodanigh Volck tot Argiers, Wilde, om datſe de ghemeene ſpraecke van het Landt, te vveten, Arabiſch ofte Moors, niet en kennen.

XII. VERHAEL.De maniere vande dooden tot Argiers te begraven.

In een van mijn voorgaende Verhalingen, hebbe ick mentie gemaeckt van den Oorlogh van een Barbariſen Koningh Benali tegen de Baſſa van Argiers. In deſen Oorlogh wierden vele Turcken ende Renegados doodt geſlagen. Onder andere een Bulcebas, dat is Capiteyn van infanterie. Deſen Bulcebas was een Renegado, ende hadde Slaef van mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga gheweeſt: Ende hy woonde inde ſelfde ſtraet van de voorſz Mahomet Celibi.Soo haeſt als de tydinghe gekomen was vande doodt van deſen Bulcebas, ging mijn Patroneſſe vergeſelſchapt met twee ſwartinnen hare Slavinnen, ende met alle de Vrouwen vande buyrt, in het huys vande Weduwe, ende ſoo haeſt als ſy daer binnen waren gekomen, begonnenſe te ſchreyen, weenen, roepen, ende haer deſperatelijck aen te ſtellen; ende een van deſe Vrouwen klopte geſtadig met een ſtuck Yſers op een Tafel, het welcke ſoo grooten geluyt ende ſoo ſchrickelijcken[165]geraes maeckte, als ofte de ſtraet vol dolle Menſchen ware. Ick vviſte vvel dat het de maniere van ſich te beklagen inden rouvv op zijn Africaens vvas. Wanneer mijn Patroneſſe vvederom thuys quam, thoonde ick als ofte ick de reden van alle dat gekrijt niet en vviſte, vragende de oorſaecke vvaerom ſy geſchreyt hadde, ende vvaerom ſy haer aenſicht gekrabbelt ende bebloet hadde. Sy antvvoorde my, dat het de maniere van het Landt vvas, ende datmen op deſe vvijſe de doodt van de Ouders ende goede Vrienden bevveende. Ick repliceerde: Dat is goet voor u, die den overleden kent: Maer vvederom is uvve Slavinne bekrabbelt ende bebloet gelijck als gy, devvijl ſy den overleden niet en kent, vvant ſy is onlangs eerſt by u gekomen, ende is vvildt? Mijn Patroneſſe antvvoorde my. Zy heeft ghedaen gelijck ſy ghezien heeft datmen dede, ſonder andere reden.Op dit vvoort vanwildt, ſult gy vveten dat het Koninckrijck van Argiers vele kleyne tributariſe Koningen heeft ende ſommige van haer betalen door ghebreck van Gelt haer jaerlijckſe tribuyt met menſchen. Deſe menſchen zijn ofte gevangen Arabiers, genaemt dvvalende Arabiers: Ofte by gebreck van gevangens, betalenſe met haer[166]eygen onderſaten: Men noemt ſoodanigh Volck tot Argiers, Wilde, om datſe de ghemeene ſpraecke van het Landt, te vveten, Arabiſch ofte Moors, niet en kennen.

In een van mijn voorgaende Verhalingen, hebbe ick mentie gemaeckt van den Oorlogh van een Barbariſen Koningh Benali tegen de Baſſa van Argiers. In deſen Oorlogh wierden vele Turcken ende Renegados doodt geſlagen. Onder andere een Bulcebas, dat is Capiteyn van infanterie. Deſen Bulcebas was een Renegado, ende hadde Slaef van mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga gheweeſt: Ende hy woonde inde ſelfde ſtraet van de voorſz Mahomet Celibi.

Soo haeſt als de tydinghe gekomen was vande doodt van deſen Bulcebas, ging mijn Patroneſſe vergeſelſchapt met twee ſwartinnen hare Slavinnen, ende met alle de Vrouwen vande buyrt, in het huys vande Weduwe, ende ſoo haeſt als ſy daer binnen waren gekomen, begonnenſe te ſchreyen, weenen, roepen, ende haer deſperatelijck aen te ſtellen; ende een van deſe Vrouwen klopte geſtadig met een ſtuck Yſers op een Tafel, het welcke ſoo grooten geluyt ende ſoo ſchrickelijcken[165]geraes maeckte, als ofte de ſtraet vol dolle Menſchen ware. Ick vviſte vvel dat het de maniere van ſich te beklagen inden rouvv op zijn Africaens vvas. Wanneer mijn Patroneſſe vvederom thuys quam, thoonde ick als ofte ick de reden van alle dat gekrijt niet en vviſte, vragende de oorſaecke vvaerom ſy geſchreyt hadde, ende vvaerom ſy haer aenſicht gekrabbelt ende bebloet hadde. Sy antvvoorde my, dat het de maniere van het Landt vvas, ende datmen op deſe vvijſe de doodt van de Ouders ende goede Vrienden bevveende. Ick repliceerde: Dat is goet voor u, die den overleden kent: Maer vvederom is uvve Slavinne bekrabbelt ende bebloet gelijck als gy, devvijl ſy den overleden niet en kent, vvant ſy is onlangs eerſt by u gekomen, ende is vvildt? Mijn Patroneſſe antvvoorde my. Zy heeft ghedaen gelijck ſy ghezien heeft datmen dede, ſonder andere reden.

Op dit vvoort vanwildt, ſult gy vveten dat het Koninckrijck van Argiers vele kleyne tributariſe Koningen heeft ende ſommige van haer betalen door ghebreck van Gelt haer jaerlijckſe tribuyt met menſchen. Deſe menſchen zijn ofte gevangen Arabiers, genaemt dvvalende Arabiers: Ofte by gebreck van gevangens, betalenſe met haer[166]eygen onderſaten: Men noemt ſoodanigh Volck tot Argiers, Wilde, om datſe de ghemeene ſpraecke van het Landt, te vveten, Arabiſch ofte Moors, niet en kennen.

[Inhoud]XIII. VERHAEL.Van de onbedachte yver, ende vanden voorſichtighen yver.Wanneer ick inde Mamore van Tituan was, quam een Moorſe Vrybuyter inde Mamore met een beelt van onſe Lieve Vrouwe in Houdt gheſneden, het welcke hy op een Chriſten Schip ghenomen hadde, preſenterende het ſelfde te verkopen. Alle de Spaenſe Slaven vergaderde haer daer rontſom, preſenterende een Goude Kroon, op dat aen het beelt geen verachtinge ofte ongelijck ſoude gheſchieden. De Moor ſiende den goeden yver van de Chriſtenen, ſeyde haer datter vier mael ſoo veel moſte ſijn, ende indien gy het niet geven wilt, ſal ick het verbranden.De goede Spaignaerts waren in groote bekommerniſſe over de dreygementen van[167]den Barbaer, ende delibereerden oftſe den Moor ſouden gheven ’t gene hy eyſchte: Ende om deſe ſomme te vinden, wilde het meeſtendeel vande Spaignaerts contribueren alles wat ſy hadden: Want die inde Mamore een ſtuck van achten kan verteeren, en heeft van armoede niet te klagen.Ick ſagh aen ’t gene aldaer paſſeerde ſonder een woordt te ſpreecken; Op het laetſte moeyde ick my daer mede, ende ſeyde tot de Spaignaerts. Dit beelt is ſoo veel niet waert: Zy antwoorden my terſtont: Wy koopen het beelt niet om ſijn waerde, Maer op dat het geen ongelijck ſoude lijden. Ick ſeyde haer. Uwen yver is ſeer goet, maer conſidereert ghy niet dat deſen Moor met de vier Goude Kroonen uyt de Mamore ſal gaen voor een beelt dat geen vier Realen weerdigh is: Hy ſal door de gantſche Stadt gaen publiceren dat de Chriſtenen Afgoden-Dienaers ſijn: Ter naeuwer noot wilden de yverighe Spaignaerts mijn reden verſtaen, ende ick liep groot perijckel van voor een Lutheriaen ghehouden te worden. Maer ick kreegh een groot ſecours van een Pater Dominicaen, die mede Slaef inde Mamore was, ſijnde een Man van een goet leven ende ſeer geleert. Ick vertelde hem[168]’t ghene paſſeerde tuſſchen de Spaignaerts ende de Moor. Deſen goeden Pater gaet terſtont met een yver ghefondeert op voorſichtigheydt, na de Moor toe, ende ſeyde hem. Wilt gy een ſtuck van achten voor het beelt hebben, men ſal het u geven, ſoo niet, gaet ende doet met het beelt wat ghy wilt, ende vertreckt van hier, ofte anderſints ſullen de Chriſten Slaven u duyſendt ſlagen met Vuyſten geven. De Moor ſiende den Religieus ſoo reſoluyt, en ſprack geen rodomontaden meer, noch dat hy het beelt ſoude verbranden, maer was wel blijde het ſtuck van achten te hebben, gevende het beelt: Indien de Spaignaerts vier goude Kroonen gegeven hadden, ſouden ſy haer Geldt verloren gehadt hebben, de Moor ſoude haer beſpot hebben, ende de Catholijcke Religie veracht: maer den goeden yver van deſen Religieux vergeſelſchapt met voorſichtigheyt, conſerveerde het gelt van de arme Slaven, gaf vreeſe aen den Barbariſchen Moor, ende dede de Mahometanen ſien, dat de eere die de Catholijcken aen de beelden geven, niet beſtaet in de materie, gelijck de onwetende geloven.[169]

XIII. VERHAEL.Van de onbedachte yver, ende vanden voorſichtighen yver.

Wanneer ick inde Mamore van Tituan was, quam een Moorſe Vrybuyter inde Mamore met een beelt van onſe Lieve Vrouwe in Houdt gheſneden, het welcke hy op een Chriſten Schip ghenomen hadde, preſenterende het ſelfde te verkopen. Alle de Spaenſe Slaven vergaderde haer daer rontſom, preſenterende een Goude Kroon, op dat aen het beelt geen verachtinge ofte ongelijck ſoude gheſchieden. De Moor ſiende den goeden yver van de Chriſtenen, ſeyde haer datter vier mael ſoo veel moſte ſijn, ende indien gy het niet geven wilt, ſal ick het verbranden.De goede Spaignaerts waren in groote bekommerniſſe over de dreygementen van[167]den Barbaer, ende delibereerden oftſe den Moor ſouden gheven ’t gene hy eyſchte: Ende om deſe ſomme te vinden, wilde het meeſtendeel vande Spaignaerts contribueren alles wat ſy hadden: Want die inde Mamore een ſtuck van achten kan verteeren, en heeft van armoede niet te klagen.Ick ſagh aen ’t gene aldaer paſſeerde ſonder een woordt te ſpreecken; Op het laetſte moeyde ick my daer mede, ende ſeyde tot de Spaignaerts. Dit beelt is ſoo veel niet waert: Zy antwoorden my terſtont: Wy koopen het beelt niet om ſijn waerde, Maer op dat het geen ongelijck ſoude lijden. Ick ſeyde haer. Uwen yver is ſeer goet, maer conſidereert ghy niet dat deſen Moor met de vier Goude Kroonen uyt de Mamore ſal gaen voor een beelt dat geen vier Realen weerdigh is: Hy ſal door de gantſche Stadt gaen publiceren dat de Chriſtenen Afgoden-Dienaers ſijn: Ter naeuwer noot wilden de yverighe Spaignaerts mijn reden verſtaen, ende ick liep groot perijckel van voor een Lutheriaen ghehouden te worden. Maer ick kreegh een groot ſecours van een Pater Dominicaen, die mede Slaef inde Mamore was, ſijnde een Man van een goet leven ende ſeer geleert. Ick vertelde hem[168]’t ghene paſſeerde tuſſchen de Spaignaerts ende de Moor. Deſen goeden Pater gaet terſtont met een yver ghefondeert op voorſichtigheydt, na de Moor toe, ende ſeyde hem. Wilt gy een ſtuck van achten voor het beelt hebben, men ſal het u geven, ſoo niet, gaet ende doet met het beelt wat ghy wilt, ende vertreckt van hier, ofte anderſints ſullen de Chriſten Slaven u duyſendt ſlagen met Vuyſten geven. De Moor ſiende den Religieus ſoo reſoluyt, en ſprack geen rodomontaden meer, noch dat hy het beelt ſoude verbranden, maer was wel blijde het ſtuck van achten te hebben, gevende het beelt: Indien de Spaignaerts vier goude Kroonen gegeven hadden, ſouden ſy haer Geldt verloren gehadt hebben, de Moor ſoude haer beſpot hebben, ende de Catholijcke Religie veracht: maer den goeden yver van deſen Religieux vergeſelſchapt met voorſichtigheyt, conſerveerde het gelt van de arme Slaven, gaf vreeſe aen den Barbariſchen Moor, ende dede de Mahometanen ſien, dat de eere die de Catholijcken aen de beelden geven, niet beſtaet in de materie, gelijck de onwetende geloven.[169]

Wanneer ick inde Mamore van Tituan was, quam een Moorſe Vrybuyter inde Mamore met een beelt van onſe Lieve Vrouwe in Houdt gheſneden, het welcke hy op een Chriſten Schip ghenomen hadde, preſenterende het ſelfde te verkopen. Alle de Spaenſe Slaven vergaderde haer daer rontſom, preſenterende een Goude Kroon, op dat aen het beelt geen verachtinge ofte ongelijck ſoude gheſchieden. De Moor ſiende den goeden yver van de Chriſtenen, ſeyde haer datter vier mael ſoo veel moſte ſijn, ende indien gy het niet geven wilt, ſal ick het verbranden.

De goede Spaignaerts waren in groote bekommerniſſe over de dreygementen van[167]den Barbaer, ende delibereerden oftſe den Moor ſouden gheven ’t gene hy eyſchte: Ende om deſe ſomme te vinden, wilde het meeſtendeel vande Spaignaerts contribueren alles wat ſy hadden: Want die inde Mamore een ſtuck van achten kan verteeren, en heeft van armoede niet te klagen.

Ick ſagh aen ’t gene aldaer paſſeerde ſonder een woordt te ſpreecken; Op het laetſte moeyde ick my daer mede, ende ſeyde tot de Spaignaerts. Dit beelt is ſoo veel niet waert: Zy antwoorden my terſtont: Wy koopen het beelt niet om ſijn waerde, Maer op dat het geen ongelijck ſoude lijden. Ick ſeyde haer. Uwen yver is ſeer goet, maer conſidereert ghy niet dat deſen Moor met de vier Goude Kroonen uyt de Mamore ſal gaen voor een beelt dat geen vier Realen weerdigh is: Hy ſal door de gantſche Stadt gaen publiceren dat de Chriſtenen Afgoden-Dienaers ſijn: Ter naeuwer noot wilden de yverighe Spaignaerts mijn reden verſtaen, ende ick liep groot perijckel van voor een Lutheriaen ghehouden te worden. Maer ick kreegh een groot ſecours van een Pater Dominicaen, die mede Slaef inde Mamore was, ſijnde een Man van een goet leven ende ſeer geleert. Ick vertelde hem[168]’t ghene paſſeerde tuſſchen de Spaignaerts ende de Moor. Deſen goeden Pater gaet terſtont met een yver ghefondeert op voorſichtigheydt, na de Moor toe, ende ſeyde hem. Wilt gy een ſtuck van achten voor het beelt hebben, men ſal het u geven, ſoo niet, gaet ende doet met het beelt wat ghy wilt, ende vertreckt van hier, ofte anderſints ſullen de Chriſten Slaven u duyſendt ſlagen met Vuyſten geven. De Moor ſiende den Religieus ſoo reſoluyt, en ſprack geen rodomontaden meer, noch dat hy het beelt ſoude verbranden, maer was wel blijde het ſtuck van achten te hebben, gevende het beelt: Indien de Spaignaerts vier goude Kroonen gegeven hadden, ſouden ſy haer Geldt verloren gehadt hebben, de Moor ſoude haer beſpot hebben, ende de Catholijcke Religie veracht: maer den goeden yver van deſen Religieux vergeſelſchapt met voorſichtigheyt, conſerveerde het gelt van de arme Slaven, gaf vreeſe aen den Barbariſchen Moor, ende dede de Mahometanen ſien, dat de eere die de Catholijcken aen de beelden geven, niet beſtaet in de materie, gelijck de onwetende geloven.[169]

[Inhoud]XIV. VERHAEL.Twee Exempelen van mildadigheyt ende erkenteniſſeSaban Gallan Aga, menighmael gementioneert in het diſcours van mijn Reyſe, als mede in mijne Verhalinghen, was van Geboorte een Spaignaert vande Frontieren van Portugael, ende Zoon van een Boots-Geſel. Hy was van zijn jonckheydt af gevallen in Slavernye vande Turcken, die hem geperſuadeert ende gheinduceert hadden het Chriſtelijcke Geloof te verſaecken, het welcke aen een jongh Kindt licht te doen is.Deſen Saban ontfingh door zijne noble maniere van yder een te tracteren, de naem van Galan. Hy was ſeer Rijck: Zijn oeffeninge was den Oorlogh ſoo ter Zee als te Lande. Hy was een Aga geweeſt, dat is, Maiſtre de Camp. Deſen Saban gingh op ſeeckere dagh by geval over de Marckt, alwaer men de Chriſtenen verkoopt, hy begon met de Slaven te diſcoureren, ende vonde by gheval een van ſijne Landts-Luyden, die hy om een kleyn Gelt koſte, want[170]hy was een Viſſcher, ſonder apparentie van groot Rantſoen voor te krijghen. Hy brocht de Slaef t’ ſijnen Huyſe, ende ſeyde hem: Ick hebbe hondert ende vijftigh ſtucken van achten voor u betaelt, indien gy my wilt belooven ghelijcke ſomme in u Landt te betalen aen een die mijn Bloed-Vrindt is ende arm, ſal ick u aen Landt ſetten in u Vaderlandt met de eerſte Vrybuyter die vertrecken ſal. De Viſſcher de Slaef was ſeer blijde over deſe propoſitie, ende accepteerde ſonder uytſtel ’t ghene ſijn Patroon voor-geſtelt hadde. Saban dede volgens ſijn belofte hem inbarqueren op het eerſte Vrybuyters Schip, het welcke na de Ocean toe voer, ende gaf ordre datmen deſen Chriſten op de Kuſt van Portugael aen Landt ſoude ſetten. De ordre van Saban wierde volbracht. De Portugijſen van ſijn Dorp waren verwondert een Man ſoo haeſt van de Slavernye wederom te ſien. Hy begon ſijn Fortuyn te vertellen, ende de reſcontre die hy gehadt hadde, ende voorts alles wat met Saban Gallan gepaſſeert was.Hy verkocht alles wat hy hadde, ende betaelde volghens zijn belofte aen wien hy de 150. ſtucken van achten betalen moſte, de welcke het Gelt ontfangen hebbende,[171]ſchreef een brief van danck aen zijn bloedt-verwant Saban Gallan. Ondertuſſchen keerde deſen goeden Man ſich wederom na de Viſſcherye om zijn Koſt te winnen, ende het ongeluck wilde dat hy noch eens vande Zee-Roovers genomen wierde, ende tot Argiers gebracht, alwaer hy gekomen zijnde, liet hy aen Saban Gallan zijn ongheluck weten, die hem wederom kocht, hem eenighe daghen langh in zijn Huys tracterende, ende verſagh hem met Wolle ende Linnen na zijn behoef, ende ſeyde. Om dat gy een eerlijck Man zijt, ende dat gy u belofte voldaen hebt, keert noch een mael na u Huys, ende ’t gene gy gekoſt hebt, betaelt dat aen de ſelfde Perſoon op ſoodanighen tijdt. De Viſſcher ſeyde, Ick kan het niet doen, want ick hebbe alles wat ick hadde verkocht, om mijn eerſte rantſoen te betalen: Daerom ſal ick liever Slaef blijven, als mijn woordt niet te houden. Saban hoorende deſe eerlijcke reden, ſeyde hem, betaelt na u gelegentheydt (de tijdt was van ſes Maenden) binnen twee Iaren. De Viſſcher nam deſe conditie aen ende men ſette hem aen Landt als d’ eerſte mael in zijn Vaderlandt.Hy gingh terſtont by de Bloet-Vrindt[172]van Saban, ende ſeyde hem zijne recommandatien, hem belovende de geaccordeerde ſomme te betalen binnen twee Iaren,ende keerde wederom na zijn neringe. Maer alſoo zijn Barck met zijn toebehooren, ofte verkocht was, om zijn eerſte rantſoen te betalen, ofte verloren, wanneer hy de tweede mael genomen wierde, was hy genootſaeckt voor Knecht van andere Viſſchers te varen, ſoo dat hy ſoo veel profijt niet konde doen, als wanneer hy voor ſijn ſelven was: Maer niet teghenſtaende zijn kleyn profijt hebbende een kleyn ſomme gheſpaert, gaf hy de ſelve terſtont tot afkortinge van zijn rantſoen.De twee Iaren waren gepaſſeert, ende hy hadde noch boven een derdedeel niet betaelt van ’t ghene hy ſchuldigh was: Om ſijn belofte te voldoen, dachte hy op een middel, de welcke was een quintael Toback te koopen, ende imbarqueerde ſich in een Portugijſe Schip dat na Argiers vertrock, (alwaer de Toback doenmael ſeer dier was) met paſpoort vande Baſſa, om eenighe Slaven af te loſſen. Hy quam in weynig dagen tot Argiers, ende ging recht na het Huys van Saban Gallan, de welcke ſeer verbaeſt was hem te zien: De Viſſcher ſeyde hem: Patroon, ick hebbe[173]maer een derdendeel van ’t gene ick u ſchuldig ben, betaelt, als blijckt by deſe Quitantie, ende alſoo ick geen middel hebbe om de reſt te betalen, ben ick gekomen met een Quintael Toback, ende indien ick die kan verkoopen met het profijt alſmen my verſeeckert heeft dat ick ſoude doen, ſal ick u betalen, ſoo niet, ſal ick liever wederom u Slaef willen zijn, als dat uwe Signorie, vande welcke ick ſoo veel weldaden ontfanghen hebbe, my ſoude beſchuldigen van eenighe ondanckbaerheydt. Saban hoorde deſe redenen met groote verwonderinge vande ghetrouwigheydt ende erkenteniſſe van deſen Viſſcher: Antwoorde hem, gy zijt een eerlijck, getrouw ende danckbaer Man, Maer ſeer onnoſel: Gaet u Toback verkoopen, ende keert wederom na u Landt, ende behoudt het Gelt te ſamen met uwe vryheydt, ende gaf hem in ſijn Huys Eten, ende Drincken, tot dat hy met het ſelfde Schip wederom keerde: latende binnen Argiers een eeuwige naem van getrouwigheydt ende danckbaerheydt, ende brenghende in Portugael een eeuwige lof vande liberaliteyt van Saban Gallan.[174]

XIV. VERHAEL.Twee Exempelen van mildadigheyt ende erkenteniſſe

Saban Gallan Aga, menighmael gementioneert in het diſcours van mijn Reyſe, als mede in mijne Verhalinghen, was van Geboorte een Spaignaert vande Frontieren van Portugael, ende Zoon van een Boots-Geſel. Hy was van zijn jonckheydt af gevallen in Slavernye vande Turcken, die hem geperſuadeert ende gheinduceert hadden het Chriſtelijcke Geloof te verſaecken, het welcke aen een jongh Kindt licht te doen is.Deſen Saban ontfingh door zijne noble maniere van yder een te tracteren, de naem van Galan. Hy was ſeer Rijck: Zijn oeffeninge was den Oorlogh ſoo ter Zee als te Lande. Hy was een Aga geweeſt, dat is, Maiſtre de Camp. Deſen Saban gingh op ſeeckere dagh by geval over de Marckt, alwaer men de Chriſtenen verkoopt, hy begon met de Slaven te diſcoureren, ende vonde by gheval een van ſijne Landts-Luyden, die hy om een kleyn Gelt koſte, want[170]hy was een Viſſcher, ſonder apparentie van groot Rantſoen voor te krijghen. Hy brocht de Slaef t’ ſijnen Huyſe, ende ſeyde hem: Ick hebbe hondert ende vijftigh ſtucken van achten voor u betaelt, indien gy my wilt belooven ghelijcke ſomme in u Landt te betalen aen een die mijn Bloed-Vrindt is ende arm, ſal ick u aen Landt ſetten in u Vaderlandt met de eerſte Vrybuyter die vertrecken ſal. De Viſſcher de Slaef was ſeer blijde over deſe propoſitie, ende accepteerde ſonder uytſtel ’t ghene ſijn Patroon voor-geſtelt hadde. Saban dede volgens ſijn belofte hem inbarqueren op het eerſte Vrybuyters Schip, het welcke na de Ocean toe voer, ende gaf ordre datmen deſen Chriſten op de Kuſt van Portugael aen Landt ſoude ſetten. De ordre van Saban wierde volbracht. De Portugijſen van ſijn Dorp waren verwondert een Man ſoo haeſt van de Slavernye wederom te ſien. Hy begon ſijn Fortuyn te vertellen, ende de reſcontre die hy gehadt hadde, ende voorts alles wat met Saban Gallan gepaſſeert was.Hy verkocht alles wat hy hadde, ende betaelde volghens zijn belofte aen wien hy de 150. ſtucken van achten betalen moſte, de welcke het Gelt ontfangen hebbende,[171]ſchreef een brief van danck aen zijn bloedt-verwant Saban Gallan. Ondertuſſchen keerde deſen goeden Man ſich wederom na de Viſſcherye om zijn Koſt te winnen, ende het ongeluck wilde dat hy noch eens vande Zee-Roovers genomen wierde, ende tot Argiers gebracht, alwaer hy gekomen zijnde, liet hy aen Saban Gallan zijn ongheluck weten, die hem wederom kocht, hem eenighe daghen langh in zijn Huys tracterende, ende verſagh hem met Wolle ende Linnen na zijn behoef, ende ſeyde. Om dat gy een eerlijck Man zijt, ende dat gy u belofte voldaen hebt, keert noch een mael na u Huys, ende ’t gene gy gekoſt hebt, betaelt dat aen de ſelfde Perſoon op ſoodanighen tijdt. De Viſſcher ſeyde, Ick kan het niet doen, want ick hebbe alles wat ick hadde verkocht, om mijn eerſte rantſoen te betalen: Daerom ſal ick liever Slaef blijven, als mijn woordt niet te houden. Saban hoorende deſe eerlijcke reden, ſeyde hem, betaelt na u gelegentheydt (de tijdt was van ſes Maenden) binnen twee Iaren. De Viſſcher nam deſe conditie aen ende men ſette hem aen Landt als d’ eerſte mael in zijn Vaderlandt.Hy gingh terſtont by de Bloet-Vrindt[172]van Saban, ende ſeyde hem zijne recommandatien, hem belovende de geaccordeerde ſomme te betalen binnen twee Iaren,ende keerde wederom na zijn neringe. Maer alſoo zijn Barck met zijn toebehooren, ofte verkocht was, om zijn eerſte rantſoen te betalen, ofte verloren, wanneer hy de tweede mael genomen wierde, was hy genootſaeckt voor Knecht van andere Viſſchers te varen, ſoo dat hy ſoo veel profijt niet konde doen, als wanneer hy voor ſijn ſelven was: Maer niet teghenſtaende zijn kleyn profijt hebbende een kleyn ſomme gheſpaert, gaf hy de ſelve terſtont tot afkortinge van zijn rantſoen.De twee Iaren waren gepaſſeert, ende hy hadde noch boven een derdedeel niet betaelt van ’t ghene hy ſchuldigh was: Om ſijn belofte te voldoen, dachte hy op een middel, de welcke was een quintael Toback te koopen, ende imbarqueerde ſich in een Portugijſe Schip dat na Argiers vertrock, (alwaer de Toback doenmael ſeer dier was) met paſpoort vande Baſſa, om eenighe Slaven af te loſſen. Hy quam in weynig dagen tot Argiers, ende ging recht na het Huys van Saban Gallan, de welcke ſeer verbaeſt was hem te zien: De Viſſcher ſeyde hem: Patroon, ick hebbe[173]maer een derdendeel van ’t gene ick u ſchuldig ben, betaelt, als blijckt by deſe Quitantie, ende alſoo ick geen middel hebbe om de reſt te betalen, ben ick gekomen met een Quintael Toback, ende indien ick die kan verkoopen met het profijt alſmen my verſeeckert heeft dat ick ſoude doen, ſal ick u betalen, ſoo niet, ſal ick liever wederom u Slaef willen zijn, als dat uwe Signorie, vande welcke ick ſoo veel weldaden ontfanghen hebbe, my ſoude beſchuldigen van eenighe ondanckbaerheydt. Saban hoorde deſe redenen met groote verwonderinge vande ghetrouwigheydt ende erkenteniſſe van deſen Viſſcher: Antwoorde hem, gy zijt een eerlijck, getrouw ende danckbaer Man, Maer ſeer onnoſel: Gaet u Toback verkoopen, ende keert wederom na u Landt, ende behoudt het Gelt te ſamen met uwe vryheydt, ende gaf hem in ſijn Huys Eten, ende Drincken, tot dat hy met het ſelfde Schip wederom keerde: latende binnen Argiers een eeuwige naem van getrouwigheydt ende danckbaerheydt, ende brenghende in Portugael een eeuwige lof vande liberaliteyt van Saban Gallan.[174]

Saban Gallan Aga, menighmael gementioneert in het diſcours van mijn Reyſe, als mede in mijne Verhalinghen, was van Geboorte een Spaignaert vande Frontieren van Portugael, ende Zoon van een Boots-Geſel. Hy was van zijn jonckheydt af gevallen in Slavernye vande Turcken, die hem geperſuadeert ende gheinduceert hadden het Chriſtelijcke Geloof te verſaecken, het welcke aen een jongh Kindt licht te doen is.

Deſen Saban ontfingh door zijne noble maniere van yder een te tracteren, de naem van Galan. Hy was ſeer Rijck: Zijn oeffeninge was den Oorlogh ſoo ter Zee als te Lande. Hy was een Aga geweeſt, dat is, Maiſtre de Camp. Deſen Saban gingh op ſeeckere dagh by geval over de Marckt, alwaer men de Chriſtenen verkoopt, hy begon met de Slaven te diſcoureren, ende vonde by gheval een van ſijne Landts-Luyden, die hy om een kleyn Gelt koſte, want[170]hy was een Viſſcher, ſonder apparentie van groot Rantſoen voor te krijghen. Hy brocht de Slaef t’ ſijnen Huyſe, ende ſeyde hem: Ick hebbe hondert ende vijftigh ſtucken van achten voor u betaelt, indien gy my wilt belooven ghelijcke ſomme in u Landt te betalen aen een die mijn Bloed-Vrindt is ende arm, ſal ick u aen Landt ſetten in u Vaderlandt met de eerſte Vrybuyter die vertrecken ſal. De Viſſcher de Slaef was ſeer blijde over deſe propoſitie, ende accepteerde ſonder uytſtel ’t ghene ſijn Patroon voor-geſtelt hadde. Saban dede volgens ſijn belofte hem inbarqueren op het eerſte Vrybuyters Schip, het welcke na de Ocean toe voer, ende gaf ordre datmen deſen Chriſten op de Kuſt van Portugael aen Landt ſoude ſetten. De ordre van Saban wierde volbracht. De Portugijſen van ſijn Dorp waren verwondert een Man ſoo haeſt van de Slavernye wederom te ſien. Hy begon ſijn Fortuyn te vertellen, ende de reſcontre die hy gehadt hadde, ende voorts alles wat met Saban Gallan gepaſſeert was.

Hy verkocht alles wat hy hadde, ende betaelde volghens zijn belofte aen wien hy de 150. ſtucken van achten betalen moſte, de welcke het Gelt ontfangen hebbende,[171]ſchreef een brief van danck aen zijn bloedt-verwant Saban Gallan. Ondertuſſchen keerde deſen goeden Man ſich wederom na de Viſſcherye om zijn Koſt te winnen, ende het ongeluck wilde dat hy noch eens vande Zee-Roovers genomen wierde, ende tot Argiers gebracht, alwaer hy gekomen zijnde, liet hy aen Saban Gallan zijn ongheluck weten, die hem wederom kocht, hem eenighe daghen langh in zijn Huys tracterende, ende verſagh hem met Wolle ende Linnen na zijn behoef, ende ſeyde. Om dat gy een eerlijck Man zijt, ende dat gy u belofte voldaen hebt, keert noch een mael na u Huys, ende ’t gene gy gekoſt hebt, betaelt dat aen de ſelfde Perſoon op ſoodanighen tijdt. De Viſſcher ſeyde, Ick kan het niet doen, want ick hebbe alles wat ick hadde verkocht, om mijn eerſte rantſoen te betalen: Daerom ſal ick liever Slaef blijven, als mijn woordt niet te houden. Saban hoorende deſe eerlijcke reden, ſeyde hem, betaelt na u gelegentheydt (de tijdt was van ſes Maenden) binnen twee Iaren. De Viſſcher nam deſe conditie aen ende men ſette hem aen Landt als d’ eerſte mael in zijn Vaderlandt.

Hy gingh terſtont by de Bloet-Vrindt[172]van Saban, ende ſeyde hem zijne recommandatien, hem belovende de geaccordeerde ſomme te betalen binnen twee Iaren,ende keerde wederom na zijn neringe. Maer alſoo zijn Barck met zijn toebehooren, ofte verkocht was, om zijn eerſte rantſoen te betalen, ofte verloren, wanneer hy de tweede mael genomen wierde, was hy genootſaeckt voor Knecht van andere Viſſchers te varen, ſoo dat hy ſoo veel profijt niet konde doen, als wanneer hy voor ſijn ſelven was: Maer niet teghenſtaende zijn kleyn profijt hebbende een kleyn ſomme gheſpaert, gaf hy de ſelve terſtont tot afkortinge van zijn rantſoen.

De twee Iaren waren gepaſſeert, ende hy hadde noch boven een derdedeel niet betaelt van ’t ghene hy ſchuldigh was: Om ſijn belofte te voldoen, dachte hy op een middel, de welcke was een quintael Toback te koopen, ende imbarqueerde ſich in een Portugijſe Schip dat na Argiers vertrock, (alwaer de Toback doenmael ſeer dier was) met paſpoort vande Baſſa, om eenighe Slaven af te loſſen. Hy quam in weynig dagen tot Argiers, ende ging recht na het Huys van Saban Gallan, de welcke ſeer verbaeſt was hem te zien: De Viſſcher ſeyde hem: Patroon, ick hebbe[173]maer een derdendeel van ’t gene ick u ſchuldig ben, betaelt, als blijckt by deſe Quitantie, ende alſoo ick geen middel hebbe om de reſt te betalen, ben ick gekomen met een Quintael Toback, ende indien ick die kan verkoopen met het profijt alſmen my verſeeckert heeft dat ick ſoude doen, ſal ick u betalen, ſoo niet, ſal ick liever wederom u Slaef willen zijn, als dat uwe Signorie, vande welcke ick ſoo veel weldaden ontfanghen hebbe, my ſoude beſchuldigen van eenighe ondanckbaerheydt. Saban hoorde deſe redenen met groote verwonderinge vande ghetrouwigheydt ende erkenteniſſe van deſen Viſſcher: Antwoorde hem, gy zijt een eerlijck, getrouw ende danckbaer Man, Maer ſeer onnoſel: Gaet u Toback verkoopen, ende keert wederom na u Landt, ende behoudt het Gelt te ſamen met uwe vryheydt, ende gaf hem in ſijn Huys Eten, ende Drincken, tot dat hy met het ſelfde Schip wederom keerde: latende binnen Argiers een eeuwige naem van getrouwigheydt ende danckbaerheydt, ende brenghende in Portugael een eeuwige lof vande liberaliteyt van Saban Gallan.[174]

[Inhoud]XV. VERHAEL.Van de maniere van Trouwen tot Argiers.Myn Cameraet Ian Baptiſta Caloen woonde by een oude Vrouwe,de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, die een vande vijf Turcken was die tegens ons ſouden verwiſſelt worden. Deſen Moſtafa hadde een Broeder ghenaemt Amet Iugles, out 22. Iaren, maer ſeer ghedebaucheert, een Hoer-Jager, ende grooten Dronckaert, ſoo dat het leven dat deſen armen Turck voerde niet veel langher konde duyren ſonder hem ſelven te ruineren.De Groot-Moeder ende de Moeder van Amet wiſten hem ſoo wel te perſuaderen, dat hy haer beloofde de Wijn ende Hoeren, te verlaten, ende dat hy voortaen ſoude leven als een eerlijcke Mahometaen: Ende om te toonen dat hy op die maniere wilde leven, ſeyde hy haer, ick ben te vreden een Wijf te nemen. Dit begeeren na hy toonde, behaeghde de Groot-Moeder ende de Moeder ſeer wel, die aen Amet preſenteerden verſcheyde Dochters van qualiteyt,[175]ende onder andere eene die hem ſeer behaegde, om haer groote Rijckdom. Om dit Huwelijck te effectueren dede de Groot-Moeder van Amet de Ouders van de Dochter ſpreecken, ende Amet imployeerde tot Spion ende Afgeſante een oude Vrouwe, die inde principaelſte Huyſen zijde ſtoffen te verkoopen bracht.Deſe oude Vrouwe wiſte zijne ſaecken alſoo te wege te brenghen, dat de Dochter binnen weynigh daghen haer woort ingageerde: Sy wiſte oock de ſchoonheydt vande Dochter, ende hare deughden, manieren ende Rijckdom ſoo te beſchrijven, dat Amet van Liefde betoovert wierde door het diſcoureren van deſe oude Vrouwe: De Ouders van beyde zijden approbeerden het Huwelijck. Men ordonneerde een dagh voor de Bruyloft: De toekomende Bruydegom ſondt aen ſijn Maiſtreſſe een preſent van zijde Linten ende andere dierghelijcke dingen: Ende om het preſent met behoorlijcke ſolemniteyten te doen, riep Amet 20. Slaven van ſijne Ouders ende Vrienden, onder de welcke ick oock was.Wy marcheerden d’ een na den anderen, yder met ſijn Schotel bedeckt, waer inde preſenten waren. Amet leyde de Slaven tot aende Deure van het Huys van zijn[176]Maiſtreſſe, alwaer ſy ghekomen ſijnde, bleef hy op de ſtraet, ende de Slaven gingen in het Huys, het welcke ghebout was op ſijn Italiaens met een vierkante plaets tuſſchen vier Galeryen. De toekomende Bruyt was geſeten op een Kuſſen van Root Fluweel, rijckelijck met Silver bewrocht, in ’t in komen van een kleyne Zael: Yder Slaef ſtelde zijn Schotel op de plaets die bereyt was om die te ontfangen, maeckende een groote reverentie aende toekomende Bruyt.De andere Slaven hadden Monſieur Caloen ende my geleert deſe woorden,eylaa,eylaa,eylaa, die wy over luyts moſten uyt roepen, na dat vvy alle de Schotels op de Aerde geſet hadden, het vvelcke ghedaen vvierde. Ende de Slaven van het Huys ſo Mans als Vrouvven antwoorden met de ſelfde Muſijck. Dat gedaen ſijnde dede vvy een groote reverentie, ende ginghen uyt het Huys.Amet vervvachte ons aende Deure, ende vvanneer ick voor by hem paſſeerde, ſeyde hy my in Spaens, Duynkercker is ſy ſchoon? Ick antwoorde, ſeer ſchoon, nemende de ſchoonheydt na de opinie van de Africanen, want ſy houden de Vrouwen ſchoon die vet zijn: Deſe tijdinghe behaegde[177]Amet ſeer wel, want hy hadde het aenſicht van zijn Maiſtreſſe noyt geſien, de maniere van het Landt is dat wanneer de Vrouwen langs de ſtraten gaen, hebben het aenſicht bedeckt met twee Doecken, de een die het voor-Hooft tot de Ooghen toe bedeckt, de ander die de gantſche Neus bedeckt. Wanneerſe thuys ſijn, ſijnſe ſoo ſcrupuleus voor de Chriſten Slaven niet: Want ſy ſegghen, dat de Chriſtenen blindt zijn: Maer indien een Mahometaen haer aenſicht bloot ſoude ſien, dat ſoude een groote ſonde ſijn, ende dat een jongh-Man een eerlijcke Dochter in het Huys van haer Ouders ſoude ſpreken, is geenſints toegelaten.Deſe maniere van leven dunckt my ſeer vreemt: Maer ſy is ſeer nootſakelijck in dat Landt wegen dequadeinclinatien van de Vrouwen: Want hoewel haer Mans met alle vlijt trachten haer Vrouwen ende Dochters in Huys te houden, vindenſe nochtans duyſent practijcken om in het badt te gaen, ofte om viſiten te doen, ofte onder pretext van devotie (welcke inventie oock in Europa genoeg bekent is) te viſiteren ſoodanigen Marabout ofte Santon; Ende onder dit pretext abandonneren ſy haer ſelven, wanneerſe occaſie vinden, aen allen den genen[178]dieſe reſcontreren, al waren het maer Guyten, Bedelaers, ende Sodomiten.

XV. VERHAEL.Van de maniere van Trouwen tot Argiers.

Myn Cameraet Ian Baptiſta Caloen woonde by een oude Vrouwe,de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, die een vande vijf Turcken was die tegens ons ſouden verwiſſelt worden. Deſen Moſtafa hadde een Broeder ghenaemt Amet Iugles, out 22. Iaren, maer ſeer ghedebaucheert, een Hoer-Jager, ende grooten Dronckaert, ſoo dat het leven dat deſen armen Turck voerde niet veel langher konde duyren ſonder hem ſelven te ruineren.De Groot-Moeder ende de Moeder van Amet wiſten hem ſoo wel te perſuaderen, dat hy haer beloofde de Wijn ende Hoeren, te verlaten, ende dat hy voortaen ſoude leven als een eerlijcke Mahometaen: Ende om te toonen dat hy op die maniere wilde leven, ſeyde hy haer, ick ben te vreden een Wijf te nemen. Dit begeeren na hy toonde, behaeghde de Groot-Moeder ende de Moeder ſeer wel, die aen Amet preſenteerden verſcheyde Dochters van qualiteyt,[175]ende onder andere eene die hem ſeer behaegde, om haer groote Rijckdom. Om dit Huwelijck te effectueren dede de Groot-Moeder van Amet de Ouders van de Dochter ſpreecken, ende Amet imployeerde tot Spion ende Afgeſante een oude Vrouwe, die inde principaelſte Huyſen zijde ſtoffen te verkoopen bracht.Deſe oude Vrouwe wiſte zijne ſaecken alſoo te wege te brenghen, dat de Dochter binnen weynigh daghen haer woort ingageerde: Sy wiſte oock de ſchoonheydt vande Dochter, ende hare deughden, manieren ende Rijckdom ſoo te beſchrijven, dat Amet van Liefde betoovert wierde door het diſcoureren van deſe oude Vrouwe: De Ouders van beyde zijden approbeerden het Huwelijck. Men ordonneerde een dagh voor de Bruyloft: De toekomende Bruydegom ſondt aen ſijn Maiſtreſſe een preſent van zijde Linten ende andere dierghelijcke dingen: Ende om het preſent met behoorlijcke ſolemniteyten te doen, riep Amet 20. Slaven van ſijne Ouders ende Vrienden, onder de welcke ick oock was.Wy marcheerden d’ een na den anderen, yder met ſijn Schotel bedeckt, waer inde preſenten waren. Amet leyde de Slaven tot aende Deure van het Huys van zijn[176]Maiſtreſſe, alwaer ſy ghekomen ſijnde, bleef hy op de ſtraet, ende de Slaven gingen in het Huys, het welcke ghebout was op ſijn Italiaens met een vierkante plaets tuſſchen vier Galeryen. De toekomende Bruyt was geſeten op een Kuſſen van Root Fluweel, rijckelijck met Silver bewrocht, in ’t in komen van een kleyne Zael: Yder Slaef ſtelde zijn Schotel op de plaets die bereyt was om die te ontfangen, maeckende een groote reverentie aende toekomende Bruyt.De andere Slaven hadden Monſieur Caloen ende my geleert deſe woorden,eylaa,eylaa,eylaa, die wy over luyts moſten uyt roepen, na dat vvy alle de Schotels op de Aerde geſet hadden, het vvelcke ghedaen vvierde. Ende de Slaven van het Huys ſo Mans als Vrouvven antwoorden met de ſelfde Muſijck. Dat gedaen ſijnde dede vvy een groote reverentie, ende ginghen uyt het Huys.Amet vervvachte ons aende Deure, ende vvanneer ick voor by hem paſſeerde, ſeyde hy my in Spaens, Duynkercker is ſy ſchoon? Ick antwoorde, ſeer ſchoon, nemende de ſchoonheydt na de opinie van de Africanen, want ſy houden de Vrouwen ſchoon die vet zijn: Deſe tijdinghe behaegde[177]Amet ſeer wel, want hy hadde het aenſicht van zijn Maiſtreſſe noyt geſien, de maniere van het Landt is dat wanneer de Vrouwen langs de ſtraten gaen, hebben het aenſicht bedeckt met twee Doecken, de een die het voor-Hooft tot de Ooghen toe bedeckt, de ander die de gantſche Neus bedeckt. Wanneerſe thuys ſijn, ſijnſe ſoo ſcrupuleus voor de Chriſten Slaven niet: Want ſy ſegghen, dat de Chriſtenen blindt zijn: Maer indien een Mahometaen haer aenſicht bloot ſoude ſien, dat ſoude een groote ſonde ſijn, ende dat een jongh-Man een eerlijcke Dochter in het Huys van haer Ouders ſoude ſpreken, is geenſints toegelaten.Deſe maniere van leven dunckt my ſeer vreemt: Maer ſy is ſeer nootſakelijck in dat Landt wegen dequadeinclinatien van de Vrouwen: Want hoewel haer Mans met alle vlijt trachten haer Vrouwen ende Dochters in Huys te houden, vindenſe nochtans duyſent practijcken om in het badt te gaen, ofte om viſiten te doen, ofte onder pretext van devotie (welcke inventie oock in Europa genoeg bekent is) te viſiteren ſoodanigen Marabout ofte Santon; Ende onder dit pretext abandonneren ſy haer ſelven, wanneerſe occaſie vinden, aen allen den genen[178]dieſe reſcontreren, al waren het maer Guyten, Bedelaers, ende Sodomiten.

Myn Cameraet Ian Baptiſta Caloen woonde by een oude Vrouwe,de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, die een vande vijf Turcken was die tegens ons ſouden verwiſſelt worden. Deſen Moſtafa hadde een Broeder ghenaemt Amet Iugles, out 22. Iaren, maer ſeer ghedebaucheert, een Hoer-Jager, ende grooten Dronckaert, ſoo dat het leven dat deſen armen Turck voerde niet veel langher konde duyren ſonder hem ſelven te ruineren.

De Groot-Moeder ende de Moeder van Amet wiſten hem ſoo wel te perſuaderen, dat hy haer beloofde de Wijn ende Hoeren, te verlaten, ende dat hy voortaen ſoude leven als een eerlijcke Mahometaen: Ende om te toonen dat hy op die maniere wilde leven, ſeyde hy haer, ick ben te vreden een Wijf te nemen. Dit begeeren na hy toonde, behaeghde de Groot-Moeder ende de Moeder ſeer wel, die aen Amet preſenteerden verſcheyde Dochters van qualiteyt,[175]ende onder andere eene die hem ſeer behaegde, om haer groote Rijckdom. Om dit Huwelijck te effectueren dede de Groot-Moeder van Amet de Ouders van de Dochter ſpreecken, ende Amet imployeerde tot Spion ende Afgeſante een oude Vrouwe, die inde principaelſte Huyſen zijde ſtoffen te verkoopen bracht.

Deſe oude Vrouwe wiſte zijne ſaecken alſoo te wege te brenghen, dat de Dochter binnen weynigh daghen haer woort ingageerde: Sy wiſte oock de ſchoonheydt vande Dochter, ende hare deughden, manieren ende Rijckdom ſoo te beſchrijven, dat Amet van Liefde betoovert wierde door het diſcoureren van deſe oude Vrouwe: De Ouders van beyde zijden approbeerden het Huwelijck. Men ordonneerde een dagh voor de Bruyloft: De toekomende Bruydegom ſondt aen ſijn Maiſtreſſe een preſent van zijde Linten ende andere dierghelijcke dingen: Ende om het preſent met behoorlijcke ſolemniteyten te doen, riep Amet 20. Slaven van ſijne Ouders ende Vrienden, onder de welcke ick oock was.

Wy marcheerden d’ een na den anderen, yder met ſijn Schotel bedeckt, waer inde preſenten waren. Amet leyde de Slaven tot aende Deure van het Huys van zijn[176]Maiſtreſſe, alwaer ſy ghekomen ſijnde, bleef hy op de ſtraet, ende de Slaven gingen in het Huys, het welcke ghebout was op ſijn Italiaens met een vierkante plaets tuſſchen vier Galeryen. De toekomende Bruyt was geſeten op een Kuſſen van Root Fluweel, rijckelijck met Silver bewrocht, in ’t in komen van een kleyne Zael: Yder Slaef ſtelde zijn Schotel op de plaets die bereyt was om die te ontfangen, maeckende een groote reverentie aende toekomende Bruyt.

De andere Slaven hadden Monſieur Caloen ende my geleert deſe woorden,eylaa,eylaa,eylaa, die wy over luyts moſten uyt roepen, na dat vvy alle de Schotels op de Aerde geſet hadden, het vvelcke ghedaen vvierde. Ende de Slaven van het Huys ſo Mans als Vrouvven antwoorden met de ſelfde Muſijck. Dat gedaen ſijnde dede vvy een groote reverentie, ende ginghen uyt het Huys.

Amet vervvachte ons aende Deure, ende vvanneer ick voor by hem paſſeerde, ſeyde hy my in Spaens, Duynkercker is ſy ſchoon? Ick antwoorde, ſeer ſchoon, nemende de ſchoonheydt na de opinie van de Africanen, want ſy houden de Vrouwen ſchoon die vet zijn: Deſe tijdinghe behaegde[177]Amet ſeer wel, want hy hadde het aenſicht van zijn Maiſtreſſe noyt geſien, de maniere van het Landt is dat wanneer de Vrouwen langs de ſtraten gaen, hebben het aenſicht bedeckt met twee Doecken, de een die het voor-Hooft tot de Ooghen toe bedeckt, de ander die de gantſche Neus bedeckt. Wanneerſe thuys ſijn, ſijnſe ſoo ſcrupuleus voor de Chriſten Slaven niet: Want ſy ſegghen, dat de Chriſtenen blindt zijn: Maer indien een Mahometaen haer aenſicht bloot ſoude ſien, dat ſoude een groote ſonde ſijn, ende dat een jongh-Man een eerlijcke Dochter in het Huys van haer Ouders ſoude ſpreken, is geenſints toegelaten.

Deſe maniere van leven dunckt my ſeer vreemt: Maer ſy is ſeer nootſakelijck in dat Landt wegen dequadeinclinatien van de Vrouwen: Want hoewel haer Mans met alle vlijt trachten haer Vrouwen ende Dochters in Huys te houden, vindenſe nochtans duyſent practijcken om in het badt te gaen, ofte om viſiten te doen, ofte onder pretext van devotie (welcke inventie oock in Europa genoeg bekent is) te viſiteren ſoodanigen Marabout ofte Santon; Ende onder dit pretext abandonneren ſy haer ſelven, wanneerſe occaſie vinden, aen allen den genen[178]dieſe reſcontreren, al waren het maer Guyten, Bedelaers, ende Sodomiten.

[Inhoud]XVI. VERHAEL.De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande vernuftigheydt.Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien uren genoodight, met conditie dat hy met hem[179]voor den eten een keer inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren, ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen, ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te drincken.Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemtTerrevechia, ende Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende[180]oftſe geen Yſer te verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande Slaven vande Galeyen.Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, endeleydeterſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael Alli Pegelin, de welcke[181]inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam. Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van achten bleven by Fontimama.Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten[182]van Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe, Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven, wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven: Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde. Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op[183]de geſtelde tijdt; Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden: Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt: Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden: Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in is. Men noemt ſoodanige Luyden in SpaensVidas. Deſen Rodrigo ſocht zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort ghemaeckt wierde.[184]Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam. Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde[185]de Secreten vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh hiel hy zijn leven op.Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde, wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden, ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van achten van.Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe[186]haer oock met Vrouwen ende de Wijn.Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden, maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven, uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het rantſoen.Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by haer loon. Maer gy[187]moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts, de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de Slaven ſijn Zee-Luyden.Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont[188]’t gene onder de Slaven paſſeerde, ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de Menſchen te leeren leven.

XVI. VERHAEL.De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande vernuftigheydt.

Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien uren genoodight, met conditie dat hy met hem[179]voor den eten een keer inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren, ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen, ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te drincken.Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemtTerrevechia, ende Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende[180]oftſe geen Yſer te verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande Slaven vande Galeyen.Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, endeleydeterſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael Alli Pegelin, de welcke[181]inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam. Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van achten bleven by Fontimama.Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten[182]van Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe, Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven, wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven: Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde. Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op[183]de geſtelde tijdt; Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden: Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt: Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden: Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in is. Men noemt ſoodanige Luyden in SpaensVidas. Deſen Rodrigo ſocht zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort ghemaeckt wierde.[184]Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam. Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde[185]de Secreten vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh hiel hy zijn leven op.Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde, wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden, ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van achten van.Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe[186]haer oock met Vrouwen ende de Wijn.Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden, maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven, uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het rantſoen.Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by haer loon. Maer gy[187]moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts, de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de Slaven ſijn Zee-Luyden.Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont[188]’t gene onder de Slaven paſſeerde, ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de Menſchen te leeren leven.

Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.

Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.

Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien uren genoodight, met conditie dat hy met hem[179]voor den eten een keer inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren, ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen, ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te drincken.

Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemtTerrevechia, ende Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende[180]oftſe geen Yſer te verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande Slaven vande Galeyen.

Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, endeleydeterſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael Alli Pegelin, de welcke[181]inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam. Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van achten bleven by Fontimama.

Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten[182]van Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe, Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven, wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven: Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.

Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde. Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op[183]de geſtelde tijdt; Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden: Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt: Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.

Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden: Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in is. Men noemt ſoodanige Luyden in SpaensVidas. Deſen Rodrigo ſocht zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort ghemaeckt wierde.[184]

Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam. Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.

Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde[185]de Secreten vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh hiel hy zijn leven op.

Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde, wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden, ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van achten van.

Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe[186]haer oock met Vrouwen ende de Wijn.

Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden, maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.

Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven, uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het rantſoen.

Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by haer loon. Maer gy[187]moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts, de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de Slaven ſijn Zee-Luyden.

Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont[188]’t gene onder de Slaven paſſeerde, ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de Menſchen te leeren leven.

[Inhoud]XVII. VERHAEL.Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van Alli Pegelin.In het Iaer 1641. was in Argiers Slaef een Pater Carmelijt, in wien men klaerlijck ſagh dat de goede opvoedinghe ende wijſheydt zijne leere gouverneerden. Deſen Eerwaerdigen Pater was genaemt Pater Angeli, van Genua Gebooren, ende hadde door ordre van zijn Overſte eenige Iaren in Perſia gereſideert, gelijck hy menigmael vertelt heeft. In ’t wederkeeren na Italien door Turckien met paſpoort van den Grooten Heere, wierde hy vande Zee-Roovers genomen, met zijn compagnon, die een Portugijs was. Men brocht deſe twee Religieuſe Perſonen voor de Baſſa; Sy thoonden haer paſpoort, maer te vergeefs:[189]Want de Baſſa ſeyde haer, ſchrijft na Conſtantinopelen, ende klaecht over my, indien het u goet dunckt: Men moet de onrechtveerdigheydt met patientie verdraghen. Men verkochtſe, Pegelin kochtſe, ende ſondtſe inde Bain by de andere Slaven.Deſen Religieus ſeyde dagelijcks Miſſe inde Kerck van de Bain, doende de Kerckelijcke bedieninghen: Ende in weynigh tijdts, ick en wete niet door wat ſecrete inclinatie behaeghde hy yder een, niet alleen de Catholijcken, maer oock de Lutherianen, Calviniſten, Puriteynen, Schiſmatijcken, ende Nicolaiten: Want de Bain vvas van alle deſe ſoorten verſien.Wanneer deſen goeden Pater paſſeerde ter plaetſe daer de Slaven aten, badenſe hem alle by haer te eten, ſelfs oock de Moſcoviters ende Ruſſen, de welcke door een naturelijcke tegenſtrijdinge ſchijnen uyt hare Herte allerley courtoiſie ende civiliteyt gebannen te hebben. Indiender inde Bain eenigh verſchil tuſſchen de Slaven was, van wat Natie die waren, dede hy haer accorderen: Sijnde ſoo ſeltſame dinghen, dat de Seghen Godts ſcheen haer woonplaetſe ende reſidentie in het Herte vanden Religieus genomen te hebben. Indiender eenige[190]Slaef ſieck was, hadde Pater Angeli ſorge dat de ſiecke eenige leckere Koſt mochte te eten hebben. Indien eenighe Slaef hem quam bekennen dat hy in noodt was, gaf Pater Angeli hem een Aelmoes, ende hem ghebrack nimmermeer Gelt door de gunſte van eenighe Godtvruchtighe Slaven die hem met Aelmoeſſen voorſaghen om die te diſtribueren: Soo dat de deughden van deſen Religieus hem deden eſtimeren voor een Heylig Man onder de Turcken ſelfs.Pegelin hebbende verſtaen de gheruchte van deſen goeden Man, dede hem op een ſeeckeren dag by hem komen: Als ſijnde zijn Slaef, was hy hem gehoorſaem, vragende met een goede gratie, ofter yets was daer in hy hem ſoude konnen dienen: Pegelin antwoorde hem, Papas (ſoo noemen de Turcken de Prieſters) ick verſta dat gy een deugtſaem ende geleert Man ſijt, ende dat ghy goede ſatisfactie kondt geven van ’t ghene datmen u vraeght, ghy moet my ſatisfactie gheven van een dingh dat ick begerig ben u te vragen. Den goeden Angeli antwoorde, ick ben Slaef van uwe Signorie, mijn ſchuldige plicht is u gehoorſaem te zijn. Doen vraeghde hem Pegelin, wat ſal van my bekomen? Seght doch wat u daer van dunckt. Hy antwoorde:[191]Uwe Signorie is Capiteyn Generael van de Galeyen, ende ick ben een arme Religieus: Uwe Signorie is mijn Patroon, ende ick zijn Slaef: My dunckt dat ſulcks ſoude zijn te buyten gaen het reſpect die ick uwe Signorie ſchuldigh ben. Dit compliment behaegde Pegelin ſeer wel, want de Turcken begeeren dat men haer reſpectere: Pegelin ſeyde: Ick ſal het niet qualijck af nemen, hem bevelende dat hy ſoude ſegghen ’t gene hy van hem docht. Den goeden Pater Angeli ſiende dat hy aengedrongen wierde, ſeyde vry uyt: My vertrouwende op uwe Signorie, ſal ick u ſeggen ’t gene ick dencke. Ick geloove vaſtelijck, dat de Duyvel u ſal wegh halen. Pegelin antwoorde, waerom? Den goeden Religieus antwoorde; Ten eerſten hebt gy geen Religie, ende gy denckt nergens anders op, als de Chriſtenen te berooven ende te beſtelen; Gy doet geen wercken van Godtſaligheydt, ende veel minder van barmhertigheydt: Gy leeft als ofter geen Rechtveerdige Godt en ware, ja gy ſpot ſelfs met den Alcoran, ende met het ghene ’t welck de ſelfde de Mahometanen beveelt: Gy komt nimmermeer inde Meſquite: Gy leeſt nimmermeer uwe Aſſala: Want hy en las niet alleen de Aſſala, maer dat meer is, wanneer[192]hy in het Huys vande Baſſa inde Zael van audientie was, vvierde my geſeyt, dat vvanneer de Moor uyt riep (het vvelcke een teecken is om te bidden, gelijck in het Chriſtenrijck de Klocke) deckte hy zijn Aenſicht met ſijn Neuſdoeck: Ende ick gheloove dat hy dat dede om ſich te vvachten van lacchen over hare ceremonien. Ten laetſten verklaerde de Pater zijn leven van punt tot punt, toonende klaerlijck dat Pegelin voor zijn eenige Religie hadde een onverſadelijcke gierigheydt, ſonder oyt te dencken op de ſaligheyt van zijn Ziele.Dit diſcours gedaen ſijnde, ſeyde Pegelin tot hem al lacchende; Papas, vvanneer ſal dit zijn dat de Duyvel my ſalvvechhalen: Pater Angeli antvvoorde; Soo drae als gy ſult ſterven, ende dat u Ziele dit miſerabel Lichaem ſal verlaten. Pegelin repliceerde: Soo veel als mijn doodt aengaet, dat is noch een langh proces, ende ſoo langh als ick ſal leven, vvil ick mijn dienen vanden goeden tijdt die ick hebbe, ende na mijn doodt, laet de Duyvel met my doen dat hy vvil: Ende daer mede ſont hy den Religieus vvederom inde Bain.Ghy ſiet by ’t ghene ick gheſeydt hebbe datmen aen de Grooten ende de Godtlooſen vvel de vvaerheydt mach ſegghen ſonder[193]eenig perijckel, wanneer wijſheydt bequame tijdt ende ſtont daer toe ſal verkoren hebben.

XVII. VERHAEL.Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van Alli Pegelin.

In het Iaer 1641. was in Argiers Slaef een Pater Carmelijt, in wien men klaerlijck ſagh dat de goede opvoedinghe ende wijſheydt zijne leere gouverneerden. Deſen Eerwaerdigen Pater was genaemt Pater Angeli, van Genua Gebooren, ende hadde door ordre van zijn Overſte eenige Iaren in Perſia gereſideert, gelijck hy menigmael vertelt heeft. In ’t wederkeeren na Italien door Turckien met paſpoort van den Grooten Heere, wierde hy vande Zee-Roovers genomen, met zijn compagnon, die een Portugijs was. Men brocht deſe twee Religieuſe Perſonen voor de Baſſa; Sy thoonden haer paſpoort, maer te vergeefs:[189]Want de Baſſa ſeyde haer, ſchrijft na Conſtantinopelen, ende klaecht over my, indien het u goet dunckt: Men moet de onrechtveerdigheydt met patientie verdraghen. Men verkochtſe, Pegelin kochtſe, ende ſondtſe inde Bain by de andere Slaven.Deſen Religieus ſeyde dagelijcks Miſſe inde Kerck van de Bain, doende de Kerckelijcke bedieninghen: Ende in weynigh tijdts, ick en wete niet door wat ſecrete inclinatie behaeghde hy yder een, niet alleen de Catholijcken, maer oock de Lutherianen, Calviniſten, Puriteynen, Schiſmatijcken, ende Nicolaiten: Want de Bain vvas van alle deſe ſoorten verſien.Wanneer deſen goeden Pater paſſeerde ter plaetſe daer de Slaven aten, badenſe hem alle by haer te eten, ſelfs oock de Moſcoviters ende Ruſſen, de welcke door een naturelijcke tegenſtrijdinge ſchijnen uyt hare Herte allerley courtoiſie ende civiliteyt gebannen te hebben. Indiender inde Bain eenigh verſchil tuſſchen de Slaven was, van wat Natie die waren, dede hy haer accorderen: Sijnde ſoo ſeltſame dinghen, dat de Seghen Godts ſcheen haer woonplaetſe ende reſidentie in het Herte vanden Religieus genomen te hebben. Indiender eenige[190]Slaef ſieck was, hadde Pater Angeli ſorge dat de ſiecke eenige leckere Koſt mochte te eten hebben. Indien eenighe Slaef hem quam bekennen dat hy in noodt was, gaf Pater Angeli hem een Aelmoes, ende hem ghebrack nimmermeer Gelt door de gunſte van eenighe Godtvruchtighe Slaven die hem met Aelmoeſſen voorſaghen om die te diſtribueren: Soo dat de deughden van deſen Religieus hem deden eſtimeren voor een Heylig Man onder de Turcken ſelfs.Pegelin hebbende verſtaen de gheruchte van deſen goeden Man, dede hem op een ſeeckeren dag by hem komen: Als ſijnde zijn Slaef, was hy hem gehoorſaem, vragende met een goede gratie, ofter yets was daer in hy hem ſoude konnen dienen: Pegelin antwoorde hem, Papas (ſoo noemen de Turcken de Prieſters) ick verſta dat gy een deugtſaem ende geleert Man ſijt, ende dat ghy goede ſatisfactie kondt geven van ’t ghene datmen u vraeght, ghy moet my ſatisfactie gheven van een dingh dat ick begerig ben u te vragen. Den goeden Angeli antwoorde, ick ben Slaef van uwe Signorie, mijn ſchuldige plicht is u gehoorſaem te zijn. Doen vraeghde hem Pegelin, wat ſal van my bekomen? Seght doch wat u daer van dunckt. Hy antwoorde:[191]Uwe Signorie is Capiteyn Generael van de Galeyen, ende ick ben een arme Religieus: Uwe Signorie is mijn Patroon, ende ick zijn Slaef: My dunckt dat ſulcks ſoude zijn te buyten gaen het reſpect die ick uwe Signorie ſchuldigh ben. Dit compliment behaegde Pegelin ſeer wel, want de Turcken begeeren dat men haer reſpectere: Pegelin ſeyde: Ick ſal het niet qualijck af nemen, hem bevelende dat hy ſoude ſegghen ’t gene hy van hem docht. Den goeden Pater Angeli ſiende dat hy aengedrongen wierde, ſeyde vry uyt: My vertrouwende op uwe Signorie, ſal ick u ſeggen ’t gene ick dencke. Ick geloove vaſtelijck, dat de Duyvel u ſal wegh halen. Pegelin antwoorde, waerom? Den goeden Religieus antwoorde; Ten eerſten hebt gy geen Religie, ende gy denckt nergens anders op, als de Chriſtenen te berooven ende te beſtelen; Gy doet geen wercken van Godtſaligheydt, ende veel minder van barmhertigheydt: Gy leeft als ofter geen Rechtveerdige Godt en ware, ja gy ſpot ſelfs met den Alcoran, ende met het ghene ’t welck de ſelfde de Mahometanen beveelt: Gy komt nimmermeer inde Meſquite: Gy leeſt nimmermeer uwe Aſſala: Want hy en las niet alleen de Aſſala, maer dat meer is, wanneer[192]hy in het Huys vande Baſſa inde Zael van audientie was, vvierde my geſeyt, dat vvanneer de Moor uyt riep (het vvelcke een teecken is om te bidden, gelijck in het Chriſtenrijck de Klocke) deckte hy zijn Aenſicht met ſijn Neuſdoeck: Ende ick gheloove dat hy dat dede om ſich te vvachten van lacchen over hare ceremonien. Ten laetſten verklaerde de Pater zijn leven van punt tot punt, toonende klaerlijck dat Pegelin voor zijn eenige Religie hadde een onverſadelijcke gierigheydt, ſonder oyt te dencken op de ſaligheyt van zijn Ziele.Dit diſcours gedaen ſijnde, ſeyde Pegelin tot hem al lacchende; Papas, vvanneer ſal dit zijn dat de Duyvel my ſalvvechhalen: Pater Angeli antvvoorde; Soo drae als gy ſult ſterven, ende dat u Ziele dit miſerabel Lichaem ſal verlaten. Pegelin repliceerde: Soo veel als mijn doodt aengaet, dat is noch een langh proces, ende ſoo langh als ick ſal leven, vvil ick mijn dienen vanden goeden tijdt die ick hebbe, ende na mijn doodt, laet de Duyvel met my doen dat hy vvil: Ende daer mede ſont hy den Religieus vvederom inde Bain.Ghy ſiet by ’t ghene ick gheſeydt hebbe datmen aen de Grooten ende de Godtlooſen vvel de vvaerheydt mach ſegghen ſonder[193]eenig perijckel, wanneer wijſheydt bequame tijdt ende ſtont daer toe ſal verkoren hebben.

In het Iaer 1641. was in Argiers Slaef een Pater Carmelijt, in wien men klaerlijck ſagh dat de goede opvoedinghe ende wijſheydt zijne leere gouverneerden. Deſen Eerwaerdigen Pater was genaemt Pater Angeli, van Genua Gebooren, ende hadde door ordre van zijn Overſte eenige Iaren in Perſia gereſideert, gelijck hy menigmael vertelt heeft. In ’t wederkeeren na Italien door Turckien met paſpoort van den Grooten Heere, wierde hy vande Zee-Roovers genomen, met zijn compagnon, die een Portugijs was. Men brocht deſe twee Religieuſe Perſonen voor de Baſſa; Sy thoonden haer paſpoort, maer te vergeefs:[189]Want de Baſſa ſeyde haer, ſchrijft na Conſtantinopelen, ende klaecht over my, indien het u goet dunckt: Men moet de onrechtveerdigheydt met patientie verdraghen. Men verkochtſe, Pegelin kochtſe, ende ſondtſe inde Bain by de andere Slaven.

Deſen Religieus ſeyde dagelijcks Miſſe inde Kerck van de Bain, doende de Kerckelijcke bedieninghen: Ende in weynigh tijdts, ick en wete niet door wat ſecrete inclinatie behaeghde hy yder een, niet alleen de Catholijcken, maer oock de Lutherianen, Calviniſten, Puriteynen, Schiſmatijcken, ende Nicolaiten: Want de Bain vvas van alle deſe ſoorten verſien.

Wanneer deſen goeden Pater paſſeerde ter plaetſe daer de Slaven aten, badenſe hem alle by haer te eten, ſelfs oock de Moſcoviters ende Ruſſen, de welcke door een naturelijcke tegenſtrijdinge ſchijnen uyt hare Herte allerley courtoiſie ende civiliteyt gebannen te hebben. Indiender inde Bain eenigh verſchil tuſſchen de Slaven was, van wat Natie die waren, dede hy haer accorderen: Sijnde ſoo ſeltſame dinghen, dat de Seghen Godts ſcheen haer woonplaetſe ende reſidentie in het Herte vanden Religieus genomen te hebben. Indiender eenige[190]Slaef ſieck was, hadde Pater Angeli ſorge dat de ſiecke eenige leckere Koſt mochte te eten hebben. Indien eenighe Slaef hem quam bekennen dat hy in noodt was, gaf Pater Angeli hem een Aelmoes, ende hem ghebrack nimmermeer Gelt door de gunſte van eenighe Godtvruchtighe Slaven die hem met Aelmoeſſen voorſaghen om die te diſtribueren: Soo dat de deughden van deſen Religieus hem deden eſtimeren voor een Heylig Man onder de Turcken ſelfs.

Pegelin hebbende verſtaen de gheruchte van deſen goeden Man, dede hem op een ſeeckeren dag by hem komen: Als ſijnde zijn Slaef, was hy hem gehoorſaem, vragende met een goede gratie, ofter yets was daer in hy hem ſoude konnen dienen: Pegelin antwoorde hem, Papas (ſoo noemen de Turcken de Prieſters) ick verſta dat gy een deugtſaem ende geleert Man ſijt, ende dat ghy goede ſatisfactie kondt geven van ’t ghene datmen u vraeght, ghy moet my ſatisfactie gheven van een dingh dat ick begerig ben u te vragen. Den goeden Angeli antwoorde, ick ben Slaef van uwe Signorie, mijn ſchuldige plicht is u gehoorſaem te zijn. Doen vraeghde hem Pegelin, wat ſal van my bekomen? Seght doch wat u daer van dunckt. Hy antwoorde:[191]Uwe Signorie is Capiteyn Generael van de Galeyen, ende ick ben een arme Religieus: Uwe Signorie is mijn Patroon, ende ick zijn Slaef: My dunckt dat ſulcks ſoude zijn te buyten gaen het reſpect die ick uwe Signorie ſchuldigh ben. Dit compliment behaegde Pegelin ſeer wel, want de Turcken begeeren dat men haer reſpectere: Pegelin ſeyde: Ick ſal het niet qualijck af nemen, hem bevelende dat hy ſoude ſegghen ’t gene hy van hem docht. Den goeden Pater Angeli ſiende dat hy aengedrongen wierde, ſeyde vry uyt: My vertrouwende op uwe Signorie, ſal ick u ſeggen ’t gene ick dencke. Ick geloove vaſtelijck, dat de Duyvel u ſal wegh halen. Pegelin antwoorde, waerom? Den goeden Religieus antwoorde; Ten eerſten hebt gy geen Religie, ende gy denckt nergens anders op, als de Chriſtenen te berooven ende te beſtelen; Gy doet geen wercken van Godtſaligheydt, ende veel minder van barmhertigheydt: Gy leeft als ofter geen Rechtveerdige Godt en ware, ja gy ſpot ſelfs met den Alcoran, ende met het ghene ’t welck de ſelfde de Mahometanen beveelt: Gy komt nimmermeer inde Meſquite: Gy leeſt nimmermeer uwe Aſſala: Want hy en las niet alleen de Aſſala, maer dat meer is, wanneer[192]hy in het Huys vande Baſſa inde Zael van audientie was, vvierde my geſeyt, dat vvanneer de Moor uyt riep (het vvelcke een teecken is om te bidden, gelijck in het Chriſtenrijck de Klocke) deckte hy zijn Aenſicht met ſijn Neuſdoeck: Ende ick gheloove dat hy dat dede om ſich te vvachten van lacchen over hare ceremonien. Ten laetſten verklaerde de Pater zijn leven van punt tot punt, toonende klaerlijck dat Pegelin voor zijn eenige Religie hadde een onverſadelijcke gierigheydt, ſonder oyt te dencken op de ſaligheyt van zijn Ziele.

Dit diſcours gedaen ſijnde, ſeyde Pegelin tot hem al lacchende; Papas, vvanneer ſal dit zijn dat de Duyvel my ſalvvechhalen: Pater Angeli antvvoorde; Soo drae als gy ſult ſterven, ende dat u Ziele dit miſerabel Lichaem ſal verlaten. Pegelin repliceerde: Soo veel als mijn doodt aengaet, dat is noch een langh proces, ende ſoo langh als ick ſal leven, vvil ick mijn dienen vanden goeden tijdt die ick hebbe, ende na mijn doodt, laet de Duyvel met my doen dat hy vvil: Ende daer mede ſont hy den Religieus vvederom inde Bain.

Ghy ſiet by ’t ghene ick gheſeydt hebbe datmen aen de Grooten ende de Godtlooſen vvel de vvaerheydt mach ſegghen ſonder[193]eenig perijckel, wanneer wijſheydt bequame tijdt ende ſtont daer toe ſal verkoren hebben.

[Inhoud]XVIII. VERHAEL.Het ghebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa.Yemant met vergift om te brengen is een ſeer gemeene miſdaedt in Africa. Wanneer ick tot Argiers was, hadden de Zee-Roovers een Fregat ghenomen die tot Duynkercke gemaect was. Dit gebouſel behaeghde alle de Vrybuyterſe Capiteynen ſeer wel, ende yeder van haer wilde die hebben. Maer alſoo de Baſſa voor zijn recht van acht Chriſtenen eenen heeft, ende van yder Schip de helft, hadde de broeder vande Baſſa, die een Vrybuyterſe Capiteyn was, de Fregat. Waer over den vermaerden Capiteyn den grooten Moor (vanden welcken ick hier voren geſproken hebbe) nijdigh ende qualijck te vrede was: Seggende in volle compagnie, datmen hem ongelijck ghedaen hadde, dat men hem die Fregatte niet ghelaten hadde, mits daer[194]voor betalende als hy gheboden hadde. Dat de Broeder van de Baſſa nergens goe voor en was, als om de Buyt te deelen, en de hy om de ſelfde te nemen met een Rappier inde Handt.Dit diſcours wierde gerapporteert aen de Broeder van de Baſſa, die daer over ſeer vertoornt was, ende middel ſocht ſich daer over te wreecken. Om hem in Duel te roepen, vermochte hy niet, door dien het de maniere niet en is, de partye vanden grooten Moor ende hem was niet gelijck, want hy was te ſwack voor ſoo grooten Vyandt. Hy veynſde zijn gramſchap, ende eenighe daghen daer na noodighde hy den Grooten Moor met noch eenige andere Capiteynen ’s middaghs ten eten, haer gevende de grootſte cier alſmen konde bedencken om te beter het quaet van ſijn Herte te bedecken.Het middaghmael gedaen ſijnde, retireerde ſich yeder een, den Grooten Moor thuys gekomen ſijnde, voelde ſijn Maegh uyt der maten ghealtereert: Hy riep een van zijn Slaven die een Chirurgijn was, ende ſeyde hem; Ghy moet my terſtont wat remedie geven, want ick gevoele dat ick vergeven ben. Den Chirurgijn ſeer ervaren in ſijn Konſt, gaf hem terſtont een goede[195]quantiteyt Melck te drincken, ende ſiende dat de Melck in ’t Lijf bleef, dede hy zijn Hooft om laegh houden, ende ten laetſten quam de Melck uyt met het vergift, ende ſoo wierde den Grooten Moor geneſen, ende de Broeder van de Baſſa beſpot om dat hy het Vergift op de maniere van Africa niet hadde konnen toebereyden: De welcke ſoodanigh is dat het zijn effect niet en doe als eenigen tijdt daer na. Dit langhſaem Vergift is de oorſaecke waerom veele Spaignaerts ende Italianen het Chriſtelijcke Geloof verſaecken. De reden is, dat veele Turcken haer begeven tot de vervloeckelijcke Sonde, ende de Vrouwen debaucheren haer met de Slaven. Eyndelijck ſeggen ſy haer: Indien gy u Geloof wilt verſaecken, ſal ick u Trouwen, ende in plaetſe van een arme Slaef u maecken een Rijck Meeſter van dit Huys: Deſe beloften ſijn ſchoon, ende alſoo het meeſtendeel van de Slaven van gheboorte Zee-Luyden zijn, die in haer Landt arm ſijn, ende die haer leven met arbeyden moeten winnen, laten ſy haer-luyden op deſe ſchoone apparentie van vryheydt, ende van Rijckdommen, ende op de ſollicitatien van een ſchoone Vrouwe, ende voor het tijdelijcke goet laten ſy het eeuwige. De Vrouwen geven[196]dan aen haer Mans een langhſaem Vergift, ende Trouwen met de Gerenegeerde Slaef. De Juſtitie en doet geen ſcherpe onderſoeckinge van deſe ſlagh van miſdaden: Daer zijnder veel die haer roemen datſe in deſe Konſt excelleren.Het gedenckt my dat ick twee Gerenegeerde Franſen te ſamen hoorde diſcoureren, d’ een ſeggende tot de andere. Gaet ghy noch uwe Hoere ſoecken: d’ Andere ſeyde, ja: Maer het ſal niet langh duyren, ick bender moede van, ick hebbe de remedie in mijn Koffer om my daer van te ontlaſten. Ick hebbe mede gheſien wanneer ick Slaef van Pegelin was, dat onſe Meeſter een groote Feeſt maeckte in zijn Plaiſier-Huys buyten de Stadt, ende tot een grooter pracht dedemen de Koſt draghen door 250. Slaven (onder de welcke ick die ghene was die een Schotel met Noten droegh:) Deſe Slaven marcheerden in ordre twintigh te gelijck: Daer waſſer een die een Mande droegh bedeckt met een Zijden doeck, ende in die Mande was Broot ofte eenige Paſteyen. De genoodighde waren de vermaertſte Capiteynen, ende de Rijckſte Reeders van Schepen. De Baſſa was daer oock met eenige van zijne voornaemſte Favoryten: Maer 20. van zijne[197]Slaven brochten zijn eyghen Koſt ende dranck, want hy vertrouwde Pegelin niet: Nochtans wierde dat niet qualijck ghenomen. Het ſoude ſomwijlen beter zijn by een Alarbe in Africa te eten, als ghenoodigt te zijn op het Feeſt van ſo Groote Heeren.

XVIII. VERHAEL.Het ghebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa.

Yemant met vergift om te brengen is een ſeer gemeene miſdaedt in Africa. Wanneer ick tot Argiers was, hadden de Zee-Roovers een Fregat ghenomen die tot Duynkercke gemaect was. Dit gebouſel behaeghde alle de Vrybuyterſe Capiteynen ſeer wel, ende yeder van haer wilde die hebben. Maer alſoo de Baſſa voor zijn recht van acht Chriſtenen eenen heeft, ende van yder Schip de helft, hadde de broeder vande Baſſa, die een Vrybuyterſe Capiteyn was, de Fregat. Waer over den vermaerden Capiteyn den grooten Moor (vanden welcken ick hier voren geſproken hebbe) nijdigh ende qualijck te vrede was: Seggende in volle compagnie, datmen hem ongelijck ghedaen hadde, dat men hem die Fregatte niet ghelaten hadde, mits daer[194]voor betalende als hy gheboden hadde. Dat de Broeder van de Baſſa nergens goe voor en was, als om de Buyt te deelen, en de hy om de ſelfde te nemen met een Rappier inde Handt.Dit diſcours wierde gerapporteert aen de Broeder van de Baſſa, die daer over ſeer vertoornt was, ende middel ſocht ſich daer over te wreecken. Om hem in Duel te roepen, vermochte hy niet, door dien het de maniere niet en is, de partye vanden grooten Moor ende hem was niet gelijck, want hy was te ſwack voor ſoo grooten Vyandt. Hy veynſde zijn gramſchap, ende eenighe daghen daer na noodighde hy den Grooten Moor met noch eenige andere Capiteynen ’s middaghs ten eten, haer gevende de grootſte cier alſmen konde bedencken om te beter het quaet van ſijn Herte te bedecken.Het middaghmael gedaen ſijnde, retireerde ſich yeder een, den Grooten Moor thuys gekomen ſijnde, voelde ſijn Maegh uyt der maten ghealtereert: Hy riep een van zijn Slaven die een Chirurgijn was, ende ſeyde hem; Ghy moet my terſtont wat remedie geven, want ick gevoele dat ick vergeven ben. Den Chirurgijn ſeer ervaren in ſijn Konſt, gaf hem terſtont een goede[195]quantiteyt Melck te drincken, ende ſiende dat de Melck in ’t Lijf bleef, dede hy zijn Hooft om laegh houden, ende ten laetſten quam de Melck uyt met het vergift, ende ſoo wierde den Grooten Moor geneſen, ende de Broeder van de Baſſa beſpot om dat hy het Vergift op de maniere van Africa niet hadde konnen toebereyden: De welcke ſoodanigh is dat het zijn effect niet en doe als eenigen tijdt daer na. Dit langhſaem Vergift is de oorſaecke waerom veele Spaignaerts ende Italianen het Chriſtelijcke Geloof verſaecken. De reden is, dat veele Turcken haer begeven tot de vervloeckelijcke Sonde, ende de Vrouwen debaucheren haer met de Slaven. Eyndelijck ſeggen ſy haer: Indien gy u Geloof wilt verſaecken, ſal ick u Trouwen, ende in plaetſe van een arme Slaef u maecken een Rijck Meeſter van dit Huys: Deſe beloften ſijn ſchoon, ende alſoo het meeſtendeel van de Slaven van gheboorte Zee-Luyden zijn, die in haer Landt arm ſijn, ende die haer leven met arbeyden moeten winnen, laten ſy haer-luyden op deſe ſchoone apparentie van vryheydt, ende van Rijckdommen, ende op de ſollicitatien van een ſchoone Vrouwe, ende voor het tijdelijcke goet laten ſy het eeuwige. De Vrouwen geven[196]dan aen haer Mans een langhſaem Vergift, ende Trouwen met de Gerenegeerde Slaef. De Juſtitie en doet geen ſcherpe onderſoeckinge van deſe ſlagh van miſdaden: Daer zijnder veel die haer roemen datſe in deſe Konſt excelleren.Het gedenckt my dat ick twee Gerenegeerde Franſen te ſamen hoorde diſcoureren, d’ een ſeggende tot de andere. Gaet ghy noch uwe Hoere ſoecken: d’ Andere ſeyde, ja: Maer het ſal niet langh duyren, ick bender moede van, ick hebbe de remedie in mijn Koffer om my daer van te ontlaſten. Ick hebbe mede gheſien wanneer ick Slaef van Pegelin was, dat onſe Meeſter een groote Feeſt maeckte in zijn Plaiſier-Huys buyten de Stadt, ende tot een grooter pracht dedemen de Koſt draghen door 250. Slaven (onder de welcke ick die ghene was die een Schotel met Noten droegh:) Deſe Slaven marcheerden in ordre twintigh te gelijck: Daer waſſer een die een Mande droegh bedeckt met een Zijden doeck, ende in die Mande was Broot ofte eenige Paſteyen. De genoodighde waren de vermaertſte Capiteynen, ende de Rijckſte Reeders van Schepen. De Baſſa was daer oock met eenige van zijne voornaemſte Favoryten: Maer 20. van zijne[197]Slaven brochten zijn eyghen Koſt ende dranck, want hy vertrouwde Pegelin niet: Nochtans wierde dat niet qualijck ghenomen. Het ſoude ſomwijlen beter zijn by een Alarbe in Africa te eten, als ghenoodigt te zijn op het Feeſt van ſo Groote Heeren.

Yemant met vergift om te brengen is een ſeer gemeene miſdaedt in Africa. Wanneer ick tot Argiers was, hadden de Zee-Roovers een Fregat ghenomen die tot Duynkercke gemaect was. Dit gebouſel behaeghde alle de Vrybuyterſe Capiteynen ſeer wel, ende yeder van haer wilde die hebben. Maer alſoo de Baſſa voor zijn recht van acht Chriſtenen eenen heeft, ende van yder Schip de helft, hadde de broeder vande Baſſa, die een Vrybuyterſe Capiteyn was, de Fregat. Waer over den vermaerden Capiteyn den grooten Moor (vanden welcken ick hier voren geſproken hebbe) nijdigh ende qualijck te vrede was: Seggende in volle compagnie, datmen hem ongelijck ghedaen hadde, dat men hem die Fregatte niet ghelaten hadde, mits daer[194]voor betalende als hy gheboden hadde. Dat de Broeder van de Baſſa nergens goe voor en was, als om de Buyt te deelen, en de hy om de ſelfde te nemen met een Rappier inde Handt.

Dit diſcours wierde gerapporteert aen de Broeder van de Baſſa, die daer over ſeer vertoornt was, ende middel ſocht ſich daer over te wreecken. Om hem in Duel te roepen, vermochte hy niet, door dien het de maniere niet en is, de partye vanden grooten Moor ende hem was niet gelijck, want hy was te ſwack voor ſoo grooten Vyandt. Hy veynſde zijn gramſchap, ende eenighe daghen daer na noodighde hy den Grooten Moor met noch eenige andere Capiteynen ’s middaghs ten eten, haer gevende de grootſte cier alſmen konde bedencken om te beter het quaet van ſijn Herte te bedecken.

Het middaghmael gedaen ſijnde, retireerde ſich yeder een, den Grooten Moor thuys gekomen ſijnde, voelde ſijn Maegh uyt der maten ghealtereert: Hy riep een van zijn Slaven die een Chirurgijn was, ende ſeyde hem; Ghy moet my terſtont wat remedie geven, want ick gevoele dat ick vergeven ben. Den Chirurgijn ſeer ervaren in ſijn Konſt, gaf hem terſtont een goede[195]quantiteyt Melck te drincken, ende ſiende dat de Melck in ’t Lijf bleef, dede hy zijn Hooft om laegh houden, ende ten laetſten quam de Melck uyt met het vergift, ende ſoo wierde den Grooten Moor geneſen, ende de Broeder van de Baſſa beſpot om dat hy het Vergift op de maniere van Africa niet hadde konnen toebereyden: De welcke ſoodanigh is dat het zijn effect niet en doe als eenigen tijdt daer na. Dit langhſaem Vergift is de oorſaecke waerom veele Spaignaerts ende Italianen het Chriſtelijcke Geloof verſaecken. De reden is, dat veele Turcken haer begeven tot de vervloeckelijcke Sonde, ende de Vrouwen debaucheren haer met de Slaven. Eyndelijck ſeggen ſy haer: Indien gy u Geloof wilt verſaecken, ſal ick u Trouwen, ende in plaetſe van een arme Slaef u maecken een Rijck Meeſter van dit Huys: Deſe beloften ſijn ſchoon, ende alſoo het meeſtendeel van de Slaven van gheboorte Zee-Luyden zijn, die in haer Landt arm ſijn, ende die haer leven met arbeyden moeten winnen, laten ſy haer-luyden op deſe ſchoone apparentie van vryheydt, ende van Rijckdommen, ende op de ſollicitatien van een ſchoone Vrouwe, ende voor het tijdelijcke goet laten ſy het eeuwige. De Vrouwen geven[196]dan aen haer Mans een langhſaem Vergift, ende Trouwen met de Gerenegeerde Slaef. De Juſtitie en doet geen ſcherpe onderſoeckinge van deſe ſlagh van miſdaden: Daer zijnder veel die haer roemen datſe in deſe Konſt excelleren.

Het gedenckt my dat ick twee Gerenegeerde Franſen te ſamen hoorde diſcoureren, d’ een ſeggende tot de andere. Gaet ghy noch uwe Hoere ſoecken: d’ Andere ſeyde, ja: Maer het ſal niet langh duyren, ick bender moede van, ick hebbe de remedie in mijn Koffer om my daer van te ontlaſten. Ick hebbe mede gheſien wanneer ick Slaef van Pegelin was, dat onſe Meeſter een groote Feeſt maeckte in zijn Plaiſier-Huys buyten de Stadt, ende tot een grooter pracht dedemen de Koſt draghen door 250. Slaven (onder de welcke ick die ghene was die een Schotel met Noten droegh:) Deſe Slaven marcheerden in ordre twintigh te gelijck: Daer waſſer een die een Mande droegh bedeckt met een Zijden doeck, ende in die Mande was Broot ofte eenige Paſteyen. De genoodighde waren de vermaertſte Capiteynen, ende de Rijckſte Reeders van Schepen. De Baſſa was daer oock met eenige van zijne voornaemſte Favoryten: Maer 20. van zijne[197]Slaven brochten zijn eyghen Koſt ende dranck, want hy vertrouwde Pegelin niet: Nochtans wierde dat niet qualijck ghenomen. Het ſoude ſomwijlen beter zijn by een Alarbe in Africa te eten, als ghenoodigt te zijn op het Feeſt van ſo Groote Heeren.


Back to IndexNext