XIX. VERHAEL.

[Inhoud]XIX. VERHAEL.De Turcken houden haer woort.Ick hebbe in een van mijn voorgaende verhalinghen doen ſien dat de Generael Alli Pegelin geen andere Godt noch geen andere Religie hadde, als zijn Intreſt: Het welck ick wijders remarquere, om u ſoo veel te meer te doen verwonderen, dat nadien hy geen Religie hadde, hy zijn woort ſoo wel hiel.Na dat ick vijf Maenden Slaef van Pegelin geweeſt was, gingh ick by hem om te accorderen over mijn rantſoen, ende om hem te bewegen, kuſte ick de Mouwen van zijn kleedt die tot de Aerde toe hingh, zijnde een Compliment van Africa, ende ick ſeyde hem: Mijn Heere, het ſijn vijf[198]Maenden dat ick u Slaef ben, ick twijfele niet ofte uwe Signorie is nu wel geinformeert wie ick ben, dat is, een arme Soldaet, ende niet een Rijcke Ridder, gelijck uwe Signorie ſeyde wel te weten wanneer gy my kocht (want de Turcken ſijn ſeer liberael eenige titels te geven aende nieuwe Slaven, den eenen noemende Ridder, den anderen Soon van een Graef, ende ſeggende dat de andere ſeer Rijck zijn, om door die middel grooter rantſoen Gelt te krijghen).Pegelin antwoorde my: Ick wete noch niet wie gy ſijt, maer alſoo ick over u rantſoen accordere, alwaert dat ick daer na verſtonde dat gy Rijck zijt, ſal ick mijn woordt houden, gelijck ick met verſcheyde Perſoonen ghedaen hebbe, my noemende onder andere een Coopman van Genua, genoemt Marco AnthonioFollopi. Maer gelijck ick breeder verhaeldt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe, het tractaet van mijn rantſoen wierde uytgeſtelt voor eenige daghen, ende ick gingh wederom na de Bain. Dienſelfden avont informeerde ick my van eenige Slaven mijne Vrienden, om te weten ofte onſe ghemeene Patroon zijn woordt gehouden hadde met zijn Slaven, wanneerſe geaccordeert vvaren, gelijck hy ſich roemde, ende vvat vande vvaerheydt[199]vvas van die Coopman van Genua genoemt Marco Anthonio Falconi, van vvien hy my voornementlijck geſproken hadde: Sy verſeeckerden my datſe Oogh-Getuygen daer van ghevveeſt vvaren, teghens haer vville: Want ſy roeyden doen op de Galeye, ende ſy verhaelden my de Hiſtorie in’t langhe aldus. Een Coopman van Genua die langen tijdt in Spaignen inde Stadt van Cadix gevvoont hadde, alvvaer hy een groote commercie dede, ſich bevindende ſeer Rijck te zijn, ende maer een Dochter te hebben, docht goedt de commercie ’t eenemael te verlaten, ende na zijn Vaderlandt te gaen: Hy maeckte alle zijn ſaken effen ende gingh met ſijn Dochter negen Iaren oudt in een Brigantijn. Hy dede de Reyſe ſonder het Landt te verlieſen met het gheſicht, ende ſonder diep in Zee te gaen, vreeſende de Turckſe Zee-Roovers: Zijnde ghekomen op de Kuſt van Valencia, ontdeckte Pegelin die met zijne Galeyen de Zee ſchuymde, van verre de Brigantijn, ende dede de ſelfde de vlucht nemen. Die vande Brigantijn deden met Zeylen ende roeyen haer beſte om het Landt te krijgen: Maer de Galeyen door de menichte van Roeyers zijnde gekomen tot een Muſquet-ſchoot vande Brigantijn af, wierpen de Coopman van Genua[200]ende de Zee-Luyden haer ſelven in Zee ende ſalveerden haer met ſwemmen aen Landt, ende het Dochterken van negen jaren bleef alleen inde Brigantijn. Eenige Turcken quamen door ordere van Pegelin inde Brigantijn om de ſelfde met haer te nemen.Den goeden Coopman van Genua die aen Landt was, ſagh zijn Dochter in Handen vande Turcken. De Galeyen wenden Zee-waerts in: De Coopman avanceerde oock ſoo verre hy konde inde Zee, ende maeckte met zijn Neuſdoeck aende Galeye een teken datſe hem ſouden komen nemen. De Turcken waren verwondert ſoodanigen ding te ſien, ghelijck mede Pegelin ſelfs dede, die ordre gaf datmen hem met de Boot ſoude gaen halen. Men preſenteerde deſen Volontariſen gevangen aen de Generael Pegelin, de welcke hem beſpottende ſeyde hem, waerom hy ſoo geluckig geeſcapeert ſijnde, hemſelven vrywilligh in Slavernye hadde begeven, die de verſekertſte Luyden doet beven van ſchricke.Deſen Coopman vernemende dat die met hem ſprack de Generael was, begon in het Italiaens (welcke ſpraeck Pegelin verſtonde) aldus te ſpreecken: Ick ben een Coopman van Genua, ick hebbe langhen[201]tijdt in Spaignen Coopmanſchap gedaen, ende ick meende met deſe Dochter mijn eenigh Kindt dien u gevangen is na mijn Vaderlandt te gaen, ende gy hebt my gevangen genomen met haer: Want hoe wel het ſcheen dat ick geechapeert was, was ick door mijn Vaderlijcke liefde meer gevangen als ſy. Waerom ick my oock over gegeven hebbe, ende indien uwe Signorie my wil rantſoeneren, ſal het ſelfde my licht doen dragen de difficulteyten ende moeyelijckheden vande Slavernye.Pegelin hem hebbende neerſtigh toegehoort, ſeyde hem, ghy ſult voor u ende voor u Dochters rantſoen betalen ſes duyſent ſtucken van achten: De Genueeſch antwoorde terſtondt, ick ſalſe betalen. Daer was op deſe Galeye een Slaef van Genua die roeyde, dewelcke met de Generael ſocht te ſpreecken: ’t Welck men Pegelin aenſeyde, die het hem toeliet, ende de Slaef ſeyde hem: Ick kenne deſen Gevangen ſeer wel, hy is mijn Lants-man, hy is machtigh om viermael meer te betalen als uwe Signorie van hem geeyſcht hebt, Pegelin antwoorde hem:Parola de mi e parola de mi, dat is te ſeggen, mijn woordt is mijn woordt. Het welcke ick beſchreven hebbe, om te doen blijken dat de Turcken[202]ende de ongeloovigen haer woordt houden, tot ſchaemte vande Chriſtenen, die het niet doen.[Inhoud]XX. VERHAELDe Vrouwen ende de Wijn, bedrieghen de looste dieder zijn.Een Ridder van een vande voonaemſte Familien van Portugael, dien wy alhier ſullen noemen Don Oenofilo, hadde menichmael ſijne verſchillen met het Rappier inde Handt gedecideert. Maer alſoo yder een blindt is in zijn eygen paſſie, moſte hy eenighe merckelijcke fauten begaen hebben: Want niet teghenſtaende zijne groote qualiteyt, was hy tweemael ter doot verweſen, ende door interceſſie vanden wel ſpreeckendenAvocaerArgent, die de Wetten doet uytleggen, ende de rigeur van het recht verſoeten ſoo als het hem belieft, ende door aſſiſtentie van zijne Vrienden, hadde Don Oenofilo tot twee mael toe pardon verkreghen. In het Iaer 1637. wierde hy noch eenmael beſchuldight van een Doodt-ſlagh begaen te hebben,[203]ende om de rigeur van Juſtitie te ontgaen, gingh hy op ſeeckere nacht Scheep met zijn Vrouw, om na Indien te gaen, zijnde een toevlucht van alle quaet-doenders van Portugael. Na dat hy eenige dagen in Zee geweeſt was, wierde het Schip genomen vande Turckſe Zee-Roovers. Don Oenofilo met zijn Vrouw wierden verkocht aen een Moor Parino ghenaemt om Slaven te zijn. Deſen nieuwen Slaef maeckte zijn accoort van rantſoen voor zijn Vrouwe, met conditie dat hy aldaer ſoude blijven tot borge, ende dat ſijn Vrouw in vryheydt ſoude wederom keeren om het rantſoen te ſenden. Sijn Vrouw wierde wegh geſonden ende vervvachte het Gelt van zijn rantſoen met goede devotie, ende alſoo hy niet en moſte vvercken gelijck andere ſlaven, liet de ledigheydt niet af hem vverck te gheven: Want hy vvierde verlieft op zijn Patroneſſe, ende alſoo hy het terſtont niet dorſte openbaren, vervvachte hy de tijdt ende uyre daer toe. Het ghebeurde dat hy kenniſſe maeckte met tvvee Ridders van Maltha, ſijnde Franſen, ende oock ſlaven, de vvelcke Don Oenofilo hielen voor een Man van goede verſtandt, vvel opghebrocht, ende naturelijck vvelſprekende. Deſe goede qualiteyt vermeerderden haer Vrientſchap,[204]ſoo dat de tvvee Franſe Ridders Don Oenofilo noodighden, ende na de maniere vande ſlaven obligeerden ſy hem beſcheyt te doen vvanneerſe hem toe droncken, het vvelcke Don Oenofilo in Portugael niet ghevvoon vvas. Met de Wijn in ’t Hooft, ende de liefde in ſijn Herte, gingh hy na Huys, ende begon zijne Patroneſſe te careſſeren. De Patroon quam op ’t ſlagh, die het ſelfde ſiende, viel terſtont op hem, ende gaf hem tvvee ofte drie luſtighe Vuyſt-ſlagen: Don Oenofilo die niet vvijſer vvas in zijn ſlavernye als hy in zijn vryheydt gevveeſt vvas, ende verſet zijnde vande liefde ende de Wijn, betaelde de vuyſt-ſlagen met de ſelfde Munt, ſonder den intereſt te vergeten. Zijn Patroon vergramt ſijnde ſoo vveghen de ſlagen die hy ontfangen hadde, als vvegen het gene met zijn Vrouvv ghepaſſeert vvas, dol zijnde om die tvvee affronten te regeneren, liep recht na het Paleys vande Baſſa, ende dede zijne klachten, verſoeckende datmen hem volghens de Turckſe Wetten ſoude levendigh verbranden. Men commandeerde de Sauſen (zynde Officiers vande Juſtitie) den miſdadigen voor de Vierſchare te brengen om zijn ſaecke te verantvvoorden. De ordre vvierde gheexecuteert, ende Oenofilo voor de Baſſa ghebracht, die hem[205]ſeyde: Gy wordt beſchuldigt dat ghy een Turck geſlagen hebt, ende dat arger is, uwen Patroon, ende volgens de wetten van dit Landt, moet ghy ofte het Chriſten Geloof verſaecken, ofte levendigh verbrandt worden. Don Oenofilo ontkende de feyt, ſeggende, dat hy ſich alleen ghedefendeert hadde tegens de ſlaghen, ende brocht een Turck tot ghetuyghe, die in zijn faveur ſprack: Maer de Baſſa wilde deſe excuſen niet aennemen, achtende de beſchuldinghe vande Patroon voor ghenoeghſaem bewijs. Hy gaf vonniſſe ſonder andere ſolemniteyt, dat Oenofilo ſoude kieſen ofte ſijn Geloof te verſaecken, ofte verbrandt te worden. Deſen ongeluckighen vindende ſijn ſelven dus aengeperſt, antwoorde als een goede Chriſten, ende een wel gereſolveerde Ridder, dat hy ſijn Geloof niet wilde verſaecken: Waer op ſententie uyt-geſproocken wierde, dat Don Oenofilo levendigh verbrandt ſoude worden: Men maeckte preparatien, ende de Sauſen brachten den miſdadigen tot de ſtraffe: Maer de Baſſa commandeerde datmen de executie ſoude uytſtellen tot nader ordre. De Baſſa gierigh zijnde, ende ten hooghſten gaeuw, vondt middel om met deſe miſdaet ſijn profijt te doen, ende proponeerde deſe reden aen die[206]vanden Raet welcke haer ſtemme tot de ſententie ghegheven hadden. Indien deſen miſdadighen, ſeyde hy, een andere Slaef gedoot hadde, zijn Patroon ſoude verobligeert zijn geweeſt voor den dooden Slaef te betalen of den miſdadigen over te geven tot profijt vande Patroon vande doode Slaef. Deſen miſdadigen heeft een Turck geſlagen, ’t welck een grooter miſdaedt is als een Chriſten gedoodt te hebben. Ende op het verſoeck van de Patroon ſelfs, hebben wy hem ter doode verweſen, door welcke verwijſinge heeft ſijn Patroon verloren de eygenſchap die hy over hem hadde, ende ick hebſe verkregen, als repreſenterende de perſoon van den Grooten Heere. Daerom hebbende de macht om pardon te gheven aende gecondemneerden, geve ick het leven aan deſe Slaef, waer door volght dat hy my toe-komt. Deſe reden wierde geapprobeert van alle de Agas de welcke het Officie van Raets-Heeren doen. Men verklaerde Don Oenofilo Slaef vande Baſſa door den raedt vande Agas: Ende de Patroon hebbende verloren de eygenſchap van zijn Slaef ende Vuyſt-ſlaghen ontfangen, wierde daerenboven verklaert een Hoorendrager van zijn Slaef. Men ſonde Don Oenofilo by de Slaven vande Baſſa, maer men[207]dede hem een Yſere Keten van 80. Ponden aen ſijne Beenen. Wanneer ick tot Argiers quam, woonde hy inde Stal van de Baſſa, alwaer ick particuliere kenniſſe met hem ghehadt hadde; Ende hem gevonden te zijn een Man vol van morale deughden: Ende in deſe miſerable Gevangeniſſe wiſte hy yeder een door zijne Wijſheyt ende opvoedinge ſoo te obligeeren, dat hy geſtadigh viſiten kreegh, ende zijne Lants-Luyden hem verſagen van alles dat hy van doen hadde. Wanneer ick van Argiers vertrock in ’t Iaer 1642. liet ick hem inde ſelfde ſtaet, geladen met Yſer ſonder te weten wat van hem ’t ſedert bekomen is.[Inhoud]XXI. VERHAEL.De middel om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn te gheneſen.Myn Patroon Alli Pegelin hadde onder ſijne Slaven eenen ghenaemt Ian Motoſa, de welcke ſchandelijck geraeckt was van het Napelſe quaet, ſoo datmen oordeelde dat hy niet bequaem was in qualiteyt[208]van een Slaef eenighen arbeyt te doen. Het voor-Iaer quam aen, ende de Galeyen ſouden in Zee gaen. Men commandeerde Ian Motoſa ſich te inbarqueren om te roeyen. Deſe ordre behaeghde hem gants niet, want hy dachte dat een ſtoove bequamer voor hem ſoude zijn als den arbeyt vande Galeye. Hy gaet na ſijn Patroon, ende ſeyde hem, uwe Signorie heeft gecommandeert dat ick my ſoudeimbarquereninde Galeyen, tot welcken arbeydt ick gants onbequaem ben, ende ick ben altoos geexcuſeert gheweeſt, door dien ick niet geſont ben. Pegelin vraeghde hem wat gebreck hy hadde. Hy antwoorde ront uyt, de Pocken. De Pocken ſeyde Pegelin al lachende, imbarqueert u inde Galeyen, dat ſal u gheſonder zijn als in Spaignen te ſweeten. Het welcke Pegelin ſeyde, waren Arreſten in ’t Parlement gearreſteert ſonder appel. Ian Motoſa imbarqueerde ſich, men doet een Keten aen zijn Voeten ghelijck aen d’ andere Slaven die roeyden, ende men dede hem arbeyden gelijck de andere. Sijn daghelijckſe koſt was out ende droogh Biſcuyt, zijn drincken klaer Water. ’t Eynde van 40. daghen (ick hebbe het met mijn Oogen gheſien) was Ian Motoſa ’t eenemael gheneſen, de reden daer van is,[209]om dat hy door den grooten arbeydt uyt der maten ſeer geſweet hadde, ende daerenboven drooge Koſt gegeten.Die ghenen welcken de Pocken hebben, mogen deſe remedie gebruycken ſo het haer belieft, om geneſen te worden.[Inhoud]XXII. VERHAEL.Van een Franſman die Turcks wilde worden ende een Chriſten moeſt blijven tegen ſijn danck.Sekere Slaef van Alli Pegelin, ſijnde een Franſman,haddeeenighe reyſen op de Galeyen geroeyt. Deſen arbeydt hem niet behagende vraeghde hy permiſſie aen Pegelin, om ſijn Chriſten Geloof te verſaecken, ende worden Turcks: Het welcke Pegelin hem gants af-ſloegh, om dat de Gerenegeerde Slaven veel minder weerdig ſijn als wanneerſe Chriſtenen ſijn: De reden daer van is, omdat de Turcken haer niet en dienen van Gerenegeerde Roeyers, maer van Chriſtenen. Deſen Franſman wierde beſpot van ſijn Cameraets die Chriſtenen waren,[210]ende om ſich te bevryden van niet beſpot te worden, als mede om ſijn Patroon te forceren ſijn Geloof te doen verſaecken, addreſſeerde hy ſich aen eenige Gerenegeerde Franſen, ende eyſchte van haer een Turcks kleedt. Hy kleede ſich op ſijn Turcks, hy liet ſich op ſijn Turcks ſcheren, ende noemde ſich ſelven Moſtafa. Aldus toegeſtelt ſijnde gaet hy buyten de Stadt op een playſier-Huys van mijn Patroon, die genen welcke het Huys bewaerden, kenden hem ſeer wel, ende meenden dat hy ſijn Gheloof verſaeckt hadde met conſent van ſijn Patroon. Wanneer den looſen Pegelin verſtont dat den Franſman in ſijn Hof was, reede hy te peerde na die plaets toe, alwaer hy gekomen ſijnde, begon te roepen, Ian, ’t welck de Naem vande Fransman was: Ian preſenteerde ſich voor Pegelin, reſolutelijck antwoordende mijn Naem is Moſtafa, ende niet Ian. Alli Pegelin hem in die equipagie ſiende, riep vier Slaven, die den Franſman op de Aerde leyden, de Handen ende voeten kruys gewijs, ende gaven hem ſoo veel ſlagen met ſtocken, dat hy hem dede uyt-roepen, mijn naem is Ian, ende niet Moſtafa: Ick ben een Chriſten ende gheen Turck, ende ick ſal mijne Chriſten klederen wederom aen doen: Het[211]welcke hy ſoo wel dede dat Pegelin mochte ſeggen dat hy een Chriſten met Stock-ſlaghen wederom in het Chriſtendom gheſtelt hadde.[Inhoud]XXIII. VERHAEL.Vande oprechtigheydt van een Ioodſe Dochter.Wanneer ick was inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez (gelijck ick in het diſcours vanmijnReyſe vertelt hebbe) na dat ick uyt de Mamore gegaen was, ’t welck een Gevangeniſſe onder de Aerde is, Monſieur Caloen en een Turck die ons bewaerde, ende ick, namen een Kamer inde Ioden ſtraet. Onſe Camer was ſonder Meubelen, want na onſe maniere van leven hadden wy geen Meubelen van doen: Ende wanneer wy begeerigh waren yets te koopen; diende de Ioden ons voor een kleyn ſtuck Gelts. Het gebeurde dat ſekere Iodinne ons yets gebracht hadde, ende ſy koute met my in ’t Portugijs, ende ick antwoorde haer in ’t Frans, ’t welck ſy heel wel verſtonde, ende ick verſtonde de[212]Portugijſe ſpraecke. Het was een Dochter van 16. ofte 18. Iaren, ende ſeer openhertigh, ick vraeghde haer ofſe getrouwt was, ſy antwoorde my neen: Ick repliceerde: My dunckt dat het een moeyelijcker dingh voor u moet zijn ſonder Man te leven als u te onthouden van Verken-Vleeſch te eten, ’t welck door de Wet Moyſis ſoo ſcherpelijck verboden is. Waer op ſy my ſeyde, nadien gy van Huwelijcken ſpreeckt, ſeght my, trouwtmen in u Landt in het Koninckrijck van Duynkerken ghelijckmen hier doet? Ick ſeyde ja. Ick vraghe ſeyde ſy, ofte een Man ſoo veel Vrouwen mach hebben als hyder hebben wil. Ick antwoorde haer; Het trouwen wordt aldaer heel anders ghedaen, als hier, want een Vrouw mach aldaer ſeven Mannen hebben, ende de Vrouw heeft het commandement over alle haer Mans. Sy vraegde my, wie van die ſeven Mannen by de Vrouw ſliep: Ick antwoorde haer, dat ſulcx by dagen ende Maenden geſchiede, maer dat die gene welcke ſijn Vrouw beſt diende, aldermeeſt by haer ſliep.Dit diſcours behaeghde de Iodinne ſoo ſeer datſe my ſeyde: Godt ſegene een ſoodanigh Landt.[213][Inhoud]XXIV. VERHAEL.Van het wijs retireren van een Zee-Roover.In het Iaer 1638. waſſer tot Argiers een Turckſe Soldaet, die verſcheyde Reyſen op Zee ghedaen hadde, als ſimpel Soldaet, ende hebbende met grootelijcx te menageren de ſomme van twee hondert ſtucken van achten verkregen, preſumeerde hy by zijn ſelven dat hy Rijck ghenoegh was om een Capiteyn ende Reeder te zyn. Hy kochte een kleyn Scheepje ’t vvelck koſte Zeylen ende geroeyt vvorden als het ſtil vvas. Hy ſtelde een Vlagge op ſijn Schip tot een teecken, dat die de Zee met hem vvilden varen, aen Boort ſouden komen: Hy kreegh 16. Turckſe Soldaten ende Gerenegeerden: Sy begoſten de Zee te kruyſſen op de Spaenſe Kuſt tuſſchen S. Lucar ende Cadix. Eenige Coopluyden van Cadix hadden voorghenomen in een Enghels Schip ’t welck inde Haven van S. Lucar lagh 60. Balen Silver te brenghen. Om dit voornemen te doen ghelucken ſonder ondeckt te worden (want men magh ſonder permiſſie[214]vande Coningh geen Gelt op Lijf-ſtraffe uyt het Landt ſenden) hadden deſe Coop-Luyden geaccordeert met ſeeckere perſoon: die onder goede conditien ſich verobligeerde de voorſz 60. Baren Silver aen Boort van het Engels Schip te brengen. Volgens het Contract komt hy ’s nachts waer het Silver was, vergeſelſchapt met 18. avonturiers, gewapent met Rappieren, kleyne Rondaſſen, ende vier Muſquetten, zijnde Wapenen genoegh om haer te beſchermen tegens de Officiers vande Iuſtitie. Sy deden het Gelt in een kleyne Barck, om het ſelfde in het Engels Schip te brengen. De voorſz kleyne Turckſe Zee-Roover, vernam haer ende approcheerde. ’t Welck de Spaignaerts ſiende, verwachten haer met reſolutie, indienſe aen Boort quamen, met het Rappier inde Handt in het Turckſe Schip te ſpringen, ende haer alle te dooden. De Turcken begoſten te ſchieten, ende alſoo de Spaignaerts met hare Muſquetten kouwelijck antwoorden, oordeelde terſtont de Turckſe Capiteyn die den Oorlogh verſtont, dat de Chriſtenen geen Vier-Gheweeren hadden, en beval datmen niet meer ſoude approcheren, maer gedurigh van verre af te ſchieten: ’t welck ſy deden, ende na een uyrs gevecht, vier avonturiers ghedoodt[215]ſijnde, ende andere gequetſt, heeft de reſt haer overgegeven op de genade vande Turcken, die ſonder vertoeven het Silver ende de Gevangens in haer Schepen namen, latende de Spaenſe Barck neffens vier doode Lichamen op de ghenade van de golven. Deſe Barck met de vier doode Lichamen wierde drie daghen daer na dight by S. Lucar aen Landt geworpen, alwaer ick doen ter tijdt was. De Turckſe Capiteyn keerde wederom na Argiers, alwaer hy gekomen zijnde, den Buyt na de ghewoonte loſte, ofte om beter te ſegghen na de ordinantie vande Baſſa, te weten de helft voor hem ſelven, om dat hy alleen Reeder daer van was, ende d’ andere half voor de Soldaten. Wanneer het achtſte part voor de Baſſa afgetrocken was neffens andere onkoſten, was het gedeelte vande voorſz Capiteyn, van dertigh Baren Silver, weerdigh ſijnde dertigh duyſendt ſtucken van achten. Deſen Capiteyn verkreegh neffens dit Gelt veele Vrienden. Eenighe voorneme Zee-Roovers wilden hem het commandement gheven vande voornaemſte Schepen van Argiers, maer hy als wijs ſijnde, dede haer dit antwoordt: Ick hebbe mijn leven menighmael in perijckel gheſtelt, om 200. ſtucken van achten te winnen, welcke ſomme[216]niet ſuffiſant was om mijn leven mede te eyndigen, ſonder wederom in het perijckel te gaen: Nu ick genoeg hebbe om aen Land op mijn gemack te leven tot het eynde van mijn daghen, houde ick de ſpot met het perijckel van de Zee. Hy trouwde met de Dochter van een Tagarijn die ſeer Rijck was, ende leefde na zijne qualiteyt ſeer gheluckigh ſonder ſich met yets te moeyen.[Inhoud]XXV. VERHAEL.Godt gheleydt door ſijn voorſienigheydt den ghenen die een goede intentie hebben.Wanneer ick in ’t Iaer 1641. inde Bain van Alli Pegelin was, hadden wy onder andere Gardianen (welcke ſijn die genen die de ſorge hebben dat de Slaven arbeyden) een Gerenegeerde Spaignaert, geboren vanCaſtilla la vieja, genoemt Amet: Het ghebeurde in mijn tijt, dat wy in het Veldt moſten arbeyden, ende Amet hadde het commandement over 30. ofte 40. Chriſtenen:[217]Ende wanneer de Chriſtenen die hy commandeerde, wat verre af waren, datſe vande andere Gardianen niet koſten gheſien werden, liet hy haer arbeyden na haer eyghen diſcretie: Ende ſoo haeſt als hy vernam dat eenige Turck haer konde ſien, riep hy als een uytſinnigh Menſche, arbeydt ghy Honden, arbeydt, ofte ick ſal u het Hooft aen ſtucken ſlaen, ſonder nochtans yemant te raecken: Seggende al ſoetjes: Al roep ick ſoo, verwondert u niet, ende daerom overwerct u ſelven niet, ick doe dat om dat de andere Gardianen ſouden ghelooven dat ick mijn devoir doe. Het gebeurde inde ſelfde Somer, dat onſen Patroon Pegelin commandeerde dat Amet ſich in ſijn Galeye ſoude imbarqueren, om ſorge over de Chriſtenen te hebben, ende tweemael daeghs te ſien na de Yſers aende Beenen van de Chriſtenen, oftſe in goede ordre waren: Als mede om het biſcuyt te diſtribueren onder de Slaven, ende andre dienſten van de Galeye te doen. Het ghebeurde datſe quamen op de Kuſt van het Koninckrijck van Valence in Spaignen, ’twelck een Landt is ghelijck de andere Kuſten van Spaignen by na ſonder Volck. Men liet het Ancker vallen, ende terſtont ginghender vele Turcken aen Landt om buyt te[218]ſoecken, ende vvanneerſe aen de Zee-Kant niemendal vonden, maecktenſe Vier, ende op ’t Landt de Keucken na de maniere vvanneer de Soldaten van de Galeyen haer ververſſchen. Ondertuſſchen gaf Pegelin ordre dat 50. Chriſten Slaven vijf en vijf aen malkander ghebonden met haer Tonnekens Water ſouden gaen halen uyt een Fonteyne die een vierendeel uyrs van haer was, ende om de ſelfde te bewaren voeghde hy 25. Muſquettiers, ende Amet met een Stock daer by, ende om de Slaven te doen marcheren. Wanneerſe begonnen te marcheren, riep Pegelin uyt zijn Galeye aende Commandeur van de 25. Turcken, neemt acht op de Chriſtenen, ende mede op Amet, dat hy niet wegh loope, want ick my gants niet van hem vertrouwe. Met deſe laetſte ordre, marcheerden ſy recht na de Fonteyne, ende wanneer de Tonnekens gevolt waren, keerdenſe wederom na de Galeye. De Muſquettiers volghden haer met Amet, de welcke in ’t kouten met de Soldaten gheraeckte inde arriere Garde, ende ſpreeckende aen den ghenen die de laetſte marcheerde, ſeyde hy, toeft een weynigh ſoo het u belieft, ick moet mijn gevoegh eens doen. Den andere antwoorde hem, ghy onbeleefden, doet u dinghen[219]alleen, moet ick om ſoodanigen ſaecke vertoeven? Ende hy marcheerde voorts met de Troupe. Amet toonde als ofte hy zijn Broeck los maeckte, ende ſiende dat de Troup een Muſquet ſchoot ofte daer ontrent van hem af was, keerde ſich om ende liep met ſoodanighen raſheydt wech, dat hy niet verre van daer by een kleyn Caſteel quam. De Turcken ſchooten eenighe Muſquetten na hem, maer hy was te verre af, ende de andere quamen met het Water wederom inde Galeye. Pegelin ſeyde, waer is Amet? Verſtaen hebbende dat hy geeſcappeert was, bekeef hy de Soldaten ſeer, die haer ſelven excuſeerden, ſeggende, dat het Caſteel ſoo dicht daer by was, dat hy ſich daer binnen gheſalveert heeft. Een kleyne Ionghe van 14. Iaren Gerenegeert, van Marſeillen gheboren, genaemt Noſtafa (dien ick wel ghekent hebbe,) diende Pegelin op de Galeye in qualiteyt van Pagie, dewelcke deſe diſcourſen verſtaende, gaet ſonder een woordt te ſpreecken met de Soldaten aen Landt, de welcke doende waren met de Keucken te maecken, ende met haer koutende remarqueerde hy de wegh na het Caſteel, hy keerde wederom na de Galeye, gingh om leegh waer ſijn Goetje was, ende dede een ſchoon Hembde[220]aen, ende ſijn beſte Hembt-Rock, ende gingh uyt de Galeye: Daer was niemant die acht ſloegh op deſe Ionge: Ende hy ſiende een favorable occaſie volghde Amet op het Caſteel met ghelijck gheluck. Ghy ſiet door dit diſcours hoe dat Godt de perſoonen die een goede intentie hebben gheleyt door zijne wonderlijcke voorſienigheydt.[Inhoud]XXVI. VERHAEL.De oprechtigheydt van een Duynkerckſe Slaef.Wanneer ick in ’t Iaer 1641. in de Maendt van September in Barbarien Slaef was, waſſer oock Slaef ſeeckeren Duynkercker genaemt Ian Bellinck, Broeder van eenen Cornelis Bellinck, Schipper van een Coopvaerdy-Schip, het welcke vande Turckſe Zee-Roovers ghenomen wierde ende inde Stadt van Argiers ghebracht. De Schipper Cornelis Bellinck verloor zijn leven in ’t defenderen van zijn Schip, ende ſijn Broeder Ian Bellinck wierde Slaef ghemaeckt ende tot Argiers verkocht.[221]Het geviel dat hy in Handen vande Baſſa gheraeckte, die deſe Slaef imployeerde voor Boots-Geſel op de Schepen, want dat was zijn Ambacht: Hy hadde verſcheyde tochten op de Galeyen als Roeyer ghedaen, ende op de Scheepen voor Boots-Geſel. Het ghebeurde dat wanneer ick eenige dingen te doen hadde met een Iode, ghenaemt Pharette, aengaende een wiſſel-Brief, als ick mijne dingen ghedaen hadde, ſeyde my de Iode, kent ghy niet een Duynkerckſe Slaef ghenaemt Ian Bellinck? Ick antwoorde, ja. De Iode ſeyde my, brenght my waer hy is, ick wilde wel met hem ſpreecken, want ick hebbe ordre om hem te verloſſen, ende hem in vryheydt wech te ſenden. Ick was ſeer blijde deſe goede tijdinghe aen Bellinck te brenghen, ende om deſen kleynen dienſt aen de Iode te doen, want ick hadde hem van doen. Ick brocht de Iode inde Bain van de Baſſa, alwaer ick onſen Bellinck vondt, aen wien ick in ’t Nederduyts ſeyde: Bellinck ick brenghe u goede tijdinghe, deſen Iode heeft ordre om u rantſoen te betalen, ende u in u Vaderlandt te ſenden. Deſe woorden ginghen hem ſoo ſeer ter herte dat hy ſich wierp voor de Voeten van de Iode, hem ſegghende in ’t Nederduyts:[222]Mijn Heere Iode, verloſt my om de Paſſie van Ieſus Chriſtus wille. Ick lachte om dit compliment. ’t Welck de Iode ſiende, vraeghde my de oorſaecke daer van: Ick ſeyde hem in Spaens de woorden die Bellinck ghebruyckt hadde om ſijn goede gratie te verkrijgen. De Iode begon mede te lacchen, ende ſeyde my, ſegt hem in u ſpraecke dat ick het doen ſal ſonder eenighe andere conſideratie als zijn eygen.[Inhoud]XXVII. VERHAEL.Kluchtighe reſcontre van de Fortuyne der Slaven.Ick hebbe verhaelt in het diſcours van mijn ongheluckighe Reyſe, dat wanneer ick van Sebaſtiaen in Biſcayen na Engelandtſoudevaren, ons Schip met ſijn laſt ende 16. Paſſagiers ghenomen wierde van de Turckſe Zee-Roovers. Onder de 16. Perſoonen, waren twee jonghe Biſcainers, de eene ghenaemt Parinio, ende de andere Ian: Sy waren Scheep ghegaen met een voornemen om tot Duynkercken by haer[223]Oom te komen, de welcke was Don Parino de Fuſtamente, Pagadoor vande Scheep-Vloot van Vlaenderen. Deſe twee Ionghe Luyden wierden neffens ons als Slaven binnen de Stadt van Argiers ghebracht. Sy hadden nimmermeer uyt haer Vaderlandt gheweeſt, ende deſe nieuwe maniere van leven met ſoo veel incommoditeyten ende miſerien was haer uyt der maten teghens de borſt: Maer alſoo de Biſcainers (het welcke ick geremarqueert hebbe onder alle Natien van Europa) de aldergrootſte affectie hebben om haer Landts-Luyden te aſſiſteren, warender inde Bain van onſe gemeene Meeſter, den vermaerden Zee-Roover Alli Pegelin, onder 150. Slaven, by geval vele Biſcainers, ende Ian ende Parinio kreghen terſtont kenniſſe ende aſſiſtentie, ende ick remarqueerde dat na eenige dagen een Gerenegeerde Biſcain, onder pretext dat hy was van het ſelfde Landt, dagelijcks inde Bain quam kouten met Ian ende Perinio. Ende alſoo dat Landt ſeer periculeus is voor Ionghens dewelcke gheboren ſijn in een Landt alwaer de vervloeckelijcke Sonde onbekent is: Vreeſde ick dat de Vrientſchap die deſen Gerenegeerde haer toonde, was om de Ionge Luyden te debaucheren, daerom ick haer waerſchoude datſe[224]haer ſelven ſouden wachten van dien Renegeerde, weghen de groote periculen, van haer Geloof te verſaecken, als om ghedebaucheert te worden. Hy bedanckte my van de ſorge die ick over haer eere ende ſaligheydt hadde: My ſeggende dat die Renegado haer Hembden, Schoenen, ende wat Gelt gaf, ende dat tot geen andere eynde, als om een werck van barmhertigheyt te doen aen ſijne Landts-Luyden, ende dat hy nimmermeer prate van haer Geloof te verſaecken, ofte van geen andere debauchen, ende datſe hoopten met de aſſiſtentie dieſe ontfingen van deſe Renegado, eenigh traffijck te doen ghelijck de andere Slaven ’t welck ſy deden, vvant met het Gelt vande Renegado, kochten ſy een Vleſſche met Brandewijn dieſe by kleyne Mate verkochten, ende ſy hadden binnen de tijdt van drie Maenden ſoo vvel gheproſpereert, dat ſy Meeſters vvaren vande helft van een Tap-Huys inde Bain: Waerover ſy ſeer vvel ende op haer gemack leefden, voor ſoo veel als ſy Slaven vvaren: Ick liete haer in die traffijck in Ianuario 1642. vvanneer ick vertrock na het Koninckrijck van Maroc, om in Chriſten-Rijck te komen: Ende na verſcheyde reſcontres vande Fortuyne, gelijck ick gheſeydt hebbe in het diſcours van[225]mijn Reyſe, arriveerde ick in Vlaenderen in de Maendt van Auguſtus des ſelfde Iaer. Ick addreſſeerde een Brief die Ian ende Parinio my hadden gerecommandeert te leveren aen haer Oom Don Perinio de Fuſtamente, aen wien ick in ’t langhe verhaelde de ſtaet waer in zijne Neven haer bevonden, ende mede de bequaemſte middel om haer te rantſoneren.Ontrent een Iaer daer na dede Don Parinio my aenſegghen als ick tot Brugghe mijn reſidentie plaets hadde, door een van zijne Officiers genaemt Ian Baptiſta Perris, dat ick zijn Meeſter groot plaiſier ſoude doen, indien ick my tot Duynkercke wilde tranſporteren, ende my te informeren van eenighe Turcken die de Vrybuyters hadden ghenomen, ofte onder haer niemant was die teghens zijne Neven ſoude moghen verwiſſelt worden. Ick dede die Reyſe uyt goeder Herte, hopende dat ick de vryheydt van mijne twee Vrienden licht ſoude konnen te wege brengen. Tot Duynkercke zijnde, na dat ick Don Parinio hadde weſen begroeten, gingh ick volghens ſijn begeeren in het Gevangen-Huys, alwaer ick vonde ontrent 100. Turckſe Slaven in een miſerable Kelder, niet beter ghetracteert als de Chriſtenen in Barbarien: Ick[226]verſochten in een ſprake ghenaemt Franco (zijnde in Barbarien ſeer gemeen, ghelijck in Nederlandt de Franſe ende Latijnſe ſprake) te ſpreecken met den Arrais, dat is de Capiteyn, die ſich preſenteerde. Ick vraeghde hem ofte onder zijn Volck niemant was die ſoude willen aennemen voor haer vryheydt twee Chriſten Slaven tot Argiers ſijnde herwaerts te laten komen: Ende na dat ick de voorſz Capiteyn ende andere Turcken die ick kende, geexamineert hadde, onder anderen een Gerenegeerde Engels-Man dewelcke Conſtapel gheweeſt was op de Zee-Roovers die ons genomen hadden, ende ſiende datter geen apparentie was om eenighe wiſſelingh te doen, (want ſy waren alle arm) meende ick my te retireren, ende wanneer ick aende Deure was, ſeyde een tot my: Kent ghy my niet meer? Ick antwoorde hem, neen ick mijn Vrindt. Doen ſeyde hy my, wanneer ick u laetſtmael ſagh waert ghy een Slaef qualijck in ordre, ende nu ben ick Slaef ghelijck gy ſiet. Wie ſijt gy dan, ſeyde ick hem? Hy antwoorde my, ick ben een Gerenegeerde Biſcain, dewelcke aen uwe Cameraets Ian ende Parinio aſſiſtentie gaf, ick was ſeer blijde hem te ſien, ende vraeghde terſtont tijdinge van haer. Ick gingh Don[227]Parinio de Fuſtamente rapporteren ’t ghene aldaer gepaſſeert was: Maer alſoo het tijdt des Middagh-Maels was, ſeyde Don Antonio my: Laet ons eerſt aen Tafel gaen ſitten, ende in ’t eten ſult ghy ons vertellen ’t ghene ghy met de Turcken ghenegotieert hebt. Ick verhaelde hem alles in ’t korte, niet vergetende te vertellen de Hiſtorie vande Gerenegeerde Biſcain, die in het Gevangen-Huys was. Don Anthonio, de welcke tot Duynkercke van groote authoriteyt was, gaf ordre datmen den Renegado ſoude brengen inde Kamer daer wy aten. De ordre wierde geexecuteert, ende den Gerenegeerde Biſcain quam binnen. Voor dat hy ſprack viel hy op ſijn Knyen, ende trock uyt ſijn Sack een Paternoſter, ende doen ſeyde hy in Spaens. Soo haeſt als ick genomen ben gheworden, hebbe ick groote neerſtigheydt ghedaen een Paternoſter te krijghen om onſe Lieve Vrouwe te bidden, datſe aen de Chriſtenen ſoude willen bekent maecken, dat al-hoe-wel ick een Renegado ben, ſy nimmermeer qualijck van mijn getracteert ſijn gheweeſt, maer dat ick haer altoos geaſſiſteert hebbe ſoo veel my mogelijck is geweeſt. De oorſaecke van mijn ongeluck in het verſaecken van mijn Geloof is gheweeſt het ghewelt[228]’t welck mijn Patroon my en dede, ende ſiet deſen Man, (my toonende) ſal konnen getuygeniſſe geven van my goede wille tot de Chriſten Slaven. De woorden van deſen Gerenegeerden Biſcain hadden ſoo grooten kracht, dat Iuffrouw Malquarto (die de Vrouw van den Huyſe was, want Don Torinio hadde zijn koſt by haer aen beſteedt) rees op, ende gaf aen den Renegado een Hembde ende een goet ſtuck Gelts. ’s Anderendaeghs dede Don Torinio hem verſoenen met de Kerck door een Pater Ieſuyt, genoemt Pater Carion, ende dede hem daer na in vryheyt ſtellen. Men kocht hem een Boots-Geſels Kleedt, ende wierde op de Vloot ingeteeckent: Sonder dat gheluck ſoude hy alle zijn leven langh op de Galeyen van Spaignen zijn geweeſt, gelijck men met de Renegados doet. ’t Gene ick u vertelt hebbe is ghebeurt in het Iaer 1643. ende drie Iaren daer na in ’t Iaer 1646. op ſeeckeren dagh wanneer ick op de Burgh binnen de Stadt van Brugge ging wandelen met eenighe Vrienden, onder andere Monſieur Oignate ende Monſieur Melgar, ſaghen wy uyt de groote poort komen twee Spaenſe Capiteynen, wreet uyt ſiende ende van goede mijne met Rottings in haer Handt, ende wy ſeyden wanneer wy[229]haer ſaghen marcheren, ſy zijn wel blijde datſe Capiteynen zijn. Wanneerſe dicht by ons quamen, kende ick eenen die Ian was, daer wy van komen te ſpreecken. Ick ſeyde hem, met verlof, Signorie, ſijt gy Don Ian? Hy ſeyde my ja; Doen ſeyde ick hem: Hebt gy niet Slaef gheweeſt inde Stadt van Argiers, ende hebt gy niet ghekent een Chriſten Slaef genaemt Iacob van Zevere een Duynkercker? (’t welck in Barbarie mijn Naem was) doen ſpeelde alle ſijn graviteyt bankeroet, hy viel my om den Hals, ende dede my duyſendt careſſen: Ick badt hem dat hy middaghmael met my wilde houden, maer alſoo hy terſtont moſte voorts marcheren, droncken wy maer een dronck Wijns met malkander. Ick vertelde hem de Hiſtorie van de Renegado, daer over hy ſeer blijde was, ende hy verhaelde my dat hy op de Galeye gheroeyt, ende veel gheleden hadde: Maer dat hy nu door faveur van zijne Vrienden een compagnie ghekreghen hadde, ſonder ghedient te hebben, ende dat hy met der tijdt een beter conditie verwachte: Waer op hy ghenootſaeckt was voorts te marcheren. Wy namen afſcheydt van malkander, ende weynigh daghen daer na hoorde ick ſeggen, dat Don Ian gereformeert was:[230]’s Iaers daer na wierde hy doot gheſlaghen, ſijnde in dienſt van de Coningh.[Inhoud]XXVIII. VERHAEL.Een Slaef dient ſich van alles om te leven.Wanneer ick eerſt inde Bain van Pegelin ghekomen vvas, commandeerde men 400. Slaven te arbeyden in het plaeyſier-Huys vande Patroon, ’tvvelck tvvee Italiaenſe mylen van de Stadt af vvas, ende om een kleyn Berghje effen te maken,’s avontsvvierde de ordre gegeven, ende ’s morgens voor het op-gaen van de Sonne leyden de Garden dat ghetal Slaven te vverck, ende ick vvas van dat ghetal. In ’t marcheren koute ick met een die korts Slaef gemaeckt vvas, ſijnde een Frans-man van geboorte, ick ſagh dat hy een lege Sack op ſijn Schouderen hadde: Ick vraeghde hem wat hy met die Sack wilde doen: Hy antwoorde my: Gy ſijt noch een leerling in het Ambacht van de Slaven, ende ick ben een out Meeſter in ſoodanighe maniere van leven, ende ick ſal u wijſen door klare redenen,[231]dat een Slaef die buyten in ’t Veldt gaet om te arbeyden, ſich van drie dingen moet verſien: van een Sack, van een ſtuck Broots, ende van een Lepel. Aengaende Broodt, ſeyde ick, vinde dat goet, want de Gardiaen commandeert u, ende ſendt u om een Bootſchap ſoo menighmael als het hem belieft, ende indien men ondertuſſchen dat ghy abſent ſijt, het Biſcuyt diſtribueert, hebt gy niet te eten: Aengaende de Lepel, dat behaeght my mede wel, want giſteren gafmen Potagie van Gerſt, ende om dat ick geen Lepel hadde, was ick ghenootſaeckt my met de Handt te behelpen, (gy moet weten dat wanneer wy buyten de Stadt wercken, gafmen ons een portie van Galeyen Biſcuyt, ende potagie van Gerſt).Maer aengaende van deſe Sack, kan ick niet begrijpen waer toe de ſelfde dient: Hy gaf my het ſelfde antwoordt: Gy ſijt maer een leerlingh, met der tijdt ſult ghy door ervarentheydt bevinden, dat een Sack een nootſaeckelijcke Meubel is voor een gauwen Slaef. Wy quamen op het plaiſier-Huys, alwaermen ons dede arbeyden tot twee uyren voor den avont toe: Als dan verlatende den arbeydt keerden wy met kleyne troupen by thien ofte twaelf by malkander wederom na de Stadt, want de Garden[232]hebben ſorge wanneer de Slaven na het Werck gaen, datſe haer niet verberghen, ende van de troupe afloopen, om haer vanden arbeydt te excuſeren. Als wy dan wederom na de Stadt toe gingen, ſekere Spaignaert die met ons was (ſijnde een Man ſeer gheeſtimeert onder de Slaven vande Bain, ende de welcke meriteerde Meeſter gemaect te worden inde Univerſiteyt vande Dieven) ſeyde; Siet daer isenAlarbe met een Troup Schapen, ende my dunckt dat icker een van ſal hebben ſonder Gelt. Hy maeckt een Tou ghereet om het Schaep te verworghen, op dat het niet ſoude bleeten: maer wat middel ſeyde hy, om de Poort te paſſeren ſonder geattrappeert te worden. De Frans-Man die een Practiſijn was in het Parlement vande Dieven, preſenteert ſijn Sack aen de Spaignaert, ende ſeyde my:Duynkercker ſiet ghy nu wel waer toe de Sack dient? Dat diende my om te ghelooven, dat men yeder een in zijn Ambacht moet gelooven.[233][Inhoud]XXIX. VERHAEL.Vande ghetrouwigheydt van een Man, ende vande ontrouwigheydt van zijn Vrouw.In ’t Iaer 1638. hadde de Galeyen van Argiers eenige Turcken op het Landt vande Chriſtenen gheſet, de welcke geleydt zijnde door een Gerenegeerde verrader, van dat Landt gheboren, namen veele Chriſtenen, die Scheep gebrocht wierden ende tot Argiers verkocht. Onder deſe Slaven was een Man, die wy Ioſeph ſullen noemen, met ſijn Vrou genaemt Vipra: Deſe twee wierden gekocht van Mahomet Celibi Oiga: Ioſeph moſte de Paerde ende de muylen waernemen, ende Vipra diende de Vrouw van Mahomet Celibi als Dienſt-Meyt. In het Iaer 1639. ſeyde Celibi op ſekeren avondt aen Ioſeph, gaet morghen met het aenkomen van den dagh met de Muyl aende Poort genaemt Babaſon, ende ghy ſult aldaer eenighe Chriſten Slaven met Paerden ende Muylen vinden, de welcke twee Mijlen van hier ſullen gaen, om Kolen[234]te halen, gaet met haer, ende brengh een Laſt mede: ’sAnderendaeghsbevindt ſich Ioſeph aen de Poort, maer alſoo hy niemant ſagh, gaet hy voorts, avancerende gedurig ſijn wegh, gheloovende dat de anderen voor uyt waren, ſoo dat hy ſijn beſt dede om by haer te komen. Wanneer hy ontrent een uyre langs de Zee-Kuſte gereden hadde, ſag hy een Barck, ende gaet daer na toe om het Volck te beter te bekennen; ende hy vernam dat het Chriſtenen waren: Hy verlaet zijn Muyl, ende loopt na de Barck toe: Die vande Barck namen hem in, ende ſeyde hem dat ſy volgens ordre van Majorca quamen om eenige Majorckſe Slaven, ende alſoo die Slaven niet en quamen, vreeſden die vande Barck datſe de Brief niet ontfanghen hadden waer mede men haer dat advijs hadde ghegheven, ende hadden vreeſe datſe ontdeckt ſouden worden, om dat het dagh was. Sy preſenteerden Ioſeph hondert ſtucken van achten, ende hem met de Barck in vryheydt mede te nemen, indien hy binnen de Stadt wilde gaen, ende de Majorckſe Slaven hier van advijs geven: Maer Ioſeph wilde het ſekere voor het onſekere niet verlaten, ende ſeyde, ick ben verſeeckert van mijn vryheyt, ende indien ick wederom inde[235]Stadt ga, kan het ghebeuren dat u voornemen ontdeckt ſal worden, ende ick ſoude meer Slaef blijven als oyt, ende ſoo men quam te weten dat ick my met die ſaecke moeyde, ſoude ick drie honderdt ſlaghen met Stocken krijgen. Ioſeph hadde naeuwelijcks gheeyndight ſich te excuſeren van deſe Bootſchap te doen, ofte daer paſſeerden eenige Turcken, de welcke ſiende dat die van de Barck op ſijn Chriſtens ghekleet waren (waer in de aenvangers na mijn oordeel gemankeert hadden, datſe haer op ſijn Africaens niet gekleet hadde) begonnen alarm te roepen. Die van de Barck vreeſende van eenige Brigantijns genomen te moghen worden, ginghen met volle Zeylen Zee-waerts in, nemende Ioſeph met haer. De Barck gheraeckte in een oogenblick uyt ’t geſicht, ende den alarm hiel op. De Chriſten Slaven die Ioſeph meende dat voor hem vertrocken waren, quamen eerſt aen wanneer den alarm eyndighde: Sy vonden de Muyl, ende ſeyden onder malkander: Siet dat is de Muyl van Mahomet Celibi Oiga: Zijn Slaef moet vande Alarben dood geſlaghen ofte ghenomen zijn, laet ons de Muyl wederom na Huys nemen: Het welcke gedaen wierde, ende Ioſeph wierde van zijn Patroon voor doodt gehouden,[236]ende van zijn Vrouw beweent: Maer de droefheydt gingh korts daer na over, want Vipra wierde verlieft op een Renegado genaemt Aſſen, de welcke Slaef vande ſelfde Patroon Mahomet hadde geweeſt. Ioſeph was ondertuſſchen tot Majorca ghekomen, ende van daer in ſijn Vaderlandt, alwaer hy verhaelde ’t gene hem overgekomen was geweeſt, terwijl hy Slaef hadde geweeſt als mede het geluck van ſijne verloſſinghe. Zijnde nochtans ten hooghſten droevigh wegen de abſentie van zijn wel-beminde Vipra. Ioſeph verkocht alles wat hy hadde, ende met hulpe van het goede Volck, ende met zijn neerſtigheydt kreegh hy 500. ſtucken van achten by een: Het waren vijf Maenden gheleden dat Ioſeph voor doodt ghehouden wierde. Eyndelijck ontfingh Mahomet Celibi Oiga een Brief van deſen inhoudt: Mijn Heere, ick hebbe door Godts genade mijn vryheydt ghekregen op den ſelfden dagh wanneer ghy my om Kolen ſondt, door een Majorckſe Barck: Ick gheloove dat uwe Signorie my niet ſal beſchuldigen daer over dat ick ontrouw ben: Want yeder een ſoeckt ſijn vryheydt te hebben. Wanneer ick u Slaef was, eyſchte my uwe Signorie vijf honderdt ſtucken van achten voor rantſoen van mijn Vrouw ende[237]my: Ick ſende hier neffens ordre, want ick achte mijn ſelven noch u Slaef te ſijn, ſoo langh als mijn Vrouw noch in Slavernie is: Ick vertrouwe op de goetheydt van uwe Signorie dat deſe mijne preſentatie u aengenaem ſal ſijn. Deſe Brief wiert aen Vipra ghetoont, die daer over niet wel te vrede was, want de liefde vanden Renegado Aſſan was ſoo diep in haer Herte ghewortelt, datſe opentlijck ſeyde, datſe in haer Vaderlandt niet wederom wilde gaen: Het welcke Mahomet Celibi gants niet behaegde, want hy ſoude liever de vijf hondert ſtucken van achten ontfanghen hebben, ende Vipra in vryheyt wegh gheſonden: Maer ſijn Vrouwe ſeyde hem: Vipra heeft begeert haer ſelven Mahometaens te maecken, ende ſoudt ghy om 500. ſtucken van achten willen verhinderen een werck ſoo aengename aen onſe Propheet? boven dat, alle de Buyren weten haer voornemen, ende indien ghyſe wegh ſent, ſal men u voor een Chriſten houden: Op de redenen van zijn Vrouw vonde hy goet deſe ſake in ſuſpenſie te houden.Ick wierde juyſt op die tijdt ſlaef van de ſelfde Patroon Mahomet, ende hebbende verſtaen de Hiſtorie van Vipra ende van haer Man, was ick op een ſeeckeren dag by Vipra[238]aende Deur, die my ſeyde: waerom zijt ghy melancolijck? Ick antwoorde haer: Om dat ick ſoo geluckigh niet en ben als ghy: Zy vraeghde my, waerom? Ick repliceerden haer: Om dat ghy u vryheydt konde hebben als het u belieft, vvant ick verſta dat u Man 500. ſtucken van achten over gheſonden heeft voor u rantſoen, ende ick ben vervvondert dat ghy u vryheydt niet begeert te hebben, ende vvederom by u Man gaen, die u ſoo goet ende ghetrouvv is, als mede om de Catholijcke Religie in u Vaderlandt onder u Bloet-Verwanten ende Vrienden te oeffenen. Zy antwoorde my, een Turckſe Tabbaert ſal my ſoo wel paſſen als een Spaenſe Rock: Ende met deſe woorden verliet ſy my, ende gingh in Huys, ’t welck my dede weten dat de liefde dieſe haren Galant toe droegh, ſtercker was als dieſe behoorde te hebben voor haer Religie, voor haer Vaderlandt, voor haer Man, ende voor haer Bloet-Vrienden.

[Inhoud]XIX. VERHAEL.De Turcken houden haer woort.Ick hebbe in een van mijn voorgaende verhalinghen doen ſien dat de Generael Alli Pegelin geen andere Godt noch geen andere Religie hadde, als zijn Intreſt: Het welck ick wijders remarquere, om u ſoo veel te meer te doen verwonderen, dat nadien hy geen Religie hadde, hy zijn woort ſoo wel hiel.Na dat ick vijf Maenden Slaef van Pegelin geweeſt was, gingh ick by hem om te accorderen over mijn rantſoen, ende om hem te bewegen, kuſte ick de Mouwen van zijn kleedt die tot de Aerde toe hingh, zijnde een Compliment van Africa, ende ick ſeyde hem: Mijn Heere, het ſijn vijf[198]Maenden dat ick u Slaef ben, ick twijfele niet ofte uwe Signorie is nu wel geinformeert wie ick ben, dat is, een arme Soldaet, ende niet een Rijcke Ridder, gelijck uwe Signorie ſeyde wel te weten wanneer gy my kocht (want de Turcken ſijn ſeer liberael eenige titels te geven aende nieuwe Slaven, den eenen noemende Ridder, den anderen Soon van een Graef, ende ſeggende dat de andere ſeer Rijck zijn, om door die middel grooter rantſoen Gelt te krijghen).Pegelin antwoorde my: Ick wete noch niet wie gy ſijt, maer alſoo ick over u rantſoen accordere, alwaert dat ick daer na verſtonde dat gy Rijck zijt, ſal ick mijn woordt houden, gelijck ick met verſcheyde Perſoonen ghedaen hebbe, my noemende onder andere een Coopman van Genua, genoemt Marco AnthonioFollopi. Maer gelijck ick breeder verhaeldt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe, het tractaet van mijn rantſoen wierde uytgeſtelt voor eenige daghen, ende ick gingh wederom na de Bain. Dienſelfden avont informeerde ick my van eenige Slaven mijne Vrienden, om te weten ofte onſe ghemeene Patroon zijn woordt gehouden hadde met zijn Slaven, wanneerſe geaccordeert vvaren, gelijck hy ſich roemde, ende vvat vande vvaerheydt[199]vvas van die Coopman van Genua genoemt Marco Anthonio Falconi, van vvien hy my voornementlijck geſproken hadde: Sy verſeeckerden my datſe Oogh-Getuygen daer van ghevveeſt vvaren, teghens haer vville: Want ſy roeyden doen op de Galeye, ende ſy verhaelden my de Hiſtorie in’t langhe aldus. Een Coopman van Genua die langen tijdt in Spaignen inde Stadt van Cadix gevvoont hadde, alvvaer hy een groote commercie dede, ſich bevindende ſeer Rijck te zijn, ende maer een Dochter te hebben, docht goedt de commercie ’t eenemael te verlaten, ende na zijn Vaderlandt te gaen: Hy maeckte alle zijn ſaken effen ende gingh met ſijn Dochter negen Iaren oudt in een Brigantijn. Hy dede de Reyſe ſonder het Landt te verlieſen met het gheſicht, ende ſonder diep in Zee te gaen, vreeſende de Turckſe Zee-Roovers: Zijnde ghekomen op de Kuſt van Valencia, ontdeckte Pegelin die met zijne Galeyen de Zee ſchuymde, van verre de Brigantijn, ende dede de ſelfde de vlucht nemen. Die vande Brigantijn deden met Zeylen ende roeyen haer beſte om het Landt te krijgen: Maer de Galeyen door de menichte van Roeyers zijnde gekomen tot een Muſquet-ſchoot vande Brigantijn af, wierpen de Coopman van Genua[200]ende de Zee-Luyden haer ſelven in Zee ende ſalveerden haer met ſwemmen aen Landt, ende het Dochterken van negen jaren bleef alleen inde Brigantijn. Eenige Turcken quamen door ordere van Pegelin inde Brigantijn om de ſelfde met haer te nemen.Den goeden Coopman van Genua die aen Landt was, ſagh zijn Dochter in Handen vande Turcken. De Galeyen wenden Zee-waerts in: De Coopman avanceerde oock ſoo verre hy konde inde Zee, ende maeckte met zijn Neuſdoeck aende Galeye een teken datſe hem ſouden komen nemen. De Turcken waren verwondert ſoodanigen ding te ſien, ghelijck mede Pegelin ſelfs dede, die ordre gaf datmen hem met de Boot ſoude gaen halen. Men preſenteerde deſen Volontariſen gevangen aen de Generael Pegelin, de welcke hem beſpottende ſeyde hem, waerom hy ſoo geluckig geeſcapeert ſijnde, hemſelven vrywilligh in Slavernye hadde begeven, die de verſekertſte Luyden doet beven van ſchricke.Deſen Coopman vernemende dat die met hem ſprack de Generael was, begon in het Italiaens (welcke ſpraeck Pegelin verſtonde) aldus te ſpreecken: Ick ben een Coopman van Genua, ick hebbe langhen[201]tijdt in Spaignen Coopmanſchap gedaen, ende ick meende met deſe Dochter mijn eenigh Kindt dien u gevangen is na mijn Vaderlandt te gaen, ende gy hebt my gevangen genomen met haer: Want hoe wel het ſcheen dat ick geechapeert was, was ick door mijn Vaderlijcke liefde meer gevangen als ſy. Waerom ick my oock over gegeven hebbe, ende indien uwe Signorie my wil rantſoeneren, ſal het ſelfde my licht doen dragen de difficulteyten ende moeyelijckheden vande Slavernye.Pegelin hem hebbende neerſtigh toegehoort, ſeyde hem, ghy ſult voor u ende voor u Dochters rantſoen betalen ſes duyſent ſtucken van achten: De Genueeſch antwoorde terſtondt, ick ſalſe betalen. Daer was op deſe Galeye een Slaef van Genua die roeyde, dewelcke met de Generael ſocht te ſpreecken: ’t Welck men Pegelin aenſeyde, die het hem toeliet, ende de Slaef ſeyde hem: Ick kenne deſen Gevangen ſeer wel, hy is mijn Lants-man, hy is machtigh om viermael meer te betalen als uwe Signorie van hem geeyſcht hebt, Pegelin antwoorde hem:Parola de mi e parola de mi, dat is te ſeggen, mijn woordt is mijn woordt. Het welcke ick beſchreven hebbe, om te doen blijken dat de Turcken[202]ende de ongeloovigen haer woordt houden, tot ſchaemte vande Chriſtenen, die het niet doen.[Inhoud]XX. VERHAELDe Vrouwen ende de Wijn, bedrieghen de looste dieder zijn.Een Ridder van een vande voonaemſte Familien van Portugael, dien wy alhier ſullen noemen Don Oenofilo, hadde menichmael ſijne verſchillen met het Rappier inde Handt gedecideert. Maer alſoo yder een blindt is in zijn eygen paſſie, moſte hy eenighe merckelijcke fauten begaen hebben: Want niet teghenſtaende zijne groote qualiteyt, was hy tweemael ter doot verweſen, ende door interceſſie vanden wel ſpreeckendenAvocaerArgent, die de Wetten doet uytleggen, ende de rigeur van het recht verſoeten ſoo als het hem belieft, ende door aſſiſtentie van zijne Vrienden, hadde Don Oenofilo tot twee mael toe pardon verkreghen. In het Iaer 1637. wierde hy noch eenmael beſchuldight van een Doodt-ſlagh begaen te hebben,[203]ende om de rigeur van Juſtitie te ontgaen, gingh hy op ſeeckere nacht Scheep met zijn Vrouw, om na Indien te gaen, zijnde een toevlucht van alle quaet-doenders van Portugael. Na dat hy eenige dagen in Zee geweeſt was, wierde het Schip genomen vande Turckſe Zee-Roovers. Don Oenofilo met zijn Vrouw wierden verkocht aen een Moor Parino ghenaemt om Slaven te zijn. Deſen nieuwen Slaef maeckte zijn accoort van rantſoen voor zijn Vrouwe, met conditie dat hy aldaer ſoude blijven tot borge, ende dat ſijn Vrouw in vryheydt ſoude wederom keeren om het rantſoen te ſenden. Sijn Vrouw wierde wegh geſonden ende vervvachte het Gelt van zijn rantſoen met goede devotie, ende alſoo hy niet en moſte vvercken gelijck andere ſlaven, liet de ledigheydt niet af hem vverck te gheven: Want hy vvierde verlieft op zijn Patroneſſe, ende alſoo hy het terſtont niet dorſte openbaren, vervvachte hy de tijdt ende uyre daer toe. Het ghebeurde dat hy kenniſſe maeckte met tvvee Ridders van Maltha, ſijnde Franſen, ende oock ſlaven, de vvelcke Don Oenofilo hielen voor een Man van goede verſtandt, vvel opghebrocht, ende naturelijck vvelſprekende. Deſe goede qualiteyt vermeerderden haer Vrientſchap,[204]ſoo dat de tvvee Franſe Ridders Don Oenofilo noodighden, ende na de maniere vande ſlaven obligeerden ſy hem beſcheyt te doen vvanneerſe hem toe droncken, het vvelcke Don Oenofilo in Portugael niet ghevvoon vvas. Met de Wijn in ’t Hooft, ende de liefde in ſijn Herte, gingh hy na Huys, ende begon zijne Patroneſſe te careſſeren. De Patroon quam op ’t ſlagh, die het ſelfde ſiende, viel terſtont op hem, ende gaf hem tvvee ofte drie luſtighe Vuyſt-ſlagen: Don Oenofilo die niet vvijſer vvas in zijn ſlavernye als hy in zijn vryheydt gevveeſt vvas, ende verſet zijnde vande liefde ende de Wijn, betaelde de vuyſt-ſlagen met de ſelfde Munt, ſonder den intereſt te vergeten. Zijn Patroon vergramt ſijnde ſoo vveghen de ſlagen die hy ontfangen hadde, als vvegen het gene met zijn Vrouvv ghepaſſeert vvas, dol zijnde om die tvvee affronten te regeneren, liep recht na het Paleys vande Baſſa, ende dede zijne klachten, verſoeckende datmen hem volghens de Turckſe Wetten ſoude levendigh verbranden. Men commandeerde de Sauſen (zynde Officiers vande Juſtitie) den miſdadigen voor de Vierſchare te brengen om zijn ſaecke te verantvvoorden. De ordre vvierde gheexecuteert, ende Oenofilo voor de Baſſa ghebracht, die hem[205]ſeyde: Gy wordt beſchuldigt dat ghy een Turck geſlagen hebt, ende dat arger is, uwen Patroon, ende volgens de wetten van dit Landt, moet ghy ofte het Chriſten Geloof verſaecken, ofte levendigh verbrandt worden. Don Oenofilo ontkende de feyt, ſeggende, dat hy ſich alleen ghedefendeert hadde tegens de ſlaghen, ende brocht een Turck tot ghetuyghe, die in zijn faveur ſprack: Maer de Baſſa wilde deſe excuſen niet aennemen, achtende de beſchuldinghe vande Patroon voor ghenoeghſaem bewijs. Hy gaf vonniſſe ſonder andere ſolemniteyt, dat Oenofilo ſoude kieſen ofte ſijn Geloof te verſaecken, ofte verbrandt te worden. Deſen ongeluckighen vindende ſijn ſelven dus aengeperſt, antwoorde als een goede Chriſten, ende een wel gereſolveerde Ridder, dat hy ſijn Geloof niet wilde verſaecken: Waer op ſententie uyt-geſproocken wierde, dat Don Oenofilo levendigh verbrandt ſoude worden: Men maeckte preparatien, ende de Sauſen brachten den miſdadigen tot de ſtraffe: Maer de Baſſa commandeerde datmen de executie ſoude uytſtellen tot nader ordre. De Baſſa gierigh zijnde, ende ten hooghſten gaeuw, vondt middel om met deſe miſdaet ſijn profijt te doen, ende proponeerde deſe reden aen die[206]vanden Raet welcke haer ſtemme tot de ſententie ghegheven hadden. Indien deſen miſdadighen, ſeyde hy, een andere Slaef gedoot hadde, zijn Patroon ſoude verobligeert zijn geweeſt voor den dooden Slaef te betalen of den miſdadigen over te geven tot profijt vande Patroon vande doode Slaef. Deſen miſdadigen heeft een Turck geſlagen, ’t welck een grooter miſdaedt is als een Chriſten gedoodt te hebben. Ende op het verſoeck van de Patroon ſelfs, hebben wy hem ter doode verweſen, door welcke verwijſinge heeft ſijn Patroon verloren de eygenſchap die hy over hem hadde, ende ick hebſe verkregen, als repreſenterende de perſoon van den Grooten Heere. Daerom hebbende de macht om pardon te gheven aende gecondemneerden, geve ick het leven aan deſe Slaef, waer door volght dat hy my toe-komt. Deſe reden wierde geapprobeert van alle de Agas de welcke het Officie van Raets-Heeren doen. Men verklaerde Don Oenofilo Slaef vande Baſſa door den raedt vande Agas: Ende de Patroon hebbende verloren de eygenſchap van zijn Slaef ende Vuyſt-ſlaghen ontfangen, wierde daerenboven verklaert een Hoorendrager van zijn Slaef. Men ſonde Don Oenofilo by de Slaven vande Baſſa, maer men[207]dede hem een Yſere Keten van 80. Ponden aen ſijne Beenen. Wanneer ick tot Argiers quam, woonde hy inde Stal van de Baſſa, alwaer ick particuliere kenniſſe met hem ghehadt hadde; Ende hem gevonden te zijn een Man vol van morale deughden: Ende in deſe miſerable Gevangeniſſe wiſte hy yeder een door zijne Wijſheyt ende opvoedinge ſoo te obligeeren, dat hy geſtadigh viſiten kreegh, ende zijne Lants-Luyden hem verſagen van alles dat hy van doen hadde. Wanneer ick van Argiers vertrock in ’t Iaer 1642. liet ick hem inde ſelfde ſtaet, geladen met Yſer ſonder te weten wat van hem ’t ſedert bekomen is.[Inhoud]XXI. VERHAEL.De middel om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn te gheneſen.Myn Patroon Alli Pegelin hadde onder ſijne Slaven eenen ghenaemt Ian Motoſa, de welcke ſchandelijck geraeckt was van het Napelſe quaet, ſoo datmen oordeelde dat hy niet bequaem was in qualiteyt[208]van een Slaef eenighen arbeyt te doen. Het voor-Iaer quam aen, ende de Galeyen ſouden in Zee gaen. Men commandeerde Ian Motoſa ſich te inbarqueren om te roeyen. Deſe ordre behaeghde hem gants niet, want hy dachte dat een ſtoove bequamer voor hem ſoude zijn als den arbeyt vande Galeye. Hy gaet na ſijn Patroon, ende ſeyde hem, uwe Signorie heeft gecommandeert dat ick my ſoudeimbarquereninde Galeyen, tot welcken arbeydt ick gants onbequaem ben, ende ick ben altoos geexcuſeert gheweeſt, door dien ick niet geſont ben. Pegelin vraeghde hem wat gebreck hy hadde. Hy antwoorde ront uyt, de Pocken. De Pocken ſeyde Pegelin al lachende, imbarqueert u inde Galeyen, dat ſal u gheſonder zijn als in Spaignen te ſweeten. Het welcke Pegelin ſeyde, waren Arreſten in ’t Parlement gearreſteert ſonder appel. Ian Motoſa imbarqueerde ſich, men doet een Keten aen zijn Voeten ghelijck aen d’ andere Slaven die roeyden, ende men dede hem arbeyden gelijck de andere. Sijn daghelijckſe koſt was out ende droogh Biſcuyt, zijn drincken klaer Water. ’t Eynde van 40. daghen (ick hebbe het met mijn Oogen gheſien) was Ian Motoſa ’t eenemael gheneſen, de reden daer van is,[209]om dat hy door den grooten arbeydt uyt der maten ſeer geſweet hadde, ende daerenboven drooge Koſt gegeten.Die ghenen welcken de Pocken hebben, mogen deſe remedie gebruycken ſo het haer belieft, om geneſen te worden.[Inhoud]XXII. VERHAEL.Van een Franſman die Turcks wilde worden ende een Chriſten moeſt blijven tegen ſijn danck.Sekere Slaef van Alli Pegelin, ſijnde een Franſman,haddeeenighe reyſen op de Galeyen geroeyt. Deſen arbeydt hem niet behagende vraeghde hy permiſſie aen Pegelin, om ſijn Chriſten Geloof te verſaecken, ende worden Turcks: Het welcke Pegelin hem gants af-ſloegh, om dat de Gerenegeerde Slaven veel minder weerdig ſijn als wanneerſe Chriſtenen ſijn: De reden daer van is, omdat de Turcken haer niet en dienen van Gerenegeerde Roeyers, maer van Chriſtenen. Deſen Franſman wierde beſpot van ſijn Cameraets die Chriſtenen waren,[210]ende om ſich te bevryden van niet beſpot te worden, als mede om ſijn Patroon te forceren ſijn Geloof te doen verſaecken, addreſſeerde hy ſich aen eenige Gerenegeerde Franſen, ende eyſchte van haer een Turcks kleedt. Hy kleede ſich op ſijn Turcks, hy liet ſich op ſijn Turcks ſcheren, ende noemde ſich ſelven Moſtafa. Aldus toegeſtelt ſijnde gaet hy buyten de Stadt op een playſier-Huys van mijn Patroon, die genen welcke het Huys bewaerden, kenden hem ſeer wel, ende meenden dat hy ſijn Gheloof verſaeckt hadde met conſent van ſijn Patroon. Wanneer den looſen Pegelin verſtont dat den Franſman in ſijn Hof was, reede hy te peerde na die plaets toe, alwaer hy gekomen ſijnde, begon te roepen, Ian, ’t welck de Naem vande Fransman was: Ian preſenteerde ſich voor Pegelin, reſolutelijck antwoordende mijn Naem is Moſtafa, ende niet Ian. Alli Pegelin hem in die equipagie ſiende, riep vier Slaven, die den Franſman op de Aerde leyden, de Handen ende voeten kruys gewijs, ende gaven hem ſoo veel ſlagen met ſtocken, dat hy hem dede uyt-roepen, mijn naem is Ian, ende niet Moſtafa: Ick ben een Chriſten ende gheen Turck, ende ick ſal mijne Chriſten klederen wederom aen doen: Het[211]welcke hy ſoo wel dede dat Pegelin mochte ſeggen dat hy een Chriſten met Stock-ſlaghen wederom in het Chriſtendom gheſtelt hadde.[Inhoud]XXIII. VERHAEL.Vande oprechtigheydt van een Ioodſe Dochter.Wanneer ick was inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez (gelijck ick in het diſcours vanmijnReyſe vertelt hebbe) na dat ick uyt de Mamore gegaen was, ’t welck een Gevangeniſſe onder de Aerde is, Monſieur Caloen en een Turck die ons bewaerde, ende ick, namen een Kamer inde Ioden ſtraet. Onſe Camer was ſonder Meubelen, want na onſe maniere van leven hadden wy geen Meubelen van doen: Ende wanneer wy begeerigh waren yets te koopen; diende de Ioden ons voor een kleyn ſtuck Gelts. Het gebeurde dat ſekere Iodinne ons yets gebracht hadde, ende ſy koute met my in ’t Portugijs, ende ick antwoorde haer in ’t Frans, ’t welck ſy heel wel verſtonde, ende ick verſtonde de[212]Portugijſe ſpraecke. Het was een Dochter van 16. ofte 18. Iaren, ende ſeer openhertigh, ick vraeghde haer ofſe getrouwt was, ſy antwoorde my neen: Ick repliceerde: My dunckt dat het een moeyelijcker dingh voor u moet zijn ſonder Man te leven als u te onthouden van Verken-Vleeſch te eten, ’t welck door de Wet Moyſis ſoo ſcherpelijck verboden is. Waer op ſy my ſeyde, nadien gy van Huwelijcken ſpreeckt, ſeght my, trouwtmen in u Landt in het Koninckrijck van Duynkerken ghelijckmen hier doet? Ick ſeyde ja. Ick vraghe ſeyde ſy, ofte een Man ſoo veel Vrouwen mach hebben als hyder hebben wil. Ick antwoorde haer; Het trouwen wordt aldaer heel anders ghedaen, als hier, want een Vrouw mach aldaer ſeven Mannen hebben, ende de Vrouw heeft het commandement over alle haer Mans. Sy vraegde my, wie van die ſeven Mannen by de Vrouw ſliep: Ick antwoorde haer, dat ſulcx by dagen ende Maenden geſchiede, maer dat die gene welcke ſijn Vrouw beſt diende, aldermeeſt by haer ſliep.Dit diſcours behaeghde de Iodinne ſoo ſeer datſe my ſeyde: Godt ſegene een ſoodanigh Landt.[213][Inhoud]XXIV. VERHAEL.Van het wijs retireren van een Zee-Roover.In het Iaer 1638. waſſer tot Argiers een Turckſe Soldaet, die verſcheyde Reyſen op Zee ghedaen hadde, als ſimpel Soldaet, ende hebbende met grootelijcx te menageren de ſomme van twee hondert ſtucken van achten verkregen, preſumeerde hy by zijn ſelven dat hy Rijck ghenoegh was om een Capiteyn ende Reeder te zyn. Hy kochte een kleyn Scheepje ’t vvelck koſte Zeylen ende geroeyt vvorden als het ſtil vvas. Hy ſtelde een Vlagge op ſijn Schip tot een teecken, dat die de Zee met hem vvilden varen, aen Boort ſouden komen: Hy kreegh 16. Turckſe Soldaten ende Gerenegeerden: Sy begoſten de Zee te kruyſſen op de Spaenſe Kuſt tuſſchen S. Lucar ende Cadix. Eenige Coopluyden van Cadix hadden voorghenomen in een Enghels Schip ’t welck inde Haven van S. Lucar lagh 60. Balen Silver te brenghen. Om dit voornemen te doen ghelucken ſonder ondeckt te worden (want men magh ſonder permiſſie[214]vande Coningh geen Gelt op Lijf-ſtraffe uyt het Landt ſenden) hadden deſe Coop-Luyden geaccordeert met ſeeckere perſoon: die onder goede conditien ſich verobligeerde de voorſz 60. Baren Silver aen Boort van het Engels Schip te brengen. Volgens het Contract komt hy ’s nachts waer het Silver was, vergeſelſchapt met 18. avonturiers, gewapent met Rappieren, kleyne Rondaſſen, ende vier Muſquetten, zijnde Wapenen genoegh om haer te beſchermen tegens de Officiers vande Iuſtitie. Sy deden het Gelt in een kleyne Barck, om het ſelfde in het Engels Schip te brengen. De voorſz kleyne Turckſe Zee-Roover, vernam haer ende approcheerde. ’t Welck de Spaignaerts ſiende, verwachten haer met reſolutie, indienſe aen Boort quamen, met het Rappier inde Handt in het Turckſe Schip te ſpringen, ende haer alle te dooden. De Turcken begoſten te ſchieten, ende alſoo de Spaignaerts met hare Muſquetten kouwelijck antwoorden, oordeelde terſtont de Turckſe Capiteyn die den Oorlogh verſtont, dat de Chriſtenen geen Vier-Gheweeren hadden, en beval datmen niet meer ſoude approcheren, maer gedurigh van verre af te ſchieten: ’t welck ſy deden, ende na een uyrs gevecht, vier avonturiers ghedoodt[215]ſijnde, ende andere gequetſt, heeft de reſt haer overgegeven op de genade vande Turcken, die ſonder vertoeven het Silver ende de Gevangens in haer Schepen namen, latende de Spaenſe Barck neffens vier doode Lichamen op de ghenade van de golven. Deſe Barck met de vier doode Lichamen wierde drie daghen daer na dight by S. Lucar aen Landt geworpen, alwaer ick doen ter tijdt was. De Turckſe Capiteyn keerde wederom na Argiers, alwaer hy gekomen zijnde, den Buyt na de ghewoonte loſte, ofte om beter te ſegghen na de ordinantie vande Baſſa, te weten de helft voor hem ſelven, om dat hy alleen Reeder daer van was, ende d’ andere half voor de Soldaten. Wanneer het achtſte part voor de Baſſa afgetrocken was neffens andere onkoſten, was het gedeelte vande voorſz Capiteyn, van dertigh Baren Silver, weerdigh ſijnde dertigh duyſendt ſtucken van achten. Deſen Capiteyn verkreegh neffens dit Gelt veele Vrienden. Eenighe voorneme Zee-Roovers wilden hem het commandement gheven vande voornaemſte Schepen van Argiers, maer hy als wijs ſijnde, dede haer dit antwoordt: Ick hebbe mijn leven menighmael in perijckel gheſtelt, om 200. ſtucken van achten te winnen, welcke ſomme[216]niet ſuffiſant was om mijn leven mede te eyndigen, ſonder wederom in het perijckel te gaen: Nu ick genoeg hebbe om aen Land op mijn gemack te leven tot het eynde van mijn daghen, houde ick de ſpot met het perijckel van de Zee. Hy trouwde met de Dochter van een Tagarijn die ſeer Rijck was, ende leefde na zijne qualiteyt ſeer gheluckigh ſonder ſich met yets te moeyen.[Inhoud]XXV. VERHAEL.Godt gheleydt door ſijn voorſienigheydt den ghenen die een goede intentie hebben.Wanneer ick in ’t Iaer 1641. inde Bain van Alli Pegelin was, hadden wy onder andere Gardianen (welcke ſijn die genen die de ſorge hebben dat de Slaven arbeyden) een Gerenegeerde Spaignaert, geboren vanCaſtilla la vieja, genoemt Amet: Het ghebeurde in mijn tijt, dat wy in het Veldt moſten arbeyden, ende Amet hadde het commandement over 30. ofte 40. Chriſtenen:[217]Ende wanneer de Chriſtenen die hy commandeerde, wat verre af waren, datſe vande andere Gardianen niet koſten gheſien werden, liet hy haer arbeyden na haer eyghen diſcretie: Ende ſoo haeſt als hy vernam dat eenige Turck haer konde ſien, riep hy als een uytſinnigh Menſche, arbeydt ghy Honden, arbeydt, ofte ick ſal u het Hooft aen ſtucken ſlaen, ſonder nochtans yemant te raecken: Seggende al ſoetjes: Al roep ick ſoo, verwondert u niet, ende daerom overwerct u ſelven niet, ick doe dat om dat de andere Gardianen ſouden ghelooven dat ick mijn devoir doe. Het gebeurde inde ſelfde Somer, dat onſen Patroon Pegelin commandeerde dat Amet ſich in ſijn Galeye ſoude imbarqueren, om ſorge over de Chriſtenen te hebben, ende tweemael daeghs te ſien na de Yſers aende Beenen van de Chriſtenen, oftſe in goede ordre waren: Als mede om het biſcuyt te diſtribueren onder de Slaven, ende andre dienſten van de Galeye te doen. Het ghebeurde datſe quamen op de Kuſt van het Koninckrijck van Valence in Spaignen, ’twelck een Landt is ghelijck de andere Kuſten van Spaignen by na ſonder Volck. Men liet het Ancker vallen, ende terſtont ginghender vele Turcken aen Landt om buyt te[218]ſoecken, ende vvanneerſe aen de Zee-Kant niemendal vonden, maecktenſe Vier, ende op ’t Landt de Keucken na de maniere vvanneer de Soldaten van de Galeyen haer ververſſchen. Ondertuſſchen gaf Pegelin ordre dat 50. Chriſten Slaven vijf en vijf aen malkander ghebonden met haer Tonnekens Water ſouden gaen halen uyt een Fonteyne die een vierendeel uyrs van haer was, ende om de ſelfde te bewaren voeghde hy 25. Muſquettiers, ende Amet met een Stock daer by, ende om de Slaven te doen marcheren. Wanneerſe begonnen te marcheren, riep Pegelin uyt zijn Galeye aende Commandeur van de 25. Turcken, neemt acht op de Chriſtenen, ende mede op Amet, dat hy niet wegh loope, want ick my gants niet van hem vertrouwe. Met deſe laetſte ordre, marcheerden ſy recht na de Fonteyne, ende wanneer de Tonnekens gevolt waren, keerdenſe wederom na de Galeye. De Muſquettiers volghden haer met Amet, de welcke in ’t kouten met de Soldaten gheraeckte inde arriere Garde, ende ſpreeckende aen den ghenen die de laetſte marcheerde, ſeyde hy, toeft een weynigh ſoo het u belieft, ick moet mijn gevoegh eens doen. Den andere antwoorde hem, ghy onbeleefden, doet u dinghen[219]alleen, moet ick om ſoodanigen ſaecke vertoeven? Ende hy marcheerde voorts met de Troupe. Amet toonde als ofte hy zijn Broeck los maeckte, ende ſiende dat de Troup een Muſquet ſchoot ofte daer ontrent van hem af was, keerde ſich om ende liep met ſoodanighen raſheydt wech, dat hy niet verre van daer by een kleyn Caſteel quam. De Turcken ſchooten eenighe Muſquetten na hem, maer hy was te verre af, ende de andere quamen met het Water wederom inde Galeye. Pegelin ſeyde, waer is Amet? Verſtaen hebbende dat hy geeſcappeert was, bekeef hy de Soldaten ſeer, die haer ſelven excuſeerden, ſeggende, dat het Caſteel ſoo dicht daer by was, dat hy ſich daer binnen gheſalveert heeft. Een kleyne Ionghe van 14. Iaren Gerenegeert, van Marſeillen gheboren, genaemt Noſtafa (dien ick wel ghekent hebbe,) diende Pegelin op de Galeye in qualiteyt van Pagie, dewelcke deſe diſcourſen verſtaende, gaet ſonder een woordt te ſpreecken met de Soldaten aen Landt, de welcke doende waren met de Keucken te maecken, ende met haer koutende remarqueerde hy de wegh na het Caſteel, hy keerde wederom na de Galeye, gingh om leegh waer ſijn Goetje was, ende dede een ſchoon Hembde[220]aen, ende ſijn beſte Hembt-Rock, ende gingh uyt de Galeye: Daer was niemant die acht ſloegh op deſe Ionge: Ende hy ſiende een favorable occaſie volghde Amet op het Caſteel met ghelijck gheluck. Ghy ſiet door dit diſcours hoe dat Godt de perſoonen die een goede intentie hebben gheleyt door zijne wonderlijcke voorſienigheydt.[Inhoud]XXVI. VERHAEL.De oprechtigheydt van een Duynkerckſe Slaef.Wanneer ick in ’t Iaer 1641. in de Maendt van September in Barbarien Slaef was, waſſer oock Slaef ſeeckeren Duynkercker genaemt Ian Bellinck, Broeder van eenen Cornelis Bellinck, Schipper van een Coopvaerdy-Schip, het welcke vande Turckſe Zee-Roovers ghenomen wierde ende inde Stadt van Argiers ghebracht. De Schipper Cornelis Bellinck verloor zijn leven in ’t defenderen van zijn Schip, ende ſijn Broeder Ian Bellinck wierde Slaef ghemaeckt ende tot Argiers verkocht.[221]Het geviel dat hy in Handen vande Baſſa gheraeckte, die deſe Slaef imployeerde voor Boots-Geſel op de Schepen, want dat was zijn Ambacht: Hy hadde verſcheyde tochten op de Galeyen als Roeyer ghedaen, ende op de Scheepen voor Boots-Geſel. Het ghebeurde dat wanneer ick eenige dingen te doen hadde met een Iode, ghenaemt Pharette, aengaende een wiſſel-Brief, als ick mijne dingen ghedaen hadde, ſeyde my de Iode, kent ghy niet een Duynkerckſe Slaef ghenaemt Ian Bellinck? Ick antwoorde, ja. De Iode ſeyde my, brenght my waer hy is, ick wilde wel met hem ſpreecken, want ick hebbe ordre om hem te verloſſen, ende hem in vryheydt wech te ſenden. Ick was ſeer blijde deſe goede tijdinghe aen Bellinck te brenghen, ende om deſen kleynen dienſt aen de Iode te doen, want ick hadde hem van doen. Ick brocht de Iode inde Bain van de Baſſa, alwaer ick onſen Bellinck vondt, aen wien ick in ’t Nederduyts ſeyde: Bellinck ick brenghe u goede tijdinghe, deſen Iode heeft ordre om u rantſoen te betalen, ende u in u Vaderlandt te ſenden. Deſe woorden ginghen hem ſoo ſeer ter herte dat hy ſich wierp voor de Voeten van de Iode, hem ſegghende in ’t Nederduyts:[222]Mijn Heere Iode, verloſt my om de Paſſie van Ieſus Chriſtus wille. Ick lachte om dit compliment. ’t Welck de Iode ſiende, vraeghde my de oorſaecke daer van: Ick ſeyde hem in Spaens de woorden die Bellinck ghebruyckt hadde om ſijn goede gratie te verkrijgen. De Iode begon mede te lacchen, ende ſeyde my, ſegt hem in u ſpraecke dat ick het doen ſal ſonder eenighe andere conſideratie als zijn eygen.[Inhoud]XXVII. VERHAEL.Kluchtighe reſcontre van de Fortuyne der Slaven.Ick hebbe verhaelt in het diſcours van mijn ongheluckighe Reyſe, dat wanneer ick van Sebaſtiaen in Biſcayen na Engelandtſoudevaren, ons Schip met ſijn laſt ende 16. Paſſagiers ghenomen wierde van de Turckſe Zee-Roovers. Onder de 16. Perſoonen, waren twee jonghe Biſcainers, de eene ghenaemt Parinio, ende de andere Ian: Sy waren Scheep ghegaen met een voornemen om tot Duynkercken by haer[223]Oom te komen, de welcke was Don Parino de Fuſtamente, Pagadoor vande Scheep-Vloot van Vlaenderen. Deſe twee Ionghe Luyden wierden neffens ons als Slaven binnen de Stadt van Argiers ghebracht. Sy hadden nimmermeer uyt haer Vaderlandt gheweeſt, ende deſe nieuwe maniere van leven met ſoo veel incommoditeyten ende miſerien was haer uyt der maten teghens de borſt: Maer alſoo de Biſcainers (het welcke ick geremarqueert hebbe onder alle Natien van Europa) de aldergrootſte affectie hebben om haer Landts-Luyden te aſſiſteren, warender inde Bain van onſe gemeene Meeſter, den vermaerden Zee-Roover Alli Pegelin, onder 150. Slaven, by geval vele Biſcainers, ende Ian ende Parinio kreghen terſtont kenniſſe ende aſſiſtentie, ende ick remarqueerde dat na eenige dagen een Gerenegeerde Biſcain, onder pretext dat hy was van het ſelfde Landt, dagelijcks inde Bain quam kouten met Ian ende Perinio. Ende alſoo dat Landt ſeer periculeus is voor Ionghens dewelcke gheboren ſijn in een Landt alwaer de vervloeckelijcke Sonde onbekent is: Vreeſde ick dat de Vrientſchap die deſen Gerenegeerde haer toonde, was om de Ionge Luyden te debaucheren, daerom ick haer waerſchoude datſe[224]haer ſelven ſouden wachten van dien Renegeerde, weghen de groote periculen, van haer Geloof te verſaecken, als om ghedebaucheert te worden. Hy bedanckte my van de ſorge die ick over haer eere ende ſaligheydt hadde: My ſeggende dat die Renegado haer Hembden, Schoenen, ende wat Gelt gaf, ende dat tot geen andere eynde, als om een werck van barmhertigheyt te doen aen ſijne Landts-Luyden, ende dat hy nimmermeer prate van haer Geloof te verſaecken, ofte van geen andere debauchen, ende datſe hoopten met de aſſiſtentie dieſe ontfingen van deſe Renegado, eenigh traffijck te doen ghelijck de andere Slaven ’t welck ſy deden, vvant met het Gelt vande Renegado, kochten ſy een Vleſſche met Brandewijn dieſe by kleyne Mate verkochten, ende ſy hadden binnen de tijdt van drie Maenden ſoo vvel gheproſpereert, dat ſy Meeſters vvaren vande helft van een Tap-Huys inde Bain: Waerover ſy ſeer vvel ende op haer gemack leefden, voor ſoo veel als ſy Slaven vvaren: Ick liete haer in die traffijck in Ianuario 1642. vvanneer ick vertrock na het Koninckrijck van Maroc, om in Chriſten-Rijck te komen: Ende na verſcheyde reſcontres vande Fortuyne, gelijck ick gheſeydt hebbe in het diſcours van[225]mijn Reyſe, arriveerde ick in Vlaenderen in de Maendt van Auguſtus des ſelfde Iaer. Ick addreſſeerde een Brief die Ian ende Parinio my hadden gerecommandeert te leveren aen haer Oom Don Perinio de Fuſtamente, aen wien ick in ’t langhe verhaelde de ſtaet waer in zijne Neven haer bevonden, ende mede de bequaemſte middel om haer te rantſoneren.Ontrent een Iaer daer na dede Don Parinio my aenſegghen als ick tot Brugghe mijn reſidentie plaets hadde, door een van zijne Officiers genaemt Ian Baptiſta Perris, dat ick zijn Meeſter groot plaiſier ſoude doen, indien ick my tot Duynkercke wilde tranſporteren, ende my te informeren van eenighe Turcken die de Vrybuyters hadden ghenomen, ofte onder haer niemant was die teghens zijne Neven ſoude moghen verwiſſelt worden. Ick dede die Reyſe uyt goeder Herte, hopende dat ick de vryheydt van mijne twee Vrienden licht ſoude konnen te wege brengen. Tot Duynkercke zijnde, na dat ick Don Parinio hadde weſen begroeten, gingh ick volghens ſijn begeeren in het Gevangen-Huys, alwaer ick vonde ontrent 100. Turckſe Slaven in een miſerable Kelder, niet beter ghetracteert als de Chriſtenen in Barbarien: Ick[226]verſochten in een ſprake ghenaemt Franco (zijnde in Barbarien ſeer gemeen, ghelijck in Nederlandt de Franſe ende Latijnſe ſprake) te ſpreecken met den Arrais, dat is de Capiteyn, die ſich preſenteerde. Ick vraeghde hem ofte onder zijn Volck niemant was die ſoude willen aennemen voor haer vryheydt twee Chriſten Slaven tot Argiers ſijnde herwaerts te laten komen: Ende na dat ick de voorſz Capiteyn ende andere Turcken die ick kende, geexamineert hadde, onder anderen een Gerenegeerde Engels-Man dewelcke Conſtapel gheweeſt was op de Zee-Roovers die ons genomen hadden, ende ſiende datter geen apparentie was om eenighe wiſſelingh te doen, (want ſy waren alle arm) meende ick my te retireren, ende wanneer ick aende Deure was, ſeyde een tot my: Kent ghy my niet meer? Ick antwoorde hem, neen ick mijn Vrindt. Doen ſeyde hy my, wanneer ick u laetſtmael ſagh waert ghy een Slaef qualijck in ordre, ende nu ben ick Slaef ghelijck gy ſiet. Wie ſijt gy dan, ſeyde ick hem? Hy antwoorde my, ick ben een Gerenegeerde Biſcain, dewelcke aen uwe Cameraets Ian ende Parinio aſſiſtentie gaf, ick was ſeer blijde hem te ſien, ende vraeghde terſtont tijdinge van haer. Ick gingh Don[227]Parinio de Fuſtamente rapporteren ’t ghene aldaer gepaſſeert was: Maer alſoo het tijdt des Middagh-Maels was, ſeyde Don Antonio my: Laet ons eerſt aen Tafel gaen ſitten, ende in ’t eten ſult ghy ons vertellen ’t ghene ghy met de Turcken ghenegotieert hebt. Ick verhaelde hem alles in ’t korte, niet vergetende te vertellen de Hiſtorie vande Gerenegeerde Biſcain, die in het Gevangen-Huys was. Don Anthonio, de welcke tot Duynkercke van groote authoriteyt was, gaf ordre datmen den Renegado ſoude brengen inde Kamer daer wy aten. De ordre wierde geexecuteert, ende den Gerenegeerde Biſcain quam binnen. Voor dat hy ſprack viel hy op ſijn Knyen, ende trock uyt ſijn Sack een Paternoſter, ende doen ſeyde hy in Spaens. Soo haeſt als ick genomen ben gheworden, hebbe ick groote neerſtigheydt ghedaen een Paternoſter te krijghen om onſe Lieve Vrouwe te bidden, datſe aen de Chriſtenen ſoude willen bekent maecken, dat al-hoe-wel ick een Renegado ben, ſy nimmermeer qualijck van mijn getracteert ſijn gheweeſt, maer dat ick haer altoos geaſſiſteert hebbe ſoo veel my mogelijck is geweeſt. De oorſaecke van mijn ongeluck in het verſaecken van mijn Geloof is gheweeſt het ghewelt[228]’t welck mijn Patroon my en dede, ende ſiet deſen Man, (my toonende) ſal konnen getuygeniſſe geven van my goede wille tot de Chriſten Slaven. De woorden van deſen Gerenegeerden Biſcain hadden ſoo grooten kracht, dat Iuffrouw Malquarto (die de Vrouw van den Huyſe was, want Don Torinio hadde zijn koſt by haer aen beſteedt) rees op, ende gaf aen den Renegado een Hembde ende een goet ſtuck Gelts. ’s Anderendaeghs dede Don Torinio hem verſoenen met de Kerck door een Pater Ieſuyt, genoemt Pater Carion, ende dede hem daer na in vryheyt ſtellen. Men kocht hem een Boots-Geſels Kleedt, ende wierde op de Vloot ingeteeckent: Sonder dat gheluck ſoude hy alle zijn leven langh op de Galeyen van Spaignen zijn geweeſt, gelijck men met de Renegados doet. ’t Gene ick u vertelt hebbe is ghebeurt in het Iaer 1643. ende drie Iaren daer na in ’t Iaer 1646. op ſeeckeren dagh wanneer ick op de Burgh binnen de Stadt van Brugge ging wandelen met eenighe Vrienden, onder andere Monſieur Oignate ende Monſieur Melgar, ſaghen wy uyt de groote poort komen twee Spaenſe Capiteynen, wreet uyt ſiende ende van goede mijne met Rottings in haer Handt, ende wy ſeyden wanneer wy[229]haer ſaghen marcheren, ſy zijn wel blijde datſe Capiteynen zijn. Wanneerſe dicht by ons quamen, kende ick eenen die Ian was, daer wy van komen te ſpreecken. Ick ſeyde hem, met verlof, Signorie, ſijt gy Don Ian? Hy ſeyde my ja; Doen ſeyde ick hem: Hebt gy niet Slaef gheweeſt inde Stadt van Argiers, ende hebt gy niet ghekent een Chriſten Slaef genaemt Iacob van Zevere een Duynkercker? (’t welck in Barbarie mijn Naem was) doen ſpeelde alle ſijn graviteyt bankeroet, hy viel my om den Hals, ende dede my duyſendt careſſen: Ick badt hem dat hy middaghmael met my wilde houden, maer alſoo hy terſtont moſte voorts marcheren, droncken wy maer een dronck Wijns met malkander. Ick vertelde hem de Hiſtorie van de Renegado, daer over hy ſeer blijde was, ende hy verhaelde my dat hy op de Galeye gheroeyt, ende veel gheleden hadde: Maer dat hy nu door faveur van zijne Vrienden een compagnie ghekreghen hadde, ſonder ghedient te hebben, ende dat hy met der tijdt een beter conditie verwachte: Waer op hy ghenootſaeckt was voorts te marcheren. Wy namen afſcheydt van malkander, ende weynigh daghen daer na hoorde ick ſeggen, dat Don Ian gereformeert was:[230]’s Iaers daer na wierde hy doot gheſlaghen, ſijnde in dienſt van de Coningh.[Inhoud]XXVIII. VERHAEL.Een Slaef dient ſich van alles om te leven.Wanneer ick eerſt inde Bain van Pegelin ghekomen vvas, commandeerde men 400. Slaven te arbeyden in het plaeyſier-Huys vande Patroon, ’tvvelck tvvee Italiaenſe mylen van de Stadt af vvas, ende om een kleyn Berghje effen te maken,’s avontsvvierde de ordre gegeven, ende ’s morgens voor het op-gaen van de Sonne leyden de Garden dat ghetal Slaven te vverck, ende ick vvas van dat ghetal. In ’t marcheren koute ick met een die korts Slaef gemaeckt vvas, ſijnde een Frans-man van geboorte, ick ſagh dat hy een lege Sack op ſijn Schouderen hadde: Ick vraeghde hem wat hy met die Sack wilde doen: Hy antwoorde my: Gy ſijt noch een leerling in het Ambacht van de Slaven, ende ick ben een out Meeſter in ſoodanighe maniere van leven, ende ick ſal u wijſen door klare redenen,[231]dat een Slaef die buyten in ’t Veldt gaet om te arbeyden, ſich van drie dingen moet verſien: van een Sack, van een ſtuck Broots, ende van een Lepel. Aengaende Broodt, ſeyde ick, vinde dat goet, want de Gardiaen commandeert u, ende ſendt u om een Bootſchap ſoo menighmael als het hem belieft, ende indien men ondertuſſchen dat ghy abſent ſijt, het Biſcuyt diſtribueert, hebt gy niet te eten: Aengaende de Lepel, dat behaeght my mede wel, want giſteren gafmen Potagie van Gerſt, ende om dat ick geen Lepel hadde, was ick ghenootſaeckt my met de Handt te behelpen, (gy moet weten dat wanneer wy buyten de Stadt wercken, gafmen ons een portie van Galeyen Biſcuyt, ende potagie van Gerſt).Maer aengaende van deſe Sack, kan ick niet begrijpen waer toe de ſelfde dient: Hy gaf my het ſelfde antwoordt: Gy ſijt maer een leerlingh, met der tijdt ſult ghy door ervarentheydt bevinden, dat een Sack een nootſaeckelijcke Meubel is voor een gauwen Slaef. Wy quamen op het plaiſier-Huys, alwaermen ons dede arbeyden tot twee uyren voor den avont toe: Als dan verlatende den arbeydt keerden wy met kleyne troupen by thien ofte twaelf by malkander wederom na de Stadt, want de Garden[232]hebben ſorge wanneer de Slaven na het Werck gaen, datſe haer niet verberghen, ende van de troupe afloopen, om haer vanden arbeydt te excuſeren. Als wy dan wederom na de Stadt toe gingen, ſekere Spaignaert die met ons was (ſijnde een Man ſeer gheeſtimeert onder de Slaven vande Bain, ende de welcke meriteerde Meeſter gemaect te worden inde Univerſiteyt vande Dieven) ſeyde; Siet daer isenAlarbe met een Troup Schapen, ende my dunckt dat icker een van ſal hebben ſonder Gelt. Hy maeckt een Tou ghereet om het Schaep te verworghen, op dat het niet ſoude bleeten: maer wat middel ſeyde hy, om de Poort te paſſeren ſonder geattrappeert te worden. De Frans-Man die een Practiſijn was in het Parlement vande Dieven, preſenteert ſijn Sack aen de Spaignaert, ende ſeyde my:Duynkercker ſiet ghy nu wel waer toe de Sack dient? Dat diende my om te ghelooven, dat men yeder een in zijn Ambacht moet gelooven.[233][Inhoud]XXIX. VERHAEL.Vande ghetrouwigheydt van een Man, ende vande ontrouwigheydt van zijn Vrouw.In ’t Iaer 1638. hadde de Galeyen van Argiers eenige Turcken op het Landt vande Chriſtenen gheſet, de welcke geleydt zijnde door een Gerenegeerde verrader, van dat Landt gheboren, namen veele Chriſtenen, die Scheep gebrocht wierden ende tot Argiers verkocht. Onder deſe Slaven was een Man, die wy Ioſeph ſullen noemen, met ſijn Vrou genaemt Vipra: Deſe twee wierden gekocht van Mahomet Celibi Oiga: Ioſeph moſte de Paerde ende de muylen waernemen, ende Vipra diende de Vrouw van Mahomet Celibi als Dienſt-Meyt. In het Iaer 1639. ſeyde Celibi op ſekeren avondt aen Ioſeph, gaet morghen met het aenkomen van den dagh met de Muyl aende Poort genaemt Babaſon, ende ghy ſult aldaer eenighe Chriſten Slaven met Paerden ende Muylen vinden, de welcke twee Mijlen van hier ſullen gaen, om Kolen[234]te halen, gaet met haer, ende brengh een Laſt mede: ’sAnderendaeghsbevindt ſich Ioſeph aen de Poort, maer alſoo hy niemant ſagh, gaet hy voorts, avancerende gedurig ſijn wegh, gheloovende dat de anderen voor uyt waren, ſoo dat hy ſijn beſt dede om by haer te komen. Wanneer hy ontrent een uyre langs de Zee-Kuſte gereden hadde, ſag hy een Barck, ende gaet daer na toe om het Volck te beter te bekennen; ende hy vernam dat het Chriſtenen waren: Hy verlaet zijn Muyl, ende loopt na de Barck toe: Die vande Barck namen hem in, ende ſeyde hem dat ſy volgens ordre van Majorca quamen om eenige Majorckſe Slaven, ende alſoo die Slaven niet en quamen, vreeſden die vande Barck datſe de Brief niet ontfanghen hadden waer mede men haer dat advijs hadde ghegheven, ende hadden vreeſe datſe ontdeckt ſouden worden, om dat het dagh was. Sy preſenteerden Ioſeph hondert ſtucken van achten, ende hem met de Barck in vryheydt mede te nemen, indien hy binnen de Stadt wilde gaen, ende de Majorckſe Slaven hier van advijs geven: Maer Ioſeph wilde het ſekere voor het onſekere niet verlaten, ende ſeyde, ick ben verſeeckert van mijn vryheyt, ende indien ick wederom inde[235]Stadt ga, kan het ghebeuren dat u voornemen ontdeckt ſal worden, ende ick ſoude meer Slaef blijven als oyt, ende ſoo men quam te weten dat ick my met die ſaecke moeyde, ſoude ick drie honderdt ſlaghen met Stocken krijgen. Ioſeph hadde naeuwelijcks gheeyndight ſich te excuſeren van deſe Bootſchap te doen, ofte daer paſſeerden eenige Turcken, de welcke ſiende dat die van de Barck op ſijn Chriſtens ghekleet waren (waer in de aenvangers na mijn oordeel gemankeert hadden, datſe haer op ſijn Africaens niet gekleet hadde) begonnen alarm te roepen. Die van de Barck vreeſende van eenige Brigantijns genomen te moghen worden, ginghen met volle Zeylen Zee-waerts in, nemende Ioſeph met haer. De Barck gheraeckte in een oogenblick uyt ’t geſicht, ende den alarm hiel op. De Chriſten Slaven die Ioſeph meende dat voor hem vertrocken waren, quamen eerſt aen wanneer den alarm eyndighde: Sy vonden de Muyl, ende ſeyden onder malkander: Siet dat is de Muyl van Mahomet Celibi Oiga: Zijn Slaef moet vande Alarben dood geſlaghen ofte ghenomen zijn, laet ons de Muyl wederom na Huys nemen: Het welcke gedaen wierde, ende Ioſeph wierde van zijn Patroon voor doodt gehouden,[236]ende van zijn Vrouw beweent: Maer de droefheydt gingh korts daer na over, want Vipra wierde verlieft op een Renegado genaemt Aſſen, de welcke Slaef vande ſelfde Patroon Mahomet hadde geweeſt. Ioſeph was ondertuſſchen tot Majorca ghekomen, ende van daer in ſijn Vaderlandt, alwaer hy verhaelde ’t gene hem overgekomen was geweeſt, terwijl hy Slaef hadde geweeſt als mede het geluck van ſijne verloſſinghe. Zijnde nochtans ten hooghſten droevigh wegen de abſentie van zijn wel-beminde Vipra. Ioſeph verkocht alles wat hy hadde, ende met hulpe van het goede Volck, ende met zijn neerſtigheydt kreegh hy 500. ſtucken van achten by een: Het waren vijf Maenden gheleden dat Ioſeph voor doodt ghehouden wierde. Eyndelijck ontfingh Mahomet Celibi Oiga een Brief van deſen inhoudt: Mijn Heere, ick hebbe door Godts genade mijn vryheydt ghekregen op den ſelfden dagh wanneer ghy my om Kolen ſondt, door een Majorckſe Barck: Ick gheloove dat uwe Signorie my niet ſal beſchuldigen daer over dat ick ontrouw ben: Want yeder een ſoeckt ſijn vryheydt te hebben. Wanneer ick u Slaef was, eyſchte my uwe Signorie vijf honderdt ſtucken van achten voor rantſoen van mijn Vrouw ende[237]my: Ick ſende hier neffens ordre, want ick achte mijn ſelven noch u Slaef te ſijn, ſoo langh als mijn Vrouw noch in Slavernie is: Ick vertrouwe op de goetheydt van uwe Signorie dat deſe mijne preſentatie u aengenaem ſal ſijn. Deſe Brief wiert aen Vipra ghetoont, die daer over niet wel te vrede was, want de liefde vanden Renegado Aſſan was ſoo diep in haer Herte ghewortelt, datſe opentlijck ſeyde, datſe in haer Vaderlandt niet wederom wilde gaen: Het welcke Mahomet Celibi gants niet behaegde, want hy ſoude liever de vijf hondert ſtucken van achten ontfanghen hebben, ende Vipra in vryheyt wegh gheſonden: Maer ſijn Vrouwe ſeyde hem: Vipra heeft begeert haer ſelven Mahometaens te maecken, ende ſoudt ghy om 500. ſtucken van achten willen verhinderen een werck ſoo aengename aen onſe Propheet? boven dat, alle de Buyren weten haer voornemen, ende indien ghyſe wegh ſent, ſal men u voor een Chriſten houden: Op de redenen van zijn Vrouw vonde hy goet deſe ſake in ſuſpenſie te houden.Ick wierde juyſt op die tijdt ſlaef van de ſelfde Patroon Mahomet, ende hebbende verſtaen de Hiſtorie van Vipra ende van haer Man, was ick op een ſeeckeren dag by Vipra[238]aende Deur, die my ſeyde: waerom zijt ghy melancolijck? Ick antwoorde haer: Om dat ick ſoo geluckigh niet en ben als ghy: Zy vraeghde my, waerom? Ick repliceerden haer: Om dat ghy u vryheydt konde hebben als het u belieft, vvant ick verſta dat u Man 500. ſtucken van achten over gheſonden heeft voor u rantſoen, ende ick ben vervvondert dat ghy u vryheydt niet begeert te hebben, ende vvederom by u Man gaen, die u ſoo goet ende ghetrouvv is, als mede om de Catholijcke Religie in u Vaderlandt onder u Bloet-Verwanten ende Vrienden te oeffenen. Zy antwoorde my, een Turckſe Tabbaert ſal my ſoo wel paſſen als een Spaenſe Rock: Ende met deſe woorden verliet ſy my, ende gingh in Huys, ’t welck my dede weten dat de liefde dieſe haren Galant toe droegh, ſtercker was als dieſe behoorde te hebben voor haer Religie, voor haer Vaderlandt, voor haer Man, ende voor haer Bloet-Vrienden.

[Inhoud]XIX. VERHAEL.De Turcken houden haer woort.Ick hebbe in een van mijn voorgaende verhalinghen doen ſien dat de Generael Alli Pegelin geen andere Godt noch geen andere Religie hadde, als zijn Intreſt: Het welck ick wijders remarquere, om u ſoo veel te meer te doen verwonderen, dat nadien hy geen Religie hadde, hy zijn woort ſoo wel hiel.Na dat ick vijf Maenden Slaef van Pegelin geweeſt was, gingh ick by hem om te accorderen over mijn rantſoen, ende om hem te bewegen, kuſte ick de Mouwen van zijn kleedt die tot de Aerde toe hingh, zijnde een Compliment van Africa, ende ick ſeyde hem: Mijn Heere, het ſijn vijf[198]Maenden dat ick u Slaef ben, ick twijfele niet ofte uwe Signorie is nu wel geinformeert wie ick ben, dat is, een arme Soldaet, ende niet een Rijcke Ridder, gelijck uwe Signorie ſeyde wel te weten wanneer gy my kocht (want de Turcken ſijn ſeer liberael eenige titels te geven aende nieuwe Slaven, den eenen noemende Ridder, den anderen Soon van een Graef, ende ſeggende dat de andere ſeer Rijck zijn, om door die middel grooter rantſoen Gelt te krijghen).Pegelin antwoorde my: Ick wete noch niet wie gy ſijt, maer alſoo ick over u rantſoen accordere, alwaert dat ick daer na verſtonde dat gy Rijck zijt, ſal ick mijn woordt houden, gelijck ick met verſcheyde Perſoonen ghedaen hebbe, my noemende onder andere een Coopman van Genua, genoemt Marco AnthonioFollopi. Maer gelijck ick breeder verhaeldt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe, het tractaet van mijn rantſoen wierde uytgeſtelt voor eenige daghen, ende ick gingh wederom na de Bain. Dienſelfden avont informeerde ick my van eenige Slaven mijne Vrienden, om te weten ofte onſe ghemeene Patroon zijn woordt gehouden hadde met zijn Slaven, wanneerſe geaccordeert vvaren, gelijck hy ſich roemde, ende vvat vande vvaerheydt[199]vvas van die Coopman van Genua genoemt Marco Anthonio Falconi, van vvien hy my voornementlijck geſproken hadde: Sy verſeeckerden my datſe Oogh-Getuygen daer van ghevveeſt vvaren, teghens haer vville: Want ſy roeyden doen op de Galeye, ende ſy verhaelden my de Hiſtorie in’t langhe aldus. Een Coopman van Genua die langen tijdt in Spaignen inde Stadt van Cadix gevvoont hadde, alvvaer hy een groote commercie dede, ſich bevindende ſeer Rijck te zijn, ende maer een Dochter te hebben, docht goedt de commercie ’t eenemael te verlaten, ende na zijn Vaderlandt te gaen: Hy maeckte alle zijn ſaken effen ende gingh met ſijn Dochter negen Iaren oudt in een Brigantijn. Hy dede de Reyſe ſonder het Landt te verlieſen met het gheſicht, ende ſonder diep in Zee te gaen, vreeſende de Turckſe Zee-Roovers: Zijnde ghekomen op de Kuſt van Valencia, ontdeckte Pegelin die met zijne Galeyen de Zee ſchuymde, van verre de Brigantijn, ende dede de ſelfde de vlucht nemen. Die vande Brigantijn deden met Zeylen ende roeyen haer beſte om het Landt te krijgen: Maer de Galeyen door de menichte van Roeyers zijnde gekomen tot een Muſquet-ſchoot vande Brigantijn af, wierpen de Coopman van Genua[200]ende de Zee-Luyden haer ſelven in Zee ende ſalveerden haer met ſwemmen aen Landt, ende het Dochterken van negen jaren bleef alleen inde Brigantijn. Eenige Turcken quamen door ordere van Pegelin inde Brigantijn om de ſelfde met haer te nemen.Den goeden Coopman van Genua die aen Landt was, ſagh zijn Dochter in Handen vande Turcken. De Galeyen wenden Zee-waerts in: De Coopman avanceerde oock ſoo verre hy konde inde Zee, ende maeckte met zijn Neuſdoeck aende Galeye een teken datſe hem ſouden komen nemen. De Turcken waren verwondert ſoodanigen ding te ſien, ghelijck mede Pegelin ſelfs dede, die ordre gaf datmen hem met de Boot ſoude gaen halen. Men preſenteerde deſen Volontariſen gevangen aen de Generael Pegelin, de welcke hem beſpottende ſeyde hem, waerom hy ſoo geluckig geeſcapeert ſijnde, hemſelven vrywilligh in Slavernye hadde begeven, die de verſekertſte Luyden doet beven van ſchricke.Deſen Coopman vernemende dat die met hem ſprack de Generael was, begon in het Italiaens (welcke ſpraeck Pegelin verſtonde) aldus te ſpreecken: Ick ben een Coopman van Genua, ick hebbe langhen[201]tijdt in Spaignen Coopmanſchap gedaen, ende ick meende met deſe Dochter mijn eenigh Kindt dien u gevangen is na mijn Vaderlandt te gaen, ende gy hebt my gevangen genomen met haer: Want hoe wel het ſcheen dat ick geechapeert was, was ick door mijn Vaderlijcke liefde meer gevangen als ſy. Waerom ick my oock over gegeven hebbe, ende indien uwe Signorie my wil rantſoeneren, ſal het ſelfde my licht doen dragen de difficulteyten ende moeyelijckheden vande Slavernye.Pegelin hem hebbende neerſtigh toegehoort, ſeyde hem, ghy ſult voor u ende voor u Dochters rantſoen betalen ſes duyſent ſtucken van achten: De Genueeſch antwoorde terſtondt, ick ſalſe betalen. Daer was op deſe Galeye een Slaef van Genua die roeyde, dewelcke met de Generael ſocht te ſpreecken: ’t Welck men Pegelin aenſeyde, die het hem toeliet, ende de Slaef ſeyde hem: Ick kenne deſen Gevangen ſeer wel, hy is mijn Lants-man, hy is machtigh om viermael meer te betalen als uwe Signorie van hem geeyſcht hebt, Pegelin antwoorde hem:Parola de mi e parola de mi, dat is te ſeggen, mijn woordt is mijn woordt. Het welcke ick beſchreven hebbe, om te doen blijken dat de Turcken[202]ende de ongeloovigen haer woordt houden, tot ſchaemte vande Chriſtenen, die het niet doen.

XIX. VERHAEL.De Turcken houden haer woort.

Ick hebbe in een van mijn voorgaende verhalinghen doen ſien dat de Generael Alli Pegelin geen andere Godt noch geen andere Religie hadde, als zijn Intreſt: Het welck ick wijders remarquere, om u ſoo veel te meer te doen verwonderen, dat nadien hy geen Religie hadde, hy zijn woort ſoo wel hiel.Na dat ick vijf Maenden Slaef van Pegelin geweeſt was, gingh ick by hem om te accorderen over mijn rantſoen, ende om hem te bewegen, kuſte ick de Mouwen van zijn kleedt die tot de Aerde toe hingh, zijnde een Compliment van Africa, ende ick ſeyde hem: Mijn Heere, het ſijn vijf[198]Maenden dat ick u Slaef ben, ick twijfele niet ofte uwe Signorie is nu wel geinformeert wie ick ben, dat is, een arme Soldaet, ende niet een Rijcke Ridder, gelijck uwe Signorie ſeyde wel te weten wanneer gy my kocht (want de Turcken ſijn ſeer liberael eenige titels te geven aende nieuwe Slaven, den eenen noemende Ridder, den anderen Soon van een Graef, ende ſeggende dat de andere ſeer Rijck zijn, om door die middel grooter rantſoen Gelt te krijghen).Pegelin antwoorde my: Ick wete noch niet wie gy ſijt, maer alſoo ick over u rantſoen accordere, alwaert dat ick daer na verſtonde dat gy Rijck zijt, ſal ick mijn woordt houden, gelijck ick met verſcheyde Perſoonen ghedaen hebbe, my noemende onder andere een Coopman van Genua, genoemt Marco AnthonioFollopi. Maer gelijck ick breeder verhaeldt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe, het tractaet van mijn rantſoen wierde uytgeſtelt voor eenige daghen, ende ick gingh wederom na de Bain. Dienſelfden avont informeerde ick my van eenige Slaven mijne Vrienden, om te weten ofte onſe ghemeene Patroon zijn woordt gehouden hadde met zijn Slaven, wanneerſe geaccordeert vvaren, gelijck hy ſich roemde, ende vvat vande vvaerheydt[199]vvas van die Coopman van Genua genoemt Marco Anthonio Falconi, van vvien hy my voornementlijck geſproken hadde: Sy verſeeckerden my datſe Oogh-Getuygen daer van ghevveeſt vvaren, teghens haer vville: Want ſy roeyden doen op de Galeye, ende ſy verhaelden my de Hiſtorie in’t langhe aldus. Een Coopman van Genua die langen tijdt in Spaignen inde Stadt van Cadix gevvoont hadde, alvvaer hy een groote commercie dede, ſich bevindende ſeer Rijck te zijn, ende maer een Dochter te hebben, docht goedt de commercie ’t eenemael te verlaten, ende na zijn Vaderlandt te gaen: Hy maeckte alle zijn ſaken effen ende gingh met ſijn Dochter negen Iaren oudt in een Brigantijn. Hy dede de Reyſe ſonder het Landt te verlieſen met het gheſicht, ende ſonder diep in Zee te gaen, vreeſende de Turckſe Zee-Roovers: Zijnde ghekomen op de Kuſt van Valencia, ontdeckte Pegelin die met zijne Galeyen de Zee ſchuymde, van verre de Brigantijn, ende dede de ſelfde de vlucht nemen. Die vande Brigantijn deden met Zeylen ende roeyen haer beſte om het Landt te krijgen: Maer de Galeyen door de menichte van Roeyers zijnde gekomen tot een Muſquet-ſchoot vande Brigantijn af, wierpen de Coopman van Genua[200]ende de Zee-Luyden haer ſelven in Zee ende ſalveerden haer met ſwemmen aen Landt, ende het Dochterken van negen jaren bleef alleen inde Brigantijn. Eenige Turcken quamen door ordere van Pegelin inde Brigantijn om de ſelfde met haer te nemen.Den goeden Coopman van Genua die aen Landt was, ſagh zijn Dochter in Handen vande Turcken. De Galeyen wenden Zee-waerts in: De Coopman avanceerde oock ſoo verre hy konde inde Zee, ende maeckte met zijn Neuſdoeck aende Galeye een teken datſe hem ſouden komen nemen. De Turcken waren verwondert ſoodanigen ding te ſien, ghelijck mede Pegelin ſelfs dede, die ordre gaf datmen hem met de Boot ſoude gaen halen. Men preſenteerde deſen Volontariſen gevangen aen de Generael Pegelin, de welcke hem beſpottende ſeyde hem, waerom hy ſoo geluckig geeſcapeert ſijnde, hemſelven vrywilligh in Slavernye hadde begeven, die de verſekertſte Luyden doet beven van ſchricke.Deſen Coopman vernemende dat die met hem ſprack de Generael was, begon in het Italiaens (welcke ſpraeck Pegelin verſtonde) aldus te ſpreecken: Ick ben een Coopman van Genua, ick hebbe langhen[201]tijdt in Spaignen Coopmanſchap gedaen, ende ick meende met deſe Dochter mijn eenigh Kindt dien u gevangen is na mijn Vaderlandt te gaen, ende gy hebt my gevangen genomen met haer: Want hoe wel het ſcheen dat ick geechapeert was, was ick door mijn Vaderlijcke liefde meer gevangen als ſy. Waerom ick my oock over gegeven hebbe, ende indien uwe Signorie my wil rantſoeneren, ſal het ſelfde my licht doen dragen de difficulteyten ende moeyelijckheden vande Slavernye.Pegelin hem hebbende neerſtigh toegehoort, ſeyde hem, ghy ſult voor u ende voor u Dochters rantſoen betalen ſes duyſent ſtucken van achten: De Genueeſch antwoorde terſtondt, ick ſalſe betalen. Daer was op deſe Galeye een Slaef van Genua die roeyde, dewelcke met de Generael ſocht te ſpreecken: ’t Welck men Pegelin aenſeyde, die het hem toeliet, ende de Slaef ſeyde hem: Ick kenne deſen Gevangen ſeer wel, hy is mijn Lants-man, hy is machtigh om viermael meer te betalen als uwe Signorie van hem geeyſcht hebt, Pegelin antwoorde hem:Parola de mi e parola de mi, dat is te ſeggen, mijn woordt is mijn woordt. Het welcke ick beſchreven hebbe, om te doen blijken dat de Turcken[202]ende de ongeloovigen haer woordt houden, tot ſchaemte vande Chriſtenen, die het niet doen.

Ick hebbe in een van mijn voorgaende verhalinghen doen ſien dat de Generael Alli Pegelin geen andere Godt noch geen andere Religie hadde, als zijn Intreſt: Het welck ick wijders remarquere, om u ſoo veel te meer te doen verwonderen, dat nadien hy geen Religie hadde, hy zijn woort ſoo wel hiel.

Na dat ick vijf Maenden Slaef van Pegelin geweeſt was, gingh ick by hem om te accorderen over mijn rantſoen, ende om hem te bewegen, kuſte ick de Mouwen van zijn kleedt die tot de Aerde toe hingh, zijnde een Compliment van Africa, ende ick ſeyde hem: Mijn Heere, het ſijn vijf[198]Maenden dat ick u Slaef ben, ick twijfele niet ofte uwe Signorie is nu wel geinformeert wie ick ben, dat is, een arme Soldaet, ende niet een Rijcke Ridder, gelijck uwe Signorie ſeyde wel te weten wanneer gy my kocht (want de Turcken ſijn ſeer liberael eenige titels te geven aende nieuwe Slaven, den eenen noemende Ridder, den anderen Soon van een Graef, ende ſeggende dat de andere ſeer Rijck zijn, om door die middel grooter rantſoen Gelt te krijghen).Pegelin antwoorde my: Ick wete noch niet wie gy ſijt, maer alſoo ick over u rantſoen accordere, alwaert dat ick daer na verſtonde dat gy Rijck zijt, ſal ick mijn woordt houden, gelijck ick met verſcheyde Perſoonen ghedaen hebbe, my noemende onder andere een Coopman van Genua, genoemt Marco AnthonioFollopi. Maer gelijck ick breeder verhaeldt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe, het tractaet van mijn rantſoen wierde uytgeſtelt voor eenige daghen, ende ick gingh wederom na de Bain. Dienſelfden avont informeerde ick my van eenige Slaven mijne Vrienden, om te weten ofte onſe ghemeene Patroon zijn woordt gehouden hadde met zijn Slaven, wanneerſe geaccordeert vvaren, gelijck hy ſich roemde, ende vvat vande vvaerheydt[199]vvas van die Coopman van Genua genoemt Marco Anthonio Falconi, van vvien hy my voornementlijck geſproken hadde: Sy verſeeckerden my datſe Oogh-Getuygen daer van ghevveeſt vvaren, teghens haer vville: Want ſy roeyden doen op de Galeye, ende ſy verhaelden my de Hiſtorie in’t langhe aldus. Een Coopman van Genua die langen tijdt in Spaignen inde Stadt van Cadix gevvoont hadde, alvvaer hy een groote commercie dede, ſich bevindende ſeer Rijck te zijn, ende maer een Dochter te hebben, docht goedt de commercie ’t eenemael te verlaten, ende na zijn Vaderlandt te gaen: Hy maeckte alle zijn ſaken effen ende gingh met ſijn Dochter negen Iaren oudt in een Brigantijn. Hy dede de Reyſe ſonder het Landt te verlieſen met het gheſicht, ende ſonder diep in Zee te gaen, vreeſende de Turckſe Zee-Roovers: Zijnde ghekomen op de Kuſt van Valencia, ontdeckte Pegelin die met zijne Galeyen de Zee ſchuymde, van verre de Brigantijn, ende dede de ſelfde de vlucht nemen. Die vande Brigantijn deden met Zeylen ende roeyen haer beſte om het Landt te krijgen: Maer de Galeyen door de menichte van Roeyers zijnde gekomen tot een Muſquet-ſchoot vande Brigantijn af, wierpen de Coopman van Genua[200]ende de Zee-Luyden haer ſelven in Zee ende ſalveerden haer met ſwemmen aen Landt, ende het Dochterken van negen jaren bleef alleen inde Brigantijn. Eenige Turcken quamen door ordere van Pegelin inde Brigantijn om de ſelfde met haer te nemen.

Den goeden Coopman van Genua die aen Landt was, ſagh zijn Dochter in Handen vande Turcken. De Galeyen wenden Zee-waerts in: De Coopman avanceerde oock ſoo verre hy konde inde Zee, ende maeckte met zijn Neuſdoeck aende Galeye een teken datſe hem ſouden komen nemen. De Turcken waren verwondert ſoodanigen ding te ſien, ghelijck mede Pegelin ſelfs dede, die ordre gaf datmen hem met de Boot ſoude gaen halen. Men preſenteerde deſen Volontariſen gevangen aen de Generael Pegelin, de welcke hem beſpottende ſeyde hem, waerom hy ſoo geluckig geeſcapeert ſijnde, hemſelven vrywilligh in Slavernye hadde begeven, die de verſekertſte Luyden doet beven van ſchricke.

Deſen Coopman vernemende dat die met hem ſprack de Generael was, begon in het Italiaens (welcke ſpraeck Pegelin verſtonde) aldus te ſpreecken: Ick ben een Coopman van Genua, ick hebbe langhen[201]tijdt in Spaignen Coopmanſchap gedaen, ende ick meende met deſe Dochter mijn eenigh Kindt dien u gevangen is na mijn Vaderlandt te gaen, ende gy hebt my gevangen genomen met haer: Want hoe wel het ſcheen dat ick geechapeert was, was ick door mijn Vaderlijcke liefde meer gevangen als ſy. Waerom ick my oock over gegeven hebbe, ende indien uwe Signorie my wil rantſoeneren, ſal het ſelfde my licht doen dragen de difficulteyten ende moeyelijckheden vande Slavernye.

Pegelin hem hebbende neerſtigh toegehoort, ſeyde hem, ghy ſult voor u ende voor u Dochters rantſoen betalen ſes duyſent ſtucken van achten: De Genueeſch antwoorde terſtondt, ick ſalſe betalen. Daer was op deſe Galeye een Slaef van Genua die roeyde, dewelcke met de Generael ſocht te ſpreecken: ’t Welck men Pegelin aenſeyde, die het hem toeliet, ende de Slaef ſeyde hem: Ick kenne deſen Gevangen ſeer wel, hy is mijn Lants-man, hy is machtigh om viermael meer te betalen als uwe Signorie van hem geeyſcht hebt, Pegelin antwoorde hem:Parola de mi e parola de mi, dat is te ſeggen, mijn woordt is mijn woordt. Het welcke ick beſchreven hebbe, om te doen blijken dat de Turcken[202]ende de ongeloovigen haer woordt houden, tot ſchaemte vande Chriſtenen, die het niet doen.

[Inhoud]XX. VERHAELDe Vrouwen ende de Wijn, bedrieghen de looste dieder zijn.Een Ridder van een vande voonaemſte Familien van Portugael, dien wy alhier ſullen noemen Don Oenofilo, hadde menichmael ſijne verſchillen met het Rappier inde Handt gedecideert. Maer alſoo yder een blindt is in zijn eygen paſſie, moſte hy eenighe merckelijcke fauten begaen hebben: Want niet teghenſtaende zijne groote qualiteyt, was hy tweemael ter doot verweſen, ende door interceſſie vanden wel ſpreeckendenAvocaerArgent, die de Wetten doet uytleggen, ende de rigeur van het recht verſoeten ſoo als het hem belieft, ende door aſſiſtentie van zijne Vrienden, hadde Don Oenofilo tot twee mael toe pardon verkreghen. In het Iaer 1637. wierde hy noch eenmael beſchuldight van een Doodt-ſlagh begaen te hebben,[203]ende om de rigeur van Juſtitie te ontgaen, gingh hy op ſeeckere nacht Scheep met zijn Vrouw, om na Indien te gaen, zijnde een toevlucht van alle quaet-doenders van Portugael. Na dat hy eenige dagen in Zee geweeſt was, wierde het Schip genomen vande Turckſe Zee-Roovers. Don Oenofilo met zijn Vrouw wierden verkocht aen een Moor Parino ghenaemt om Slaven te zijn. Deſen nieuwen Slaef maeckte zijn accoort van rantſoen voor zijn Vrouwe, met conditie dat hy aldaer ſoude blijven tot borge, ende dat ſijn Vrouw in vryheydt ſoude wederom keeren om het rantſoen te ſenden. Sijn Vrouw wierde wegh geſonden ende vervvachte het Gelt van zijn rantſoen met goede devotie, ende alſoo hy niet en moſte vvercken gelijck andere ſlaven, liet de ledigheydt niet af hem vverck te gheven: Want hy vvierde verlieft op zijn Patroneſſe, ende alſoo hy het terſtont niet dorſte openbaren, vervvachte hy de tijdt ende uyre daer toe. Het ghebeurde dat hy kenniſſe maeckte met tvvee Ridders van Maltha, ſijnde Franſen, ende oock ſlaven, de vvelcke Don Oenofilo hielen voor een Man van goede verſtandt, vvel opghebrocht, ende naturelijck vvelſprekende. Deſe goede qualiteyt vermeerderden haer Vrientſchap,[204]ſoo dat de tvvee Franſe Ridders Don Oenofilo noodighden, ende na de maniere vande ſlaven obligeerden ſy hem beſcheyt te doen vvanneerſe hem toe droncken, het vvelcke Don Oenofilo in Portugael niet ghevvoon vvas. Met de Wijn in ’t Hooft, ende de liefde in ſijn Herte, gingh hy na Huys, ende begon zijne Patroneſſe te careſſeren. De Patroon quam op ’t ſlagh, die het ſelfde ſiende, viel terſtont op hem, ende gaf hem tvvee ofte drie luſtighe Vuyſt-ſlagen: Don Oenofilo die niet vvijſer vvas in zijn ſlavernye als hy in zijn vryheydt gevveeſt vvas, ende verſet zijnde vande liefde ende de Wijn, betaelde de vuyſt-ſlagen met de ſelfde Munt, ſonder den intereſt te vergeten. Zijn Patroon vergramt ſijnde ſoo vveghen de ſlagen die hy ontfangen hadde, als vvegen het gene met zijn Vrouvv ghepaſſeert vvas, dol zijnde om die tvvee affronten te regeneren, liep recht na het Paleys vande Baſſa, ende dede zijne klachten, verſoeckende datmen hem volghens de Turckſe Wetten ſoude levendigh verbranden. Men commandeerde de Sauſen (zynde Officiers vande Juſtitie) den miſdadigen voor de Vierſchare te brengen om zijn ſaecke te verantvvoorden. De ordre vvierde gheexecuteert, ende Oenofilo voor de Baſſa ghebracht, die hem[205]ſeyde: Gy wordt beſchuldigt dat ghy een Turck geſlagen hebt, ende dat arger is, uwen Patroon, ende volgens de wetten van dit Landt, moet ghy ofte het Chriſten Geloof verſaecken, ofte levendigh verbrandt worden. Don Oenofilo ontkende de feyt, ſeggende, dat hy ſich alleen ghedefendeert hadde tegens de ſlaghen, ende brocht een Turck tot ghetuyghe, die in zijn faveur ſprack: Maer de Baſſa wilde deſe excuſen niet aennemen, achtende de beſchuldinghe vande Patroon voor ghenoeghſaem bewijs. Hy gaf vonniſſe ſonder andere ſolemniteyt, dat Oenofilo ſoude kieſen ofte ſijn Geloof te verſaecken, ofte verbrandt te worden. Deſen ongeluckighen vindende ſijn ſelven dus aengeperſt, antwoorde als een goede Chriſten, ende een wel gereſolveerde Ridder, dat hy ſijn Geloof niet wilde verſaecken: Waer op ſententie uyt-geſproocken wierde, dat Don Oenofilo levendigh verbrandt ſoude worden: Men maeckte preparatien, ende de Sauſen brachten den miſdadigen tot de ſtraffe: Maer de Baſſa commandeerde datmen de executie ſoude uytſtellen tot nader ordre. De Baſſa gierigh zijnde, ende ten hooghſten gaeuw, vondt middel om met deſe miſdaet ſijn profijt te doen, ende proponeerde deſe reden aen die[206]vanden Raet welcke haer ſtemme tot de ſententie ghegheven hadden. Indien deſen miſdadighen, ſeyde hy, een andere Slaef gedoot hadde, zijn Patroon ſoude verobligeert zijn geweeſt voor den dooden Slaef te betalen of den miſdadigen over te geven tot profijt vande Patroon vande doode Slaef. Deſen miſdadigen heeft een Turck geſlagen, ’t welck een grooter miſdaedt is als een Chriſten gedoodt te hebben. Ende op het verſoeck van de Patroon ſelfs, hebben wy hem ter doode verweſen, door welcke verwijſinge heeft ſijn Patroon verloren de eygenſchap die hy over hem hadde, ende ick hebſe verkregen, als repreſenterende de perſoon van den Grooten Heere. Daerom hebbende de macht om pardon te gheven aende gecondemneerden, geve ick het leven aan deſe Slaef, waer door volght dat hy my toe-komt. Deſe reden wierde geapprobeert van alle de Agas de welcke het Officie van Raets-Heeren doen. Men verklaerde Don Oenofilo Slaef vande Baſſa door den raedt vande Agas: Ende de Patroon hebbende verloren de eygenſchap van zijn Slaef ende Vuyſt-ſlaghen ontfangen, wierde daerenboven verklaert een Hoorendrager van zijn Slaef. Men ſonde Don Oenofilo by de Slaven vande Baſſa, maer men[207]dede hem een Yſere Keten van 80. Ponden aen ſijne Beenen. Wanneer ick tot Argiers quam, woonde hy inde Stal van de Baſſa, alwaer ick particuliere kenniſſe met hem ghehadt hadde; Ende hem gevonden te zijn een Man vol van morale deughden: Ende in deſe miſerable Gevangeniſſe wiſte hy yeder een door zijne Wijſheyt ende opvoedinge ſoo te obligeeren, dat hy geſtadigh viſiten kreegh, ende zijne Lants-Luyden hem verſagen van alles dat hy van doen hadde. Wanneer ick van Argiers vertrock in ’t Iaer 1642. liet ick hem inde ſelfde ſtaet, geladen met Yſer ſonder te weten wat van hem ’t ſedert bekomen is.

XX. VERHAELDe Vrouwen ende de Wijn, bedrieghen de looste dieder zijn.

Een Ridder van een vande voonaemſte Familien van Portugael, dien wy alhier ſullen noemen Don Oenofilo, hadde menichmael ſijne verſchillen met het Rappier inde Handt gedecideert. Maer alſoo yder een blindt is in zijn eygen paſſie, moſte hy eenighe merckelijcke fauten begaen hebben: Want niet teghenſtaende zijne groote qualiteyt, was hy tweemael ter doot verweſen, ende door interceſſie vanden wel ſpreeckendenAvocaerArgent, die de Wetten doet uytleggen, ende de rigeur van het recht verſoeten ſoo als het hem belieft, ende door aſſiſtentie van zijne Vrienden, hadde Don Oenofilo tot twee mael toe pardon verkreghen. In het Iaer 1637. wierde hy noch eenmael beſchuldight van een Doodt-ſlagh begaen te hebben,[203]ende om de rigeur van Juſtitie te ontgaen, gingh hy op ſeeckere nacht Scheep met zijn Vrouw, om na Indien te gaen, zijnde een toevlucht van alle quaet-doenders van Portugael. Na dat hy eenige dagen in Zee geweeſt was, wierde het Schip genomen vande Turckſe Zee-Roovers. Don Oenofilo met zijn Vrouw wierden verkocht aen een Moor Parino ghenaemt om Slaven te zijn. Deſen nieuwen Slaef maeckte zijn accoort van rantſoen voor zijn Vrouwe, met conditie dat hy aldaer ſoude blijven tot borge, ende dat ſijn Vrouw in vryheydt ſoude wederom keeren om het rantſoen te ſenden. Sijn Vrouw wierde wegh geſonden ende vervvachte het Gelt van zijn rantſoen met goede devotie, ende alſoo hy niet en moſte vvercken gelijck andere ſlaven, liet de ledigheydt niet af hem vverck te gheven: Want hy vvierde verlieft op zijn Patroneſſe, ende alſoo hy het terſtont niet dorſte openbaren, vervvachte hy de tijdt ende uyre daer toe. Het ghebeurde dat hy kenniſſe maeckte met tvvee Ridders van Maltha, ſijnde Franſen, ende oock ſlaven, de vvelcke Don Oenofilo hielen voor een Man van goede verſtandt, vvel opghebrocht, ende naturelijck vvelſprekende. Deſe goede qualiteyt vermeerderden haer Vrientſchap,[204]ſoo dat de tvvee Franſe Ridders Don Oenofilo noodighden, ende na de maniere vande ſlaven obligeerden ſy hem beſcheyt te doen vvanneerſe hem toe droncken, het vvelcke Don Oenofilo in Portugael niet ghevvoon vvas. Met de Wijn in ’t Hooft, ende de liefde in ſijn Herte, gingh hy na Huys, ende begon zijne Patroneſſe te careſſeren. De Patroon quam op ’t ſlagh, die het ſelfde ſiende, viel terſtont op hem, ende gaf hem tvvee ofte drie luſtighe Vuyſt-ſlagen: Don Oenofilo die niet vvijſer vvas in zijn ſlavernye als hy in zijn vryheydt gevveeſt vvas, ende verſet zijnde vande liefde ende de Wijn, betaelde de vuyſt-ſlagen met de ſelfde Munt, ſonder den intereſt te vergeten. Zijn Patroon vergramt ſijnde ſoo vveghen de ſlagen die hy ontfangen hadde, als vvegen het gene met zijn Vrouvv ghepaſſeert vvas, dol zijnde om die tvvee affronten te regeneren, liep recht na het Paleys vande Baſſa, ende dede zijne klachten, verſoeckende datmen hem volghens de Turckſe Wetten ſoude levendigh verbranden. Men commandeerde de Sauſen (zynde Officiers vande Juſtitie) den miſdadigen voor de Vierſchare te brengen om zijn ſaecke te verantvvoorden. De ordre vvierde gheexecuteert, ende Oenofilo voor de Baſſa ghebracht, die hem[205]ſeyde: Gy wordt beſchuldigt dat ghy een Turck geſlagen hebt, ende dat arger is, uwen Patroon, ende volgens de wetten van dit Landt, moet ghy ofte het Chriſten Geloof verſaecken, ofte levendigh verbrandt worden. Don Oenofilo ontkende de feyt, ſeggende, dat hy ſich alleen ghedefendeert hadde tegens de ſlaghen, ende brocht een Turck tot ghetuyghe, die in zijn faveur ſprack: Maer de Baſſa wilde deſe excuſen niet aennemen, achtende de beſchuldinghe vande Patroon voor ghenoeghſaem bewijs. Hy gaf vonniſſe ſonder andere ſolemniteyt, dat Oenofilo ſoude kieſen ofte ſijn Geloof te verſaecken, ofte verbrandt te worden. Deſen ongeluckighen vindende ſijn ſelven dus aengeperſt, antwoorde als een goede Chriſten, ende een wel gereſolveerde Ridder, dat hy ſijn Geloof niet wilde verſaecken: Waer op ſententie uyt-geſproocken wierde, dat Don Oenofilo levendigh verbrandt ſoude worden: Men maeckte preparatien, ende de Sauſen brachten den miſdadigen tot de ſtraffe: Maer de Baſſa commandeerde datmen de executie ſoude uytſtellen tot nader ordre. De Baſſa gierigh zijnde, ende ten hooghſten gaeuw, vondt middel om met deſe miſdaet ſijn profijt te doen, ende proponeerde deſe reden aen die[206]vanden Raet welcke haer ſtemme tot de ſententie ghegheven hadden. Indien deſen miſdadighen, ſeyde hy, een andere Slaef gedoot hadde, zijn Patroon ſoude verobligeert zijn geweeſt voor den dooden Slaef te betalen of den miſdadigen over te geven tot profijt vande Patroon vande doode Slaef. Deſen miſdadigen heeft een Turck geſlagen, ’t welck een grooter miſdaedt is als een Chriſten gedoodt te hebben. Ende op het verſoeck van de Patroon ſelfs, hebben wy hem ter doode verweſen, door welcke verwijſinge heeft ſijn Patroon verloren de eygenſchap die hy over hem hadde, ende ick hebſe verkregen, als repreſenterende de perſoon van den Grooten Heere. Daerom hebbende de macht om pardon te gheven aende gecondemneerden, geve ick het leven aan deſe Slaef, waer door volght dat hy my toe-komt. Deſe reden wierde geapprobeert van alle de Agas de welcke het Officie van Raets-Heeren doen. Men verklaerde Don Oenofilo Slaef vande Baſſa door den raedt vande Agas: Ende de Patroon hebbende verloren de eygenſchap van zijn Slaef ende Vuyſt-ſlaghen ontfangen, wierde daerenboven verklaert een Hoorendrager van zijn Slaef. Men ſonde Don Oenofilo by de Slaven vande Baſſa, maer men[207]dede hem een Yſere Keten van 80. Ponden aen ſijne Beenen. Wanneer ick tot Argiers quam, woonde hy inde Stal van de Baſſa, alwaer ick particuliere kenniſſe met hem ghehadt hadde; Ende hem gevonden te zijn een Man vol van morale deughden: Ende in deſe miſerable Gevangeniſſe wiſte hy yeder een door zijne Wijſheyt ende opvoedinge ſoo te obligeeren, dat hy geſtadigh viſiten kreegh, ende zijne Lants-Luyden hem verſagen van alles dat hy van doen hadde. Wanneer ick van Argiers vertrock in ’t Iaer 1642. liet ick hem inde ſelfde ſtaet, geladen met Yſer ſonder te weten wat van hem ’t ſedert bekomen is.

Een Ridder van een vande voonaemſte Familien van Portugael, dien wy alhier ſullen noemen Don Oenofilo, hadde menichmael ſijne verſchillen met het Rappier inde Handt gedecideert. Maer alſoo yder een blindt is in zijn eygen paſſie, moſte hy eenighe merckelijcke fauten begaen hebben: Want niet teghenſtaende zijne groote qualiteyt, was hy tweemael ter doot verweſen, ende door interceſſie vanden wel ſpreeckendenAvocaerArgent, die de Wetten doet uytleggen, ende de rigeur van het recht verſoeten ſoo als het hem belieft, ende door aſſiſtentie van zijne Vrienden, hadde Don Oenofilo tot twee mael toe pardon verkreghen. In het Iaer 1637. wierde hy noch eenmael beſchuldight van een Doodt-ſlagh begaen te hebben,[203]ende om de rigeur van Juſtitie te ontgaen, gingh hy op ſeeckere nacht Scheep met zijn Vrouw, om na Indien te gaen, zijnde een toevlucht van alle quaet-doenders van Portugael. Na dat hy eenige dagen in Zee geweeſt was, wierde het Schip genomen vande Turckſe Zee-Roovers. Don Oenofilo met zijn Vrouw wierden verkocht aen een Moor Parino ghenaemt om Slaven te zijn. Deſen nieuwen Slaef maeckte zijn accoort van rantſoen voor zijn Vrouwe, met conditie dat hy aldaer ſoude blijven tot borge, ende dat ſijn Vrouw in vryheydt ſoude wederom keeren om het rantſoen te ſenden. Sijn Vrouw wierde wegh geſonden ende vervvachte het Gelt van zijn rantſoen met goede devotie, ende alſoo hy niet en moſte vvercken gelijck andere ſlaven, liet de ledigheydt niet af hem vverck te gheven: Want hy vvierde verlieft op zijn Patroneſſe, ende alſoo hy het terſtont niet dorſte openbaren, vervvachte hy de tijdt ende uyre daer toe. Het ghebeurde dat hy kenniſſe maeckte met tvvee Ridders van Maltha, ſijnde Franſen, ende oock ſlaven, de vvelcke Don Oenofilo hielen voor een Man van goede verſtandt, vvel opghebrocht, ende naturelijck vvelſprekende. Deſe goede qualiteyt vermeerderden haer Vrientſchap,[204]ſoo dat de tvvee Franſe Ridders Don Oenofilo noodighden, ende na de maniere vande ſlaven obligeerden ſy hem beſcheyt te doen vvanneerſe hem toe droncken, het vvelcke Don Oenofilo in Portugael niet ghevvoon vvas. Met de Wijn in ’t Hooft, ende de liefde in ſijn Herte, gingh hy na Huys, ende begon zijne Patroneſſe te careſſeren. De Patroon quam op ’t ſlagh, die het ſelfde ſiende, viel terſtont op hem, ende gaf hem tvvee ofte drie luſtighe Vuyſt-ſlagen: Don Oenofilo die niet vvijſer vvas in zijn ſlavernye als hy in zijn vryheydt gevveeſt vvas, ende verſet zijnde vande liefde ende de Wijn, betaelde de vuyſt-ſlagen met de ſelfde Munt, ſonder den intereſt te vergeten. Zijn Patroon vergramt ſijnde ſoo vveghen de ſlagen die hy ontfangen hadde, als vvegen het gene met zijn Vrouvv ghepaſſeert vvas, dol zijnde om die tvvee affronten te regeneren, liep recht na het Paleys vande Baſſa, ende dede zijne klachten, verſoeckende datmen hem volghens de Turckſe Wetten ſoude levendigh verbranden. Men commandeerde de Sauſen (zynde Officiers vande Juſtitie) den miſdadigen voor de Vierſchare te brengen om zijn ſaecke te verantvvoorden. De ordre vvierde gheexecuteert, ende Oenofilo voor de Baſſa ghebracht, die hem[205]ſeyde: Gy wordt beſchuldigt dat ghy een Turck geſlagen hebt, ende dat arger is, uwen Patroon, ende volgens de wetten van dit Landt, moet ghy ofte het Chriſten Geloof verſaecken, ofte levendigh verbrandt worden. Don Oenofilo ontkende de feyt, ſeggende, dat hy ſich alleen ghedefendeert hadde tegens de ſlaghen, ende brocht een Turck tot ghetuyghe, die in zijn faveur ſprack: Maer de Baſſa wilde deſe excuſen niet aennemen, achtende de beſchuldinghe vande Patroon voor ghenoeghſaem bewijs. Hy gaf vonniſſe ſonder andere ſolemniteyt, dat Oenofilo ſoude kieſen ofte ſijn Geloof te verſaecken, ofte verbrandt te worden. Deſen ongeluckighen vindende ſijn ſelven dus aengeperſt, antwoorde als een goede Chriſten, ende een wel gereſolveerde Ridder, dat hy ſijn Geloof niet wilde verſaecken: Waer op ſententie uyt-geſproocken wierde, dat Don Oenofilo levendigh verbrandt ſoude worden: Men maeckte preparatien, ende de Sauſen brachten den miſdadigen tot de ſtraffe: Maer de Baſſa commandeerde datmen de executie ſoude uytſtellen tot nader ordre. De Baſſa gierigh zijnde, ende ten hooghſten gaeuw, vondt middel om met deſe miſdaet ſijn profijt te doen, ende proponeerde deſe reden aen die[206]vanden Raet welcke haer ſtemme tot de ſententie ghegheven hadden. Indien deſen miſdadighen, ſeyde hy, een andere Slaef gedoot hadde, zijn Patroon ſoude verobligeert zijn geweeſt voor den dooden Slaef te betalen of den miſdadigen over te geven tot profijt vande Patroon vande doode Slaef. Deſen miſdadigen heeft een Turck geſlagen, ’t welck een grooter miſdaedt is als een Chriſten gedoodt te hebben. Ende op het verſoeck van de Patroon ſelfs, hebben wy hem ter doode verweſen, door welcke verwijſinge heeft ſijn Patroon verloren de eygenſchap die hy over hem hadde, ende ick hebſe verkregen, als repreſenterende de perſoon van den Grooten Heere. Daerom hebbende de macht om pardon te gheven aende gecondemneerden, geve ick het leven aan deſe Slaef, waer door volght dat hy my toe-komt. Deſe reden wierde geapprobeert van alle de Agas de welcke het Officie van Raets-Heeren doen. Men verklaerde Don Oenofilo Slaef vande Baſſa door den raedt vande Agas: Ende de Patroon hebbende verloren de eygenſchap van zijn Slaef ende Vuyſt-ſlaghen ontfangen, wierde daerenboven verklaert een Hoorendrager van zijn Slaef. Men ſonde Don Oenofilo by de Slaven vande Baſſa, maer men[207]dede hem een Yſere Keten van 80. Ponden aen ſijne Beenen. Wanneer ick tot Argiers quam, woonde hy inde Stal van de Baſſa, alwaer ick particuliere kenniſſe met hem ghehadt hadde; Ende hem gevonden te zijn een Man vol van morale deughden: Ende in deſe miſerable Gevangeniſſe wiſte hy yeder een door zijne Wijſheyt ende opvoedinge ſoo te obligeeren, dat hy geſtadigh viſiten kreegh, ende zijne Lants-Luyden hem verſagen van alles dat hy van doen hadde. Wanneer ick van Argiers vertrock in ’t Iaer 1642. liet ick hem inde ſelfde ſtaet, geladen met Yſer ſonder te weten wat van hem ’t ſedert bekomen is.

[Inhoud]XXI. VERHAEL.De middel om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn te gheneſen.Myn Patroon Alli Pegelin hadde onder ſijne Slaven eenen ghenaemt Ian Motoſa, de welcke ſchandelijck geraeckt was van het Napelſe quaet, ſoo datmen oordeelde dat hy niet bequaem was in qualiteyt[208]van een Slaef eenighen arbeyt te doen. Het voor-Iaer quam aen, ende de Galeyen ſouden in Zee gaen. Men commandeerde Ian Motoſa ſich te inbarqueren om te roeyen. Deſe ordre behaeghde hem gants niet, want hy dachte dat een ſtoove bequamer voor hem ſoude zijn als den arbeyt vande Galeye. Hy gaet na ſijn Patroon, ende ſeyde hem, uwe Signorie heeft gecommandeert dat ick my ſoudeimbarquereninde Galeyen, tot welcken arbeydt ick gants onbequaem ben, ende ick ben altoos geexcuſeert gheweeſt, door dien ick niet geſont ben. Pegelin vraeghde hem wat gebreck hy hadde. Hy antwoorde ront uyt, de Pocken. De Pocken ſeyde Pegelin al lachende, imbarqueert u inde Galeyen, dat ſal u gheſonder zijn als in Spaignen te ſweeten. Het welcke Pegelin ſeyde, waren Arreſten in ’t Parlement gearreſteert ſonder appel. Ian Motoſa imbarqueerde ſich, men doet een Keten aen zijn Voeten ghelijck aen d’ andere Slaven die roeyden, ende men dede hem arbeyden gelijck de andere. Sijn daghelijckſe koſt was out ende droogh Biſcuyt, zijn drincken klaer Water. ’t Eynde van 40. daghen (ick hebbe het met mijn Oogen gheſien) was Ian Motoſa ’t eenemael gheneſen, de reden daer van is,[209]om dat hy door den grooten arbeydt uyt der maten ſeer geſweet hadde, ende daerenboven drooge Koſt gegeten.Die ghenen welcken de Pocken hebben, mogen deſe remedie gebruycken ſo het haer belieft, om geneſen te worden.

XXI. VERHAEL.De middel om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn te gheneſen.

Myn Patroon Alli Pegelin hadde onder ſijne Slaven eenen ghenaemt Ian Motoſa, de welcke ſchandelijck geraeckt was van het Napelſe quaet, ſoo datmen oordeelde dat hy niet bequaem was in qualiteyt[208]van een Slaef eenighen arbeyt te doen. Het voor-Iaer quam aen, ende de Galeyen ſouden in Zee gaen. Men commandeerde Ian Motoſa ſich te inbarqueren om te roeyen. Deſe ordre behaeghde hem gants niet, want hy dachte dat een ſtoove bequamer voor hem ſoude zijn als den arbeyt vande Galeye. Hy gaet na ſijn Patroon, ende ſeyde hem, uwe Signorie heeft gecommandeert dat ick my ſoudeimbarquereninde Galeyen, tot welcken arbeydt ick gants onbequaem ben, ende ick ben altoos geexcuſeert gheweeſt, door dien ick niet geſont ben. Pegelin vraeghde hem wat gebreck hy hadde. Hy antwoorde ront uyt, de Pocken. De Pocken ſeyde Pegelin al lachende, imbarqueert u inde Galeyen, dat ſal u gheſonder zijn als in Spaignen te ſweeten. Het welcke Pegelin ſeyde, waren Arreſten in ’t Parlement gearreſteert ſonder appel. Ian Motoſa imbarqueerde ſich, men doet een Keten aen zijn Voeten ghelijck aen d’ andere Slaven die roeyden, ende men dede hem arbeyden gelijck de andere. Sijn daghelijckſe koſt was out ende droogh Biſcuyt, zijn drincken klaer Water. ’t Eynde van 40. daghen (ick hebbe het met mijn Oogen gheſien) was Ian Motoſa ’t eenemael gheneſen, de reden daer van is,[209]om dat hy door den grooten arbeydt uyt der maten ſeer geſweet hadde, ende daerenboven drooge Koſt gegeten.Die ghenen welcken de Pocken hebben, mogen deſe remedie gebruycken ſo het haer belieft, om geneſen te worden.

Myn Patroon Alli Pegelin hadde onder ſijne Slaven eenen ghenaemt Ian Motoſa, de welcke ſchandelijck geraeckt was van het Napelſe quaet, ſoo datmen oordeelde dat hy niet bequaem was in qualiteyt[208]van een Slaef eenighen arbeyt te doen. Het voor-Iaer quam aen, ende de Galeyen ſouden in Zee gaen. Men commandeerde Ian Motoſa ſich te inbarqueren om te roeyen. Deſe ordre behaeghde hem gants niet, want hy dachte dat een ſtoove bequamer voor hem ſoude zijn als den arbeyt vande Galeye. Hy gaet na ſijn Patroon, ende ſeyde hem, uwe Signorie heeft gecommandeert dat ick my ſoudeimbarquereninde Galeyen, tot welcken arbeydt ick gants onbequaem ben, ende ick ben altoos geexcuſeert gheweeſt, door dien ick niet geſont ben. Pegelin vraeghde hem wat gebreck hy hadde. Hy antwoorde ront uyt, de Pocken. De Pocken ſeyde Pegelin al lachende, imbarqueert u inde Galeyen, dat ſal u gheſonder zijn als in Spaignen te ſweeten. Het welcke Pegelin ſeyde, waren Arreſten in ’t Parlement gearreſteert ſonder appel. Ian Motoſa imbarqueerde ſich, men doet een Keten aen zijn Voeten ghelijck aen d’ andere Slaven die roeyden, ende men dede hem arbeyden gelijck de andere. Sijn daghelijckſe koſt was out ende droogh Biſcuyt, zijn drincken klaer Water. ’t Eynde van 40. daghen (ick hebbe het met mijn Oogen gheſien) was Ian Motoſa ’t eenemael gheneſen, de reden daer van is,[209]om dat hy door den grooten arbeydt uyt der maten ſeer geſweet hadde, ende daerenboven drooge Koſt gegeten.

Die ghenen welcken de Pocken hebben, mogen deſe remedie gebruycken ſo het haer belieft, om geneſen te worden.

[Inhoud]XXII. VERHAEL.Van een Franſman die Turcks wilde worden ende een Chriſten moeſt blijven tegen ſijn danck.Sekere Slaef van Alli Pegelin, ſijnde een Franſman,haddeeenighe reyſen op de Galeyen geroeyt. Deſen arbeydt hem niet behagende vraeghde hy permiſſie aen Pegelin, om ſijn Chriſten Geloof te verſaecken, ende worden Turcks: Het welcke Pegelin hem gants af-ſloegh, om dat de Gerenegeerde Slaven veel minder weerdig ſijn als wanneerſe Chriſtenen ſijn: De reden daer van is, omdat de Turcken haer niet en dienen van Gerenegeerde Roeyers, maer van Chriſtenen. Deſen Franſman wierde beſpot van ſijn Cameraets die Chriſtenen waren,[210]ende om ſich te bevryden van niet beſpot te worden, als mede om ſijn Patroon te forceren ſijn Geloof te doen verſaecken, addreſſeerde hy ſich aen eenige Gerenegeerde Franſen, ende eyſchte van haer een Turcks kleedt. Hy kleede ſich op ſijn Turcks, hy liet ſich op ſijn Turcks ſcheren, ende noemde ſich ſelven Moſtafa. Aldus toegeſtelt ſijnde gaet hy buyten de Stadt op een playſier-Huys van mijn Patroon, die genen welcke het Huys bewaerden, kenden hem ſeer wel, ende meenden dat hy ſijn Gheloof verſaeckt hadde met conſent van ſijn Patroon. Wanneer den looſen Pegelin verſtont dat den Franſman in ſijn Hof was, reede hy te peerde na die plaets toe, alwaer hy gekomen ſijnde, begon te roepen, Ian, ’t welck de Naem vande Fransman was: Ian preſenteerde ſich voor Pegelin, reſolutelijck antwoordende mijn Naem is Moſtafa, ende niet Ian. Alli Pegelin hem in die equipagie ſiende, riep vier Slaven, die den Franſman op de Aerde leyden, de Handen ende voeten kruys gewijs, ende gaven hem ſoo veel ſlagen met ſtocken, dat hy hem dede uyt-roepen, mijn naem is Ian, ende niet Moſtafa: Ick ben een Chriſten ende gheen Turck, ende ick ſal mijne Chriſten klederen wederom aen doen: Het[211]welcke hy ſoo wel dede dat Pegelin mochte ſeggen dat hy een Chriſten met Stock-ſlaghen wederom in het Chriſtendom gheſtelt hadde.

XXII. VERHAEL.Van een Franſman die Turcks wilde worden ende een Chriſten moeſt blijven tegen ſijn danck.

Sekere Slaef van Alli Pegelin, ſijnde een Franſman,haddeeenighe reyſen op de Galeyen geroeyt. Deſen arbeydt hem niet behagende vraeghde hy permiſſie aen Pegelin, om ſijn Chriſten Geloof te verſaecken, ende worden Turcks: Het welcke Pegelin hem gants af-ſloegh, om dat de Gerenegeerde Slaven veel minder weerdig ſijn als wanneerſe Chriſtenen ſijn: De reden daer van is, omdat de Turcken haer niet en dienen van Gerenegeerde Roeyers, maer van Chriſtenen. Deſen Franſman wierde beſpot van ſijn Cameraets die Chriſtenen waren,[210]ende om ſich te bevryden van niet beſpot te worden, als mede om ſijn Patroon te forceren ſijn Geloof te doen verſaecken, addreſſeerde hy ſich aen eenige Gerenegeerde Franſen, ende eyſchte van haer een Turcks kleedt. Hy kleede ſich op ſijn Turcks, hy liet ſich op ſijn Turcks ſcheren, ende noemde ſich ſelven Moſtafa. Aldus toegeſtelt ſijnde gaet hy buyten de Stadt op een playſier-Huys van mijn Patroon, die genen welcke het Huys bewaerden, kenden hem ſeer wel, ende meenden dat hy ſijn Gheloof verſaeckt hadde met conſent van ſijn Patroon. Wanneer den looſen Pegelin verſtont dat den Franſman in ſijn Hof was, reede hy te peerde na die plaets toe, alwaer hy gekomen ſijnde, begon te roepen, Ian, ’t welck de Naem vande Fransman was: Ian preſenteerde ſich voor Pegelin, reſolutelijck antwoordende mijn Naem is Moſtafa, ende niet Ian. Alli Pegelin hem in die equipagie ſiende, riep vier Slaven, die den Franſman op de Aerde leyden, de Handen ende voeten kruys gewijs, ende gaven hem ſoo veel ſlagen met ſtocken, dat hy hem dede uyt-roepen, mijn naem is Ian, ende niet Moſtafa: Ick ben een Chriſten ende gheen Turck, ende ick ſal mijne Chriſten klederen wederom aen doen: Het[211]welcke hy ſoo wel dede dat Pegelin mochte ſeggen dat hy een Chriſten met Stock-ſlaghen wederom in het Chriſtendom gheſtelt hadde.

Sekere Slaef van Alli Pegelin, ſijnde een Franſman,haddeeenighe reyſen op de Galeyen geroeyt. Deſen arbeydt hem niet behagende vraeghde hy permiſſie aen Pegelin, om ſijn Chriſten Geloof te verſaecken, ende worden Turcks: Het welcke Pegelin hem gants af-ſloegh, om dat de Gerenegeerde Slaven veel minder weerdig ſijn als wanneerſe Chriſtenen ſijn: De reden daer van is, omdat de Turcken haer niet en dienen van Gerenegeerde Roeyers, maer van Chriſtenen. Deſen Franſman wierde beſpot van ſijn Cameraets die Chriſtenen waren,[210]ende om ſich te bevryden van niet beſpot te worden, als mede om ſijn Patroon te forceren ſijn Geloof te doen verſaecken, addreſſeerde hy ſich aen eenige Gerenegeerde Franſen, ende eyſchte van haer een Turcks kleedt. Hy kleede ſich op ſijn Turcks, hy liet ſich op ſijn Turcks ſcheren, ende noemde ſich ſelven Moſtafa. Aldus toegeſtelt ſijnde gaet hy buyten de Stadt op een playſier-Huys van mijn Patroon, die genen welcke het Huys bewaerden, kenden hem ſeer wel, ende meenden dat hy ſijn Gheloof verſaeckt hadde met conſent van ſijn Patroon. Wanneer den looſen Pegelin verſtont dat den Franſman in ſijn Hof was, reede hy te peerde na die plaets toe, alwaer hy gekomen ſijnde, begon te roepen, Ian, ’t welck de Naem vande Fransman was: Ian preſenteerde ſich voor Pegelin, reſolutelijck antwoordende mijn Naem is Moſtafa, ende niet Ian. Alli Pegelin hem in die equipagie ſiende, riep vier Slaven, die den Franſman op de Aerde leyden, de Handen ende voeten kruys gewijs, ende gaven hem ſoo veel ſlagen met ſtocken, dat hy hem dede uyt-roepen, mijn naem is Ian, ende niet Moſtafa: Ick ben een Chriſten ende gheen Turck, ende ick ſal mijne Chriſten klederen wederom aen doen: Het[211]welcke hy ſoo wel dede dat Pegelin mochte ſeggen dat hy een Chriſten met Stock-ſlaghen wederom in het Chriſtendom gheſtelt hadde.

[Inhoud]XXIII. VERHAEL.Vande oprechtigheydt van een Ioodſe Dochter.Wanneer ick was inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez (gelijck ick in het diſcours vanmijnReyſe vertelt hebbe) na dat ick uyt de Mamore gegaen was, ’t welck een Gevangeniſſe onder de Aerde is, Monſieur Caloen en een Turck die ons bewaerde, ende ick, namen een Kamer inde Ioden ſtraet. Onſe Camer was ſonder Meubelen, want na onſe maniere van leven hadden wy geen Meubelen van doen: Ende wanneer wy begeerigh waren yets te koopen; diende de Ioden ons voor een kleyn ſtuck Gelts. Het gebeurde dat ſekere Iodinne ons yets gebracht hadde, ende ſy koute met my in ’t Portugijs, ende ick antwoorde haer in ’t Frans, ’t welck ſy heel wel verſtonde, ende ick verſtonde de[212]Portugijſe ſpraecke. Het was een Dochter van 16. ofte 18. Iaren, ende ſeer openhertigh, ick vraeghde haer ofſe getrouwt was, ſy antwoorde my neen: Ick repliceerde: My dunckt dat het een moeyelijcker dingh voor u moet zijn ſonder Man te leven als u te onthouden van Verken-Vleeſch te eten, ’t welck door de Wet Moyſis ſoo ſcherpelijck verboden is. Waer op ſy my ſeyde, nadien gy van Huwelijcken ſpreeckt, ſeght my, trouwtmen in u Landt in het Koninckrijck van Duynkerken ghelijckmen hier doet? Ick ſeyde ja. Ick vraghe ſeyde ſy, ofte een Man ſoo veel Vrouwen mach hebben als hyder hebben wil. Ick antwoorde haer; Het trouwen wordt aldaer heel anders ghedaen, als hier, want een Vrouw mach aldaer ſeven Mannen hebben, ende de Vrouw heeft het commandement over alle haer Mans. Sy vraegde my, wie van die ſeven Mannen by de Vrouw ſliep: Ick antwoorde haer, dat ſulcx by dagen ende Maenden geſchiede, maer dat die gene welcke ſijn Vrouw beſt diende, aldermeeſt by haer ſliep.Dit diſcours behaeghde de Iodinne ſoo ſeer datſe my ſeyde: Godt ſegene een ſoodanigh Landt.[213]

XXIII. VERHAEL.Vande oprechtigheydt van een Ioodſe Dochter.

Wanneer ick was inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez (gelijck ick in het diſcours vanmijnReyſe vertelt hebbe) na dat ick uyt de Mamore gegaen was, ’t welck een Gevangeniſſe onder de Aerde is, Monſieur Caloen en een Turck die ons bewaerde, ende ick, namen een Kamer inde Ioden ſtraet. Onſe Camer was ſonder Meubelen, want na onſe maniere van leven hadden wy geen Meubelen van doen: Ende wanneer wy begeerigh waren yets te koopen; diende de Ioden ons voor een kleyn ſtuck Gelts. Het gebeurde dat ſekere Iodinne ons yets gebracht hadde, ende ſy koute met my in ’t Portugijs, ende ick antwoorde haer in ’t Frans, ’t welck ſy heel wel verſtonde, ende ick verſtonde de[212]Portugijſe ſpraecke. Het was een Dochter van 16. ofte 18. Iaren, ende ſeer openhertigh, ick vraeghde haer ofſe getrouwt was, ſy antwoorde my neen: Ick repliceerde: My dunckt dat het een moeyelijcker dingh voor u moet zijn ſonder Man te leven als u te onthouden van Verken-Vleeſch te eten, ’t welck door de Wet Moyſis ſoo ſcherpelijck verboden is. Waer op ſy my ſeyde, nadien gy van Huwelijcken ſpreeckt, ſeght my, trouwtmen in u Landt in het Koninckrijck van Duynkerken ghelijckmen hier doet? Ick ſeyde ja. Ick vraghe ſeyde ſy, ofte een Man ſoo veel Vrouwen mach hebben als hyder hebben wil. Ick antwoorde haer; Het trouwen wordt aldaer heel anders ghedaen, als hier, want een Vrouw mach aldaer ſeven Mannen hebben, ende de Vrouw heeft het commandement over alle haer Mans. Sy vraegde my, wie van die ſeven Mannen by de Vrouw ſliep: Ick antwoorde haer, dat ſulcx by dagen ende Maenden geſchiede, maer dat die gene welcke ſijn Vrouw beſt diende, aldermeeſt by haer ſliep.Dit diſcours behaeghde de Iodinne ſoo ſeer datſe my ſeyde: Godt ſegene een ſoodanigh Landt.[213]

Wanneer ick was inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez (gelijck ick in het diſcours vanmijnReyſe vertelt hebbe) na dat ick uyt de Mamore gegaen was, ’t welck een Gevangeniſſe onder de Aerde is, Monſieur Caloen en een Turck die ons bewaerde, ende ick, namen een Kamer inde Ioden ſtraet. Onſe Camer was ſonder Meubelen, want na onſe maniere van leven hadden wy geen Meubelen van doen: Ende wanneer wy begeerigh waren yets te koopen; diende de Ioden ons voor een kleyn ſtuck Gelts. Het gebeurde dat ſekere Iodinne ons yets gebracht hadde, ende ſy koute met my in ’t Portugijs, ende ick antwoorde haer in ’t Frans, ’t welck ſy heel wel verſtonde, ende ick verſtonde de[212]Portugijſe ſpraecke. Het was een Dochter van 16. ofte 18. Iaren, ende ſeer openhertigh, ick vraeghde haer ofſe getrouwt was, ſy antwoorde my neen: Ick repliceerde: My dunckt dat het een moeyelijcker dingh voor u moet zijn ſonder Man te leven als u te onthouden van Verken-Vleeſch te eten, ’t welck door de Wet Moyſis ſoo ſcherpelijck verboden is. Waer op ſy my ſeyde, nadien gy van Huwelijcken ſpreeckt, ſeght my, trouwtmen in u Landt in het Koninckrijck van Duynkerken ghelijckmen hier doet? Ick ſeyde ja. Ick vraghe ſeyde ſy, ofte een Man ſoo veel Vrouwen mach hebben als hyder hebben wil. Ick antwoorde haer; Het trouwen wordt aldaer heel anders ghedaen, als hier, want een Vrouw mach aldaer ſeven Mannen hebben, ende de Vrouw heeft het commandement over alle haer Mans. Sy vraegde my, wie van die ſeven Mannen by de Vrouw ſliep: Ick antwoorde haer, dat ſulcx by dagen ende Maenden geſchiede, maer dat die gene welcke ſijn Vrouw beſt diende, aldermeeſt by haer ſliep.

Dit diſcours behaeghde de Iodinne ſoo ſeer datſe my ſeyde: Godt ſegene een ſoodanigh Landt.[213]

[Inhoud]XXIV. VERHAEL.Van het wijs retireren van een Zee-Roover.In het Iaer 1638. waſſer tot Argiers een Turckſe Soldaet, die verſcheyde Reyſen op Zee ghedaen hadde, als ſimpel Soldaet, ende hebbende met grootelijcx te menageren de ſomme van twee hondert ſtucken van achten verkregen, preſumeerde hy by zijn ſelven dat hy Rijck ghenoegh was om een Capiteyn ende Reeder te zyn. Hy kochte een kleyn Scheepje ’t vvelck koſte Zeylen ende geroeyt vvorden als het ſtil vvas. Hy ſtelde een Vlagge op ſijn Schip tot een teecken, dat die de Zee met hem vvilden varen, aen Boort ſouden komen: Hy kreegh 16. Turckſe Soldaten ende Gerenegeerden: Sy begoſten de Zee te kruyſſen op de Spaenſe Kuſt tuſſchen S. Lucar ende Cadix. Eenige Coopluyden van Cadix hadden voorghenomen in een Enghels Schip ’t welck inde Haven van S. Lucar lagh 60. Balen Silver te brenghen. Om dit voornemen te doen ghelucken ſonder ondeckt te worden (want men magh ſonder permiſſie[214]vande Coningh geen Gelt op Lijf-ſtraffe uyt het Landt ſenden) hadden deſe Coop-Luyden geaccordeert met ſeeckere perſoon: die onder goede conditien ſich verobligeerde de voorſz 60. Baren Silver aen Boort van het Engels Schip te brengen. Volgens het Contract komt hy ’s nachts waer het Silver was, vergeſelſchapt met 18. avonturiers, gewapent met Rappieren, kleyne Rondaſſen, ende vier Muſquetten, zijnde Wapenen genoegh om haer te beſchermen tegens de Officiers vande Iuſtitie. Sy deden het Gelt in een kleyne Barck, om het ſelfde in het Engels Schip te brengen. De voorſz kleyne Turckſe Zee-Roover, vernam haer ende approcheerde. ’t Welck de Spaignaerts ſiende, verwachten haer met reſolutie, indienſe aen Boort quamen, met het Rappier inde Handt in het Turckſe Schip te ſpringen, ende haer alle te dooden. De Turcken begoſten te ſchieten, ende alſoo de Spaignaerts met hare Muſquetten kouwelijck antwoorden, oordeelde terſtont de Turckſe Capiteyn die den Oorlogh verſtont, dat de Chriſtenen geen Vier-Gheweeren hadden, en beval datmen niet meer ſoude approcheren, maer gedurigh van verre af te ſchieten: ’t welck ſy deden, ende na een uyrs gevecht, vier avonturiers ghedoodt[215]ſijnde, ende andere gequetſt, heeft de reſt haer overgegeven op de genade vande Turcken, die ſonder vertoeven het Silver ende de Gevangens in haer Schepen namen, latende de Spaenſe Barck neffens vier doode Lichamen op de ghenade van de golven. Deſe Barck met de vier doode Lichamen wierde drie daghen daer na dight by S. Lucar aen Landt geworpen, alwaer ick doen ter tijdt was. De Turckſe Capiteyn keerde wederom na Argiers, alwaer hy gekomen zijnde, den Buyt na de ghewoonte loſte, ofte om beter te ſegghen na de ordinantie vande Baſſa, te weten de helft voor hem ſelven, om dat hy alleen Reeder daer van was, ende d’ andere half voor de Soldaten. Wanneer het achtſte part voor de Baſſa afgetrocken was neffens andere onkoſten, was het gedeelte vande voorſz Capiteyn, van dertigh Baren Silver, weerdigh ſijnde dertigh duyſendt ſtucken van achten. Deſen Capiteyn verkreegh neffens dit Gelt veele Vrienden. Eenighe voorneme Zee-Roovers wilden hem het commandement gheven vande voornaemſte Schepen van Argiers, maer hy als wijs ſijnde, dede haer dit antwoordt: Ick hebbe mijn leven menighmael in perijckel gheſtelt, om 200. ſtucken van achten te winnen, welcke ſomme[216]niet ſuffiſant was om mijn leven mede te eyndigen, ſonder wederom in het perijckel te gaen: Nu ick genoeg hebbe om aen Land op mijn gemack te leven tot het eynde van mijn daghen, houde ick de ſpot met het perijckel van de Zee. Hy trouwde met de Dochter van een Tagarijn die ſeer Rijck was, ende leefde na zijne qualiteyt ſeer gheluckigh ſonder ſich met yets te moeyen.

XXIV. VERHAEL.Van het wijs retireren van een Zee-Roover.

In het Iaer 1638. waſſer tot Argiers een Turckſe Soldaet, die verſcheyde Reyſen op Zee ghedaen hadde, als ſimpel Soldaet, ende hebbende met grootelijcx te menageren de ſomme van twee hondert ſtucken van achten verkregen, preſumeerde hy by zijn ſelven dat hy Rijck ghenoegh was om een Capiteyn ende Reeder te zyn. Hy kochte een kleyn Scheepje ’t vvelck koſte Zeylen ende geroeyt vvorden als het ſtil vvas. Hy ſtelde een Vlagge op ſijn Schip tot een teecken, dat die de Zee met hem vvilden varen, aen Boort ſouden komen: Hy kreegh 16. Turckſe Soldaten ende Gerenegeerden: Sy begoſten de Zee te kruyſſen op de Spaenſe Kuſt tuſſchen S. Lucar ende Cadix. Eenige Coopluyden van Cadix hadden voorghenomen in een Enghels Schip ’t welck inde Haven van S. Lucar lagh 60. Balen Silver te brenghen. Om dit voornemen te doen ghelucken ſonder ondeckt te worden (want men magh ſonder permiſſie[214]vande Coningh geen Gelt op Lijf-ſtraffe uyt het Landt ſenden) hadden deſe Coop-Luyden geaccordeert met ſeeckere perſoon: die onder goede conditien ſich verobligeerde de voorſz 60. Baren Silver aen Boort van het Engels Schip te brengen. Volgens het Contract komt hy ’s nachts waer het Silver was, vergeſelſchapt met 18. avonturiers, gewapent met Rappieren, kleyne Rondaſſen, ende vier Muſquetten, zijnde Wapenen genoegh om haer te beſchermen tegens de Officiers vande Iuſtitie. Sy deden het Gelt in een kleyne Barck, om het ſelfde in het Engels Schip te brengen. De voorſz kleyne Turckſe Zee-Roover, vernam haer ende approcheerde. ’t Welck de Spaignaerts ſiende, verwachten haer met reſolutie, indienſe aen Boort quamen, met het Rappier inde Handt in het Turckſe Schip te ſpringen, ende haer alle te dooden. De Turcken begoſten te ſchieten, ende alſoo de Spaignaerts met hare Muſquetten kouwelijck antwoorden, oordeelde terſtont de Turckſe Capiteyn die den Oorlogh verſtont, dat de Chriſtenen geen Vier-Gheweeren hadden, en beval datmen niet meer ſoude approcheren, maer gedurigh van verre af te ſchieten: ’t welck ſy deden, ende na een uyrs gevecht, vier avonturiers ghedoodt[215]ſijnde, ende andere gequetſt, heeft de reſt haer overgegeven op de genade vande Turcken, die ſonder vertoeven het Silver ende de Gevangens in haer Schepen namen, latende de Spaenſe Barck neffens vier doode Lichamen op de ghenade van de golven. Deſe Barck met de vier doode Lichamen wierde drie daghen daer na dight by S. Lucar aen Landt geworpen, alwaer ick doen ter tijdt was. De Turckſe Capiteyn keerde wederom na Argiers, alwaer hy gekomen zijnde, den Buyt na de ghewoonte loſte, ofte om beter te ſegghen na de ordinantie vande Baſſa, te weten de helft voor hem ſelven, om dat hy alleen Reeder daer van was, ende d’ andere half voor de Soldaten. Wanneer het achtſte part voor de Baſſa afgetrocken was neffens andere onkoſten, was het gedeelte vande voorſz Capiteyn, van dertigh Baren Silver, weerdigh ſijnde dertigh duyſendt ſtucken van achten. Deſen Capiteyn verkreegh neffens dit Gelt veele Vrienden. Eenighe voorneme Zee-Roovers wilden hem het commandement gheven vande voornaemſte Schepen van Argiers, maer hy als wijs ſijnde, dede haer dit antwoordt: Ick hebbe mijn leven menighmael in perijckel gheſtelt, om 200. ſtucken van achten te winnen, welcke ſomme[216]niet ſuffiſant was om mijn leven mede te eyndigen, ſonder wederom in het perijckel te gaen: Nu ick genoeg hebbe om aen Land op mijn gemack te leven tot het eynde van mijn daghen, houde ick de ſpot met het perijckel van de Zee. Hy trouwde met de Dochter van een Tagarijn die ſeer Rijck was, ende leefde na zijne qualiteyt ſeer gheluckigh ſonder ſich met yets te moeyen.

In het Iaer 1638. waſſer tot Argiers een Turckſe Soldaet, die verſcheyde Reyſen op Zee ghedaen hadde, als ſimpel Soldaet, ende hebbende met grootelijcx te menageren de ſomme van twee hondert ſtucken van achten verkregen, preſumeerde hy by zijn ſelven dat hy Rijck ghenoegh was om een Capiteyn ende Reeder te zyn. Hy kochte een kleyn Scheepje ’t vvelck koſte Zeylen ende geroeyt vvorden als het ſtil vvas. Hy ſtelde een Vlagge op ſijn Schip tot een teecken, dat die de Zee met hem vvilden varen, aen Boort ſouden komen: Hy kreegh 16. Turckſe Soldaten ende Gerenegeerden: Sy begoſten de Zee te kruyſſen op de Spaenſe Kuſt tuſſchen S. Lucar ende Cadix. Eenige Coopluyden van Cadix hadden voorghenomen in een Enghels Schip ’t welck inde Haven van S. Lucar lagh 60. Balen Silver te brenghen. Om dit voornemen te doen ghelucken ſonder ondeckt te worden (want men magh ſonder permiſſie[214]vande Coningh geen Gelt op Lijf-ſtraffe uyt het Landt ſenden) hadden deſe Coop-Luyden geaccordeert met ſeeckere perſoon: die onder goede conditien ſich verobligeerde de voorſz 60. Baren Silver aen Boort van het Engels Schip te brengen. Volgens het Contract komt hy ’s nachts waer het Silver was, vergeſelſchapt met 18. avonturiers, gewapent met Rappieren, kleyne Rondaſſen, ende vier Muſquetten, zijnde Wapenen genoegh om haer te beſchermen tegens de Officiers vande Iuſtitie. Sy deden het Gelt in een kleyne Barck, om het ſelfde in het Engels Schip te brengen. De voorſz kleyne Turckſe Zee-Roover, vernam haer ende approcheerde. ’t Welck de Spaignaerts ſiende, verwachten haer met reſolutie, indienſe aen Boort quamen, met het Rappier inde Handt in het Turckſe Schip te ſpringen, ende haer alle te dooden. De Turcken begoſten te ſchieten, ende alſoo de Spaignaerts met hare Muſquetten kouwelijck antwoorden, oordeelde terſtont de Turckſe Capiteyn die den Oorlogh verſtont, dat de Chriſtenen geen Vier-Gheweeren hadden, en beval datmen niet meer ſoude approcheren, maer gedurigh van verre af te ſchieten: ’t welck ſy deden, ende na een uyrs gevecht, vier avonturiers ghedoodt[215]ſijnde, ende andere gequetſt, heeft de reſt haer overgegeven op de genade vande Turcken, die ſonder vertoeven het Silver ende de Gevangens in haer Schepen namen, latende de Spaenſe Barck neffens vier doode Lichamen op de ghenade van de golven. Deſe Barck met de vier doode Lichamen wierde drie daghen daer na dight by S. Lucar aen Landt geworpen, alwaer ick doen ter tijdt was. De Turckſe Capiteyn keerde wederom na Argiers, alwaer hy gekomen zijnde, den Buyt na de ghewoonte loſte, ofte om beter te ſegghen na de ordinantie vande Baſſa, te weten de helft voor hem ſelven, om dat hy alleen Reeder daer van was, ende d’ andere half voor de Soldaten. Wanneer het achtſte part voor de Baſſa afgetrocken was neffens andere onkoſten, was het gedeelte vande voorſz Capiteyn, van dertigh Baren Silver, weerdigh ſijnde dertigh duyſendt ſtucken van achten. Deſen Capiteyn verkreegh neffens dit Gelt veele Vrienden. Eenighe voorneme Zee-Roovers wilden hem het commandement gheven vande voornaemſte Schepen van Argiers, maer hy als wijs ſijnde, dede haer dit antwoordt: Ick hebbe mijn leven menighmael in perijckel gheſtelt, om 200. ſtucken van achten te winnen, welcke ſomme[216]niet ſuffiſant was om mijn leven mede te eyndigen, ſonder wederom in het perijckel te gaen: Nu ick genoeg hebbe om aen Land op mijn gemack te leven tot het eynde van mijn daghen, houde ick de ſpot met het perijckel van de Zee. Hy trouwde met de Dochter van een Tagarijn die ſeer Rijck was, ende leefde na zijne qualiteyt ſeer gheluckigh ſonder ſich met yets te moeyen.

[Inhoud]XXV. VERHAEL.Godt gheleydt door ſijn voorſienigheydt den ghenen die een goede intentie hebben.Wanneer ick in ’t Iaer 1641. inde Bain van Alli Pegelin was, hadden wy onder andere Gardianen (welcke ſijn die genen die de ſorge hebben dat de Slaven arbeyden) een Gerenegeerde Spaignaert, geboren vanCaſtilla la vieja, genoemt Amet: Het ghebeurde in mijn tijt, dat wy in het Veldt moſten arbeyden, ende Amet hadde het commandement over 30. ofte 40. Chriſtenen:[217]Ende wanneer de Chriſtenen die hy commandeerde, wat verre af waren, datſe vande andere Gardianen niet koſten gheſien werden, liet hy haer arbeyden na haer eyghen diſcretie: Ende ſoo haeſt als hy vernam dat eenige Turck haer konde ſien, riep hy als een uytſinnigh Menſche, arbeydt ghy Honden, arbeydt, ofte ick ſal u het Hooft aen ſtucken ſlaen, ſonder nochtans yemant te raecken: Seggende al ſoetjes: Al roep ick ſoo, verwondert u niet, ende daerom overwerct u ſelven niet, ick doe dat om dat de andere Gardianen ſouden ghelooven dat ick mijn devoir doe. Het gebeurde inde ſelfde Somer, dat onſen Patroon Pegelin commandeerde dat Amet ſich in ſijn Galeye ſoude imbarqueren, om ſorge over de Chriſtenen te hebben, ende tweemael daeghs te ſien na de Yſers aende Beenen van de Chriſtenen, oftſe in goede ordre waren: Als mede om het biſcuyt te diſtribueren onder de Slaven, ende andre dienſten van de Galeye te doen. Het ghebeurde datſe quamen op de Kuſt van het Koninckrijck van Valence in Spaignen, ’twelck een Landt is ghelijck de andere Kuſten van Spaignen by na ſonder Volck. Men liet het Ancker vallen, ende terſtont ginghender vele Turcken aen Landt om buyt te[218]ſoecken, ende vvanneerſe aen de Zee-Kant niemendal vonden, maecktenſe Vier, ende op ’t Landt de Keucken na de maniere vvanneer de Soldaten van de Galeyen haer ververſſchen. Ondertuſſchen gaf Pegelin ordre dat 50. Chriſten Slaven vijf en vijf aen malkander ghebonden met haer Tonnekens Water ſouden gaen halen uyt een Fonteyne die een vierendeel uyrs van haer was, ende om de ſelfde te bewaren voeghde hy 25. Muſquettiers, ende Amet met een Stock daer by, ende om de Slaven te doen marcheren. Wanneerſe begonnen te marcheren, riep Pegelin uyt zijn Galeye aende Commandeur van de 25. Turcken, neemt acht op de Chriſtenen, ende mede op Amet, dat hy niet wegh loope, want ick my gants niet van hem vertrouwe. Met deſe laetſte ordre, marcheerden ſy recht na de Fonteyne, ende wanneer de Tonnekens gevolt waren, keerdenſe wederom na de Galeye. De Muſquettiers volghden haer met Amet, de welcke in ’t kouten met de Soldaten gheraeckte inde arriere Garde, ende ſpreeckende aen den ghenen die de laetſte marcheerde, ſeyde hy, toeft een weynigh ſoo het u belieft, ick moet mijn gevoegh eens doen. Den andere antwoorde hem, ghy onbeleefden, doet u dinghen[219]alleen, moet ick om ſoodanigen ſaecke vertoeven? Ende hy marcheerde voorts met de Troupe. Amet toonde als ofte hy zijn Broeck los maeckte, ende ſiende dat de Troup een Muſquet ſchoot ofte daer ontrent van hem af was, keerde ſich om ende liep met ſoodanighen raſheydt wech, dat hy niet verre van daer by een kleyn Caſteel quam. De Turcken ſchooten eenighe Muſquetten na hem, maer hy was te verre af, ende de andere quamen met het Water wederom inde Galeye. Pegelin ſeyde, waer is Amet? Verſtaen hebbende dat hy geeſcappeert was, bekeef hy de Soldaten ſeer, die haer ſelven excuſeerden, ſeggende, dat het Caſteel ſoo dicht daer by was, dat hy ſich daer binnen gheſalveert heeft. Een kleyne Ionghe van 14. Iaren Gerenegeert, van Marſeillen gheboren, genaemt Noſtafa (dien ick wel ghekent hebbe,) diende Pegelin op de Galeye in qualiteyt van Pagie, dewelcke deſe diſcourſen verſtaende, gaet ſonder een woordt te ſpreecken met de Soldaten aen Landt, de welcke doende waren met de Keucken te maecken, ende met haer koutende remarqueerde hy de wegh na het Caſteel, hy keerde wederom na de Galeye, gingh om leegh waer ſijn Goetje was, ende dede een ſchoon Hembde[220]aen, ende ſijn beſte Hembt-Rock, ende gingh uyt de Galeye: Daer was niemant die acht ſloegh op deſe Ionge: Ende hy ſiende een favorable occaſie volghde Amet op het Caſteel met ghelijck gheluck. Ghy ſiet door dit diſcours hoe dat Godt de perſoonen die een goede intentie hebben gheleyt door zijne wonderlijcke voorſienigheydt.

XXV. VERHAEL.Godt gheleydt door ſijn voorſienigheydt den ghenen die een goede intentie hebben.

Wanneer ick in ’t Iaer 1641. inde Bain van Alli Pegelin was, hadden wy onder andere Gardianen (welcke ſijn die genen die de ſorge hebben dat de Slaven arbeyden) een Gerenegeerde Spaignaert, geboren vanCaſtilla la vieja, genoemt Amet: Het ghebeurde in mijn tijt, dat wy in het Veldt moſten arbeyden, ende Amet hadde het commandement over 30. ofte 40. Chriſtenen:[217]Ende wanneer de Chriſtenen die hy commandeerde, wat verre af waren, datſe vande andere Gardianen niet koſten gheſien werden, liet hy haer arbeyden na haer eyghen diſcretie: Ende ſoo haeſt als hy vernam dat eenige Turck haer konde ſien, riep hy als een uytſinnigh Menſche, arbeydt ghy Honden, arbeydt, ofte ick ſal u het Hooft aen ſtucken ſlaen, ſonder nochtans yemant te raecken: Seggende al ſoetjes: Al roep ick ſoo, verwondert u niet, ende daerom overwerct u ſelven niet, ick doe dat om dat de andere Gardianen ſouden ghelooven dat ick mijn devoir doe. Het gebeurde inde ſelfde Somer, dat onſen Patroon Pegelin commandeerde dat Amet ſich in ſijn Galeye ſoude imbarqueren, om ſorge over de Chriſtenen te hebben, ende tweemael daeghs te ſien na de Yſers aende Beenen van de Chriſtenen, oftſe in goede ordre waren: Als mede om het biſcuyt te diſtribueren onder de Slaven, ende andre dienſten van de Galeye te doen. Het ghebeurde datſe quamen op de Kuſt van het Koninckrijck van Valence in Spaignen, ’twelck een Landt is ghelijck de andere Kuſten van Spaignen by na ſonder Volck. Men liet het Ancker vallen, ende terſtont ginghender vele Turcken aen Landt om buyt te[218]ſoecken, ende vvanneerſe aen de Zee-Kant niemendal vonden, maecktenſe Vier, ende op ’t Landt de Keucken na de maniere vvanneer de Soldaten van de Galeyen haer ververſſchen. Ondertuſſchen gaf Pegelin ordre dat 50. Chriſten Slaven vijf en vijf aen malkander ghebonden met haer Tonnekens Water ſouden gaen halen uyt een Fonteyne die een vierendeel uyrs van haer was, ende om de ſelfde te bewaren voeghde hy 25. Muſquettiers, ende Amet met een Stock daer by, ende om de Slaven te doen marcheren. Wanneerſe begonnen te marcheren, riep Pegelin uyt zijn Galeye aende Commandeur van de 25. Turcken, neemt acht op de Chriſtenen, ende mede op Amet, dat hy niet wegh loope, want ick my gants niet van hem vertrouwe. Met deſe laetſte ordre, marcheerden ſy recht na de Fonteyne, ende wanneer de Tonnekens gevolt waren, keerdenſe wederom na de Galeye. De Muſquettiers volghden haer met Amet, de welcke in ’t kouten met de Soldaten gheraeckte inde arriere Garde, ende ſpreeckende aen den ghenen die de laetſte marcheerde, ſeyde hy, toeft een weynigh ſoo het u belieft, ick moet mijn gevoegh eens doen. Den andere antwoorde hem, ghy onbeleefden, doet u dinghen[219]alleen, moet ick om ſoodanigen ſaecke vertoeven? Ende hy marcheerde voorts met de Troupe. Amet toonde als ofte hy zijn Broeck los maeckte, ende ſiende dat de Troup een Muſquet ſchoot ofte daer ontrent van hem af was, keerde ſich om ende liep met ſoodanighen raſheydt wech, dat hy niet verre van daer by een kleyn Caſteel quam. De Turcken ſchooten eenighe Muſquetten na hem, maer hy was te verre af, ende de andere quamen met het Water wederom inde Galeye. Pegelin ſeyde, waer is Amet? Verſtaen hebbende dat hy geeſcappeert was, bekeef hy de Soldaten ſeer, die haer ſelven excuſeerden, ſeggende, dat het Caſteel ſoo dicht daer by was, dat hy ſich daer binnen gheſalveert heeft. Een kleyne Ionghe van 14. Iaren Gerenegeert, van Marſeillen gheboren, genaemt Noſtafa (dien ick wel ghekent hebbe,) diende Pegelin op de Galeye in qualiteyt van Pagie, dewelcke deſe diſcourſen verſtaende, gaet ſonder een woordt te ſpreecken met de Soldaten aen Landt, de welcke doende waren met de Keucken te maecken, ende met haer koutende remarqueerde hy de wegh na het Caſteel, hy keerde wederom na de Galeye, gingh om leegh waer ſijn Goetje was, ende dede een ſchoon Hembde[220]aen, ende ſijn beſte Hembt-Rock, ende gingh uyt de Galeye: Daer was niemant die acht ſloegh op deſe Ionge: Ende hy ſiende een favorable occaſie volghde Amet op het Caſteel met ghelijck gheluck. Ghy ſiet door dit diſcours hoe dat Godt de perſoonen die een goede intentie hebben gheleyt door zijne wonderlijcke voorſienigheydt.

Wanneer ick in ’t Iaer 1641. inde Bain van Alli Pegelin was, hadden wy onder andere Gardianen (welcke ſijn die genen die de ſorge hebben dat de Slaven arbeyden) een Gerenegeerde Spaignaert, geboren vanCaſtilla la vieja, genoemt Amet: Het ghebeurde in mijn tijt, dat wy in het Veldt moſten arbeyden, ende Amet hadde het commandement over 30. ofte 40. Chriſtenen:[217]Ende wanneer de Chriſtenen die hy commandeerde, wat verre af waren, datſe vande andere Gardianen niet koſten gheſien werden, liet hy haer arbeyden na haer eyghen diſcretie: Ende ſoo haeſt als hy vernam dat eenige Turck haer konde ſien, riep hy als een uytſinnigh Menſche, arbeydt ghy Honden, arbeydt, ofte ick ſal u het Hooft aen ſtucken ſlaen, ſonder nochtans yemant te raecken: Seggende al ſoetjes: Al roep ick ſoo, verwondert u niet, ende daerom overwerct u ſelven niet, ick doe dat om dat de andere Gardianen ſouden ghelooven dat ick mijn devoir doe. Het gebeurde inde ſelfde Somer, dat onſen Patroon Pegelin commandeerde dat Amet ſich in ſijn Galeye ſoude imbarqueren, om ſorge over de Chriſtenen te hebben, ende tweemael daeghs te ſien na de Yſers aende Beenen van de Chriſtenen, oftſe in goede ordre waren: Als mede om het biſcuyt te diſtribueren onder de Slaven, ende andre dienſten van de Galeye te doen. Het ghebeurde datſe quamen op de Kuſt van het Koninckrijck van Valence in Spaignen, ’twelck een Landt is ghelijck de andere Kuſten van Spaignen by na ſonder Volck. Men liet het Ancker vallen, ende terſtont ginghender vele Turcken aen Landt om buyt te[218]ſoecken, ende vvanneerſe aen de Zee-Kant niemendal vonden, maecktenſe Vier, ende op ’t Landt de Keucken na de maniere vvanneer de Soldaten van de Galeyen haer ververſſchen. Ondertuſſchen gaf Pegelin ordre dat 50. Chriſten Slaven vijf en vijf aen malkander ghebonden met haer Tonnekens Water ſouden gaen halen uyt een Fonteyne die een vierendeel uyrs van haer was, ende om de ſelfde te bewaren voeghde hy 25. Muſquettiers, ende Amet met een Stock daer by, ende om de Slaven te doen marcheren. Wanneerſe begonnen te marcheren, riep Pegelin uyt zijn Galeye aende Commandeur van de 25. Turcken, neemt acht op de Chriſtenen, ende mede op Amet, dat hy niet wegh loope, want ick my gants niet van hem vertrouwe. Met deſe laetſte ordre, marcheerden ſy recht na de Fonteyne, ende wanneer de Tonnekens gevolt waren, keerdenſe wederom na de Galeye. De Muſquettiers volghden haer met Amet, de welcke in ’t kouten met de Soldaten gheraeckte inde arriere Garde, ende ſpreeckende aen den ghenen die de laetſte marcheerde, ſeyde hy, toeft een weynigh ſoo het u belieft, ick moet mijn gevoegh eens doen. Den andere antwoorde hem, ghy onbeleefden, doet u dinghen[219]alleen, moet ick om ſoodanigen ſaecke vertoeven? Ende hy marcheerde voorts met de Troupe. Amet toonde als ofte hy zijn Broeck los maeckte, ende ſiende dat de Troup een Muſquet ſchoot ofte daer ontrent van hem af was, keerde ſich om ende liep met ſoodanighen raſheydt wech, dat hy niet verre van daer by een kleyn Caſteel quam. De Turcken ſchooten eenighe Muſquetten na hem, maer hy was te verre af, ende de andere quamen met het Water wederom inde Galeye. Pegelin ſeyde, waer is Amet? Verſtaen hebbende dat hy geeſcappeert was, bekeef hy de Soldaten ſeer, die haer ſelven excuſeerden, ſeggende, dat het Caſteel ſoo dicht daer by was, dat hy ſich daer binnen gheſalveert heeft. Een kleyne Ionghe van 14. Iaren Gerenegeert, van Marſeillen gheboren, genaemt Noſtafa (dien ick wel ghekent hebbe,) diende Pegelin op de Galeye in qualiteyt van Pagie, dewelcke deſe diſcourſen verſtaende, gaet ſonder een woordt te ſpreecken met de Soldaten aen Landt, de welcke doende waren met de Keucken te maecken, ende met haer koutende remarqueerde hy de wegh na het Caſteel, hy keerde wederom na de Galeye, gingh om leegh waer ſijn Goetje was, ende dede een ſchoon Hembde[220]aen, ende ſijn beſte Hembt-Rock, ende gingh uyt de Galeye: Daer was niemant die acht ſloegh op deſe Ionge: Ende hy ſiende een favorable occaſie volghde Amet op het Caſteel met ghelijck gheluck. Ghy ſiet door dit diſcours hoe dat Godt de perſoonen die een goede intentie hebben gheleyt door zijne wonderlijcke voorſienigheydt.

[Inhoud]XXVI. VERHAEL.De oprechtigheydt van een Duynkerckſe Slaef.Wanneer ick in ’t Iaer 1641. in de Maendt van September in Barbarien Slaef was, waſſer oock Slaef ſeeckeren Duynkercker genaemt Ian Bellinck, Broeder van eenen Cornelis Bellinck, Schipper van een Coopvaerdy-Schip, het welcke vande Turckſe Zee-Roovers ghenomen wierde ende inde Stadt van Argiers ghebracht. De Schipper Cornelis Bellinck verloor zijn leven in ’t defenderen van zijn Schip, ende ſijn Broeder Ian Bellinck wierde Slaef ghemaeckt ende tot Argiers verkocht.[221]Het geviel dat hy in Handen vande Baſſa gheraeckte, die deſe Slaef imployeerde voor Boots-Geſel op de Schepen, want dat was zijn Ambacht: Hy hadde verſcheyde tochten op de Galeyen als Roeyer ghedaen, ende op de Scheepen voor Boots-Geſel. Het ghebeurde dat wanneer ick eenige dingen te doen hadde met een Iode, ghenaemt Pharette, aengaende een wiſſel-Brief, als ick mijne dingen ghedaen hadde, ſeyde my de Iode, kent ghy niet een Duynkerckſe Slaef ghenaemt Ian Bellinck? Ick antwoorde, ja. De Iode ſeyde my, brenght my waer hy is, ick wilde wel met hem ſpreecken, want ick hebbe ordre om hem te verloſſen, ende hem in vryheydt wech te ſenden. Ick was ſeer blijde deſe goede tijdinghe aen Bellinck te brenghen, ende om deſen kleynen dienſt aen de Iode te doen, want ick hadde hem van doen. Ick brocht de Iode inde Bain van de Baſſa, alwaer ick onſen Bellinck vondt, aen wien ick in ’t Nederduyts ſeyde: Bellinck ick brenghe u goede tijdinghe, deſen Iode heeft ordre om u rantſoen te betalen, ende u in u Vaderlandt te ſenden. Deſe woorden ginghen hem ſoo ſeer ter herte dat hy ſich wierp voor de Voeten van de Iode, hem ſegghende in ’t Nederduyts:[222]Mijn Heere Iode, verloſt my om de Paſſie van Ieſus Chriſtus wille. Ick lachte om dit compliment. ’t Welck de Iode ſiende, vraeghde my de oorſaecke daer van: Ick ſeyde hem in Spaens de woorden die Bellinck ghebruyckt hadde om ſijn goede gratie te verkrijgen. De Iode begon mede te lacchen, ende ſeyde my, ſegt hem in u ſpraecke dat ick het doen ſal ſonder eenighe andere conſideratie als zijn eygen.

XXVI. VERHAEL.De oprechtigheydt van een Duynkerckſe Slaef.

Wanneer ick in ’t Iaer 1641. in de Maendt van September in Barbarien Slaef was, waſſer oock Slaef ſeeckeren Duynkercker genaemt Ian Bellinck, Broeder van eenen Cornelis Bellinck, Schipper van een Coopvaerdy-Schip, het welcke vande Turckſe Zee-Roovers ghenomen wierde ende inde Stadt van Argiers ghebracht. De Schipper Cornelis Bellinck verloor zijn leven in ’t defenderen van zijn Schip, ende ſijn Broeder Ian Bellinck wierde Slaef ghemaeckt ende tot Argiers verkocht.[221]Het geviel dat hy in Handen vande Baſſa gheraeckte, die deſe Slaef imployeerde voor Boots-Geſel op de Schepen, want dat was zijn Ambacht: Hy hadde verſcheyde tochten op de Galeyen als Roeyer ghedaen, ende op de Scheepen voor Boots-Geſel. Het ghebeurde dat wanneer ick eenige dingen te doen hadde met een Iode, ghenaemt Pharette, aengaende een wiſſel-Brief, als ick mijne dingen ghedaen hadde, ſeyde my de Iode, kent ghy niet een Duynkerckſe Slaef ghenaemt Ian Bellinck? Ick antwoorde, ja. De Iode ſeyde my, brenght my waer hy is, ick wilde wel met hem ſpreecken, want ick hebbe ordre om hem te verloſſen, ende hem in vryheydt wech te ſenden. Ick was ſeer blijde deſe goede tijdinghe aen Bellinck te brenghen, ende om deſen kleynen dienſt aen de Iode te doen, want ick hadde hem van doen. Ick brocht de Iode inde Bain van de Baſſa, alwaer ick onſen Bellinck vondt, aen wien ick in ’t Nederduyts ſeyde: Bellinck ick brenghe u goede tijdinghe, deſen Iode heeft ordre om u rantſoen te betalen, ende u in u Vaderlandt te ſenden. Deſe woorden ginghen hem ſoo ſeer ter herte dat hy ſich wierp voor de Voeten van de Iode, hem ſegghende in ’t Nederduyts:[222]Mijn Heere Iode, verloſt my om de Paſſie van Ieſus Chriſtus wille. Ick lachte om dit compliment. ’t Welck de Iode ſiende, vraeghde my de oorſaecke daer van: Ick ſeyde hem in Spaens de woorden die Bellinck ghebruyckt hadde om ſijn goede gratie te verkrijgen. De Iode begon mede te lacchen, ende ſeyde my, ſegt hem in u ſpraecke dat ick het doen ſal ſonder eenighe andere conſideratie als zijn eygen.

Wanneer ick in ’t Iaer 1641. in de Maendt van September in Barbarien Slaef was, waſſer oock Slaef ſeeckeren Duynkercker genaemt Ian Bellinck, Broeder van eenen Cornelis Bellinck, Schipper van een Coopvaerdy-Schip, het welcke vande Turckſe Zee-Roovers ghenomen wierde ende inde Stadt van Argiers ghebracht. De Schipper Cornelis Bellinck verloor zijn leven in ’t defenderen van zijn Schip, ende ſijn Broeder Ian Bellinck wierde Slaef ghemaeckt ende tot Argiers verkocht.[221]Het geviel dat hy in Handen vande Baſſa gheraeckte, die deſe Slaef imployeerde voor Boots-Geſel op de Schepen, want dat was zijn Ambacht: Hy hadde verſcheyde tochten op de Galeyen als Roeyer ghedaen, ende op de Scheepen voor Boots-Geſel. Het ghebeurde dat wanneer ick eenige dingen te doen hadde met een Iode, ghenaemt Pharette, aengaende een wiſſel-Brief, als ick mijne dingen ghedaen hadde, ſeyde my de Iode, kent ghy niet een Duynkerckſe Slaef ghenaemt Ian Bellinck? Ick antwoorde, ja. De Iode ſeyde my, brenght my waer hy is, ick wilde wel met hem ſpreecken, want ick hebbe ordre om hem te verloſſen, ende hem in vryheydt wech te ſenden. Ick was ſeer blijde deſe goede tijdinghe aen Bellinck te brenghen, ende om deſen kleynen dienſt aen de Iode te doen, want ick hadde hem van doen. Ick brocht de Iode inde Bain van de Baſſa, alwaer ick onſen Bellinck vondt, aen wien ick in ’t Nederduyts ſeyde: Bellinck ick brenghe u goede tijdinghe, deſen Iode heeft ordre om u rantſoen te betalen, ende u in u Vaderlandt te ſenden. Deſe woorden ginghen hem ſoo ſeer ter herte dat hy ſich wierp voor de Voeten van de Iode, hem ſegghende in ’t Nederduyts:[222]Mijn Heere Iode, verloſt my om de Paſſie van Ieſus Chriſtus wille. Ick lachte om dit compliment. ’t Welck de Iode ſiende, vraeghde my de oorſaecke daer van: Ick ſeyde hem in Spaens de woorden die Bellinck ghebruyckt hadde om ſijn goede gratie te verkrijgen. De Iode begon mede te lacchen, ende ſeyde my, ſegt hem in u ſpraecke dat ick het doen ſal ſonder eenighe andere conſideratie als zijn eygen.

[Inhoud]XXVII. VERHAEL.Kluchtighe reſcontre van de Fortuyne der Slaven.Ick hebbe verhaelt in het diſcours van mijn ongheluckighe Reyſe, dat wanneer ick van Sebaſtiaen in Biſcayen na Engelandtſoudevaren, ons Schip met ſijn laſt ende 16. Paſſagiers ghenomen wierde van de Turckſe Zee-Roovers. Onder de 16. Perſoonen, waren twee jonghe Biſcainers, de eene ghenaemt Parinio, ende de andere Ian: Sy waren Scheep ghegaen met een voornemen om tot Duynkercken by haer[223]Oom te komen, de welcke was Don Parino de Fuſtamente, Pagadoor vande Scheep-Vloot van Vlaenderen. Deſe twee Ionghe Luyden wierden neffens ons als Slaven binnen de Stadt van Argiers ghebracht. Sy hadden nimmermeer uyt haer Vaderlandt gheweeſt, ende deſe nieuwe maniere van leven met ſoo veel incommoditeyten ende miſerien was haer uyt der maten teghens de borſt: Maer alſoo de Biſcainers (het welcke ick geremarqueert hebbe onder alle Natien van Europa) de aldergrootſte affectie hebben om haer Landts-Luyden te aſſiſteren, warender inde Bain van onſe gemeene Meeſter, den vermaerden Zee-Roover Alli Pegelin, onder 150. Slaven, by geval vele Biſcainers, ende Ian ende Parinio kreghen terſtont kenniſſe ende aſſiſtentie, ende ick remarqueerde dat na eenige dagen een Gerenegeerde Biſcain, onder pretext dat hy was van het ſelfde Landt, dagelijcks inde Bain quam kouten met Ian ende Perinio. Ende alſoo dat Landt ſeer periculeus is voor Ionghens dewelcke gheboren ſijn in een Landt alwaer de vervloeckelijcke Sonde onbekent is: Vreeſde ick dat de Vrientſchap die deſen Gerenegeerde haer toonde, was om de Ionge Luyden te debaucheren, daerom ick haer waerſchoude datſe[224]haer ſelven ſouden wachten van dien Renegeerde, weghen de groote periculen, van haer Geloof te verſaecken, als om ghedebaucheert te worden. Hy bedanckte my van de ſorge die ick over haer eere ende ſaligheydt hadde: My ſeggende dat die Renegado haer Hembden, Schoenen, ende wat Gelt gaf, ende dat tot geen andere eynde, als om een werck van barmhertigheyt te doen aen ſijne Landts-Luyden, ende dat hy nimmermeer prate van haer Geloof te verſaecken, ofte van geen andere debauchen, ende datſe hoopten met de aſſiſtentie dieſe ontfingen van deſe Renegado, eenigh traffijck te doen ghelijck de andere Slaven ’t welck ſy deden, vvant met het Gelt vande Renegado, kochten ſy een Vleſſche met Brandewijn dieſe by kleyne Mate verkochten, ende ſy hadden binnen de tijdt van drie Maenden ſoo vvel gheproſpereert, dat ſy Meeſters vvaren vande helft van een Tap-Huys inde Bain: Waerover ſy ſeer vvel ende op haer gemack leefden, voor ſoo veel als ſy Slaven vvaren: Ick liete haer in die traffijck in Ianuario 1642. vvanneer ick vertrock na het Koninckrijck van Maroc, om in Chriſten-Rijck te komen: Ende na verſcheyde reſcontres vande Fortuyne, gelijck ick gheſeydt hebbe in het diſcours van[225]mijn Reyſe, arriveerde ick in Vlaenderen in de Maendt van Auguſtus des ſelfde Iaer. Ick addreſſeerde een Brief die Ian ende Parinio my hadden gerecommandeert te leveren aen haer Oom Don Perinio de Fuſtamente, aen wien ick in ’t langhe verhaelde de ſtaet waer in zijne Neven haer bevonden, ende mede de bequaemſte middel om haer te rantſoneren.Ontrent een Iaer daer na dede Don Parinio my aenſegghen als ick tot Brugghe mijn reſidentie plaets hadde, door een van zijne Officiers genaemt Ian Baptiſta Perris, dat ick zijn Meeſter groot plaiſier ſoude doen, indien ick my tot Duynkercke wilde tranſporteren, ende my te informeren van eenighe Turcken die de Vrybuyters hadden ghenomen, ofte onder haer niemant was die teghens zijne Neven ſoude moghen verwiſſelt worden. Ick dede die Reyſe uyt goeder Herte, hopende dat ick de vryheydt van mijne twee Vrienden licht ſoude konnen te wege brengen. Tot Duynkercke zijnde, na dat ick Don Parinio hadde weſen begroeten, gingh ick volghens ſijn begeeren in het Gevangen-Huys, alwaer ick vonde ontrent 100. Turckſe Slaven in een miſerable Kelder, niet beter ghetracteert als de Chriſtenen in Barbarien: Ick[226]verſochten in een ſprake ghenaemt Franco (zijnde in Barbarien ſeer gemeen, ghelijck in Nederlandt de Franſe ende Latijnſe ſprake) te ſpreecken met den Arrais, dat is de Capiteyn, die ſich preſenteerde. Ick vraeghde hem ofte onder zijn Volck niemant was die ſoude willen aennemen voor haer vryheydt twee Chriſten Slaven tot Argiers ſijnde herwaerts te laten komen: Ende na dat ick de voorſz Capiteyn ende andere Turcken die ick kende, geexamineert hadde, onder anderen een Gerenegeerde Engels-Man dewelcke Conſtapel gheweeſt was op de Zee-Roovers die ons genomen hadden, ende ſiende datter geen apparentie was om eenighe wiſſelingh te doen, (want ſy waren alle arm) meende ick my te retireren, ende wanneer ick aende Deure was, ſeyde een tot my: Kent ghy my niet meer? Ick antwoorde hem, neen ick mijn Vrindt. Doen ſeyde hy my, wanneer ick u laetſtmael ſagh waert ghy een Slaef qualijck in ordre, ende nu ben ick Slaef ghelijck gy ſiet. Wie ſijt gy dan, ſeyde ick hem? Hy antwoorde my, ick ben een Gerenegeerde Biſcain, dewelcke aen uwe Cameraets Ian ende Parinio aſſiſtentie gaf, ick was ſeer blijde hem te ſien, ende vraeghde terſtont tijdinge van haer. Ick gingh Don[227]Parinio de Fuſtamente rapporteren ’t ghene aldaer gepaſſeert was: Maer alſoo het tijdt des Middagh-Maels was, ſeyde Don Antonio my: Laet ons eerſt aen Tafel gaen ſitten, ende in ’t eten ſult ghy ons vertellen ’t ghene ghy met de Turcken ghenegotieert hebt. Ick verhaelde hem alles in ’t korte, niet vergetende te vertellen de Hiſtorie vande Gerenegeerde Biſcain, die in het Gevangen-Huys was. Don Anthonio, de welcke tot Duynkercke van groote authoriteyt was, gaf ordre datmen den Renegado ſoude brengen inde Kamer daer wy aten. De ordre wierde geexecuteert, ende den Gerenegeerde Biſcain quam binnen. Voor dat hy ſprack viel hy op ſijn Knyen, ende trock uyt ſijn Sack een Paternoſter, ende doen ſeyde hy in Spaens. Soo haeſt als ick genomen ben gheworden, hebbe ick groote neerſtigheydt ghedaen een Paternoſter te krijghen om onſe Lieve Vrouwe te bidden, datſe aen de Chriſtenen ſoude willen bekent maecken, dat al-hoe-wel ick een Renegado ben, ſy nimmermeer qualijck van mijn getracteert ſijn gheweeſt, maer dat ick haer altoos geaſſiſteert hebbe ſoo veel my mogelijck is geweeſt. De oorſaecke van mijn ongeluck in het verſaecken van mijn Geloof is gheweeſt het ghewelt[228]’t welck mijn Patroon my en dede, ende ſiet deſen Man, (my toonende) ſal konnen getuygeniſſe geven van my goede wille tot de Chriſten Slaven. De woorden van deſen Gerenegeerden Biſcain hadden ſoo grooten kracht, dat Iuffrouw Malquarto (die de Vrouw van den Huyſe was, want Don Torinio hadde zijn koſt by haer aen beſteedt) rees op, ende gaf aen den Renegado een Hembde ende een goet ſtuck Gelts. ’s Anderendaeghs dede Don Torinio hem verſoenen met de Kerck door een Pater Ieſuyt, genoemt Pater Carion, ende dede hem daer na in vryheyt ſtellen. Men kocht hem een Boots-Geſels Kleedt, ende wierde op de Vloot ingeteeckent: Sonder dat gheluck ſoude hy alle zijn leven langh op de Galeyen van Spaignen zijn geweeſt, gelijck men met de Renegados doet. ’t Gene ick u vertelt hebbe is ghebeurt in het Iaer 1643. ende drie Iaren daer na in ’t Iaer 1646. op ſeeckeren dagh wanneer ick op de Burgh binnen de Stadt van Brugge ging wandelen met eenighe Vrienden, onder andere Monſieur Oignate ende Monſieur Melgar, ſaghen wy uyt de groote poort komen twee Spaenſe Capiteynen, wreet uyt ſiende ende van goede mijne met Rottings in haer Handt, ende wy ſeyden wanneer wy[229]haer ſaghen marcheren, ſy zijn wel blijde datſe Capiteynen zijn. Wanneerſe dicht by ons quamen, kende ick eenen die Ian was, daer wy van komen te ſpreecken. Ick ſeyde hem, met verlof, Signorie, ſijt gy Don Ian? Hy ſeyde my ja; Doen ſeyde ick hem: Hebt gy niet Slaef gheweeſt inde Stadt van Argiers, ende hebt gy niet ghekent een Chriſten Slaef genaemt Iacob van Zevere een Duynkercker? (’t welck in Barbarie mijn Naem was) doen ſpeelde alle ſijn graviteyt bankeroet, hy viel my om den Hals, ende dede my duyſendt careſſen: Ick badt hem dat hy middaghmael met my wilde houden, maer alſoo hy terſtont moſte voorts marcheren, droncken wy maer een dronck Wijns met malkander. Ick vertelde hem de Hiſtorie van de Renegado, daer over hy ſeer blijde was, ende hy verhaelde my dat hy op de Galeye gheroeyt, ende veel gheleden hadde: Maer dat hy nu door faveur van zijne Vrienden een compagnie ghekreghen hadde, ſonder ghedient te hebben, ende dat hy met der tijdt een beter conditie verwachte: Waer op hy ghenootſaeckt was voorts te marcheren. Wy namen afſcheydt van malkander, ende weynigh daghen daer na hoorde ick ſeggen, dat Don Ian gereformeert was:[230]’s Iaers daer na wierde hy doot gheſlaghen, ſijnde in dienſt van de Coningh.

XXVII. VERHAEL.Kluchtighe reſcontre van de Fortuyne der Slaven.

Ick hebbe verhaelt in het diſcours van mijn ongheluckighe Reyſe, dat wanneer ick van Sebaſtiaen in Biſcayen na Engelandtſoudevaren, ons Schip met ſijn laſt ende 16. Paſſagiers ghenomen wierde van de Turckſe Zee-Roovers. Onder de 16. Perſoonen, waren twee jonghe Biſcainers, de eene ghenaemt Parinio, ende de andere Ian: Sy waren Scheep ghegaen met een voornemen om tot Duynkercken by haer[223]Oom te komen, de welcke was Don Parino de Fuſtamente, Pagadoor vande Scheep-Vloot van Vlaenderen. Deſe twee Ionghe Luyden wierden neffens ons als Slaven binnen de Stadt van Argiers ghebracht. Sy hadden nimmermeer uyt haer Vaderlandt gheweeſt, ende deſe nieuwe maniere van leven met ſoo veel incommoditeyten ende miſerien was haer uyt der maten teghens de borſt: Maer alſoo de Biſcainers (het welcke ick geremarqueert hebbe onder alle Natien van Europa) de aldergrootſte affectie hebben om haer Landts-Luyden te aſſiſteren, warender inde Bain van onſe gemeene Meeſter, den vermaerden Zee-Roover Alli Pegelin, onder 150. Slaven, by geval vele Biſcainers, ende Ian ende Parinio kreghen terſtont kenniſſe ende aſſiſtentie, ende ick remarqueerde dat na eenige dagen een Gerenegeerde Biſcain, onder pretext dat hy was van het ſelfde Landt, dagelijcks inde Bain quam kouten met Ian ende Perinio. Ende alſoo dat Landt ſeer periculeus is voor Ionghens dewelcke gheboren ſijn in een Landt alwaer de vervloeckelijcke Sonde onbekent is: Vreeſde ick dat de Vrientſchap die deſen Gerenegeerde haer toonde, was om de Ionge Luyden te debaucheren, daerom ick haer waerſchoude datſe[224]haer ſelven ſouden wachten van dien Renegeerde, weghen de groote periculen, van haer Geloof te verſaecken, als om ghedebaucheert te worden. Hy bedanckte my van de ſorge die ick over haer eere ende ſaligheydt hadde: My ſeggende dat die Renegado haer Hembden, Schoenen, ende wat Gelt gaf, ende dat tot geen andere eynde, als om een werck van barmhertigheyt te doen aen ſijne Landts-Luyden, ende dat hy nimmermeer prate van haer Geloof te verſaecken, ofte van geen andere debauchen, ende datſe hoopten met de aſſiſtentie dieſe ontfingen van deſe Renegado, eenigh traffijck te doen ghelijck de andere Slaven ’t welck ſy deden, vvant met het Gelt vande Renegado, kochten ſy een Vleſſche met Brandewijn dieſe by kleyne Mate verkochten, ende ſy hadden binnen de tijdt van drie Maenden ſoo vvel gheproſpereert, dat ſy Meeſters vvaren vande helft van een Tap-Huys inde Bain: Waerover ſy ſeer vvel ende op haer gemack leefden, voor ſoo veel als ſy Slaven vvaren: Ick liete haer in die traffijck in Ianuario 1642. vvanneer ick vertrock na het Koninckrijck van Maroc, om in Chriſten-Rijck te komen: Ende na verſcheyde reſcontres vande Fortuyne, gelijck ick gheſeydt hebbe in het diſcours van[225]mijn Reyſe, arriveerde ick in Vlaenderen in de Maendt van Auguſtus des ſelfde Iaer. Ick addreſſeerde een Brief die Ian ende Parinio my hadden gerecommandeert te leveren aen haer Oom Don Perinio de Fuſtamente, aen wien ick in ’t langhe verhaelde de ſtaet waer in zijne Neven haer bevonden, ende mede de bequaemſte middel om haer te rantſoneren.Ontrent een Iaer daer na dede Don Parinio my aenſegghen als ick tot Brugghe mijn reſidentie plaets hadde, door een van zijne Officiers genaemt Ian Baptiſta Perris, dat ick zijn Meeſter groot plaiſier ſoude doen, indien ick my tot Duynkercke wilde tranſporteren, ende my te informeren van eenighe Turcken die de Vrybuyters hadden ghenomen, ofte onder haer niemant was die teghens zijne Neven ſoude moghen verwiſſelt worden. Ick dede die Reyſe uyt goeder Herte, hopende dat ick de vryheydt van mijne twee Vrienden licht ſoude konnen te wege brengen. Tot Duynkercke zijnde, na dat ick Don Parinio hadde weſen begroeten, gingh ick volghens ſijn begeeren in het Gevangen-Huys, alwaer ick vonde ontrent 100. Turckſe Slaven in een miſerable Kelder, niet beter ghetracteert als de Chriſtenen in Barbarien: Ick[226]verſochten in een ſprake ghenaemt Franco (zijnde in Barbarien ſeer gemeen, ghelijck in Nederlandt de Franſe ende Latijnſe ſprake) te ſpreecken met den Arrais, dat is de Capiteyn, die ſich preſenteerde. Ick vraeghde hem ofte onder zijn Volck niemant was die ſoude willen aennemen voor haer vryheydt twee Chriſten Slaven tot Argiers ſijnde herwaerts te laten komen: Ende na dat ick de voorſz Capiteyn ende andere Turcken die ick kende, geexamineert hadde, onder anderen een Gerenegeerde Engels-Man dewelcke Conſtapel gheweeſt was op de Zee-Roovers die ons genomen hadden, ende ſiende datter geen apparentie was om eenighe wiſſelingh te doen, (want ſy waren alle arm) meende ick my te retireren, ende wanneer ick aende Deure was, ſeyde een tot my: Kent ghy my niet meer? Ick antwoorde hem, neen ick mijn Vrindt. Doen ſeyde hy my, wanneer ick u laetſtmael ſagh waert ghy een Slaef qualijck in ordre, ende nu ben ick Slaef ghelijck gy ſiet. Wie ſijt gy dan, ſeyde ick hem? Hy antwoorde my, ick ben een Gerenegeerde Biſcain, dewelcke aen uwe Cameraets Ian ende Parinio aſſiſtentie gaf, ick was ſeer blijde hem te ſien, ende vraeghde terſtont tijdinge van haer. Ick gingh Don[227]Parinio de Fuſtamente rapporteren ’t ghene aldaer gepaſſeert was: Maer alſoo het tijdt des Middagh-Maels was, ſeyde Don Antonio my: Laet ons eerſt aen Tafel gaen ſitten, ende in ’t eten ſult ghy ons vertellen ’t ghene ghy met de Turcken ghenegotieert hebt. Ick verhaelde hem alles in ’t korte, niet vergetende te vertellen de Hiſtorie vande Gerenegeerde Biſcain, die in het Gevangen-Huys was. Don Anthonio, de welcke tot Duynkercke van groote authoriteyt was, gaf ordre datmen den Renegado ſoude brengen inde Kamer daer wy aten. De ordre wierde geexecuteert, ende den Gerenegeerde Biſcain quam binnen. Voor dat hy ſprack viel hy op ſijn Knyen, ende trock uyt ſijn Sack een Paternoſter, ende doen ſeyde hy in Spaens. Soo haeſt als ick genomen ben gheworden, hebbe ick groote neerſtigheydt ghedaen een Paternoſter te krijghen om onſe Lieve Vrouwe te bidden, datſe aen de Chriſtenen ſoude willen bekent maecken, dat al-hoe-wel ick een Renegado ben, ſy nimmermeer qualijck van mijn getracteert ſijn gheweeſt, maer dat ick haer altoos geaſſiſteert hebbe ſoo veel my mogelijck is geweeſt. De oorſaecke van mijn ongeluck in het verſaecken van mijn Geloof is gheweeſt het ghewelt[228]’t welck mijn Patroon my en dede, ende ſiet deſen Man, (my toonende) ſal konnen getuygeniſſe geven van my goede wille tot de Chriſten Slaven. De woorden van deſen Gerenegeerden Biſcain hadden ſoo grooten kracht, dat Iuffrouw Malquarto (die de Vrouw van den Huyſe was, want Don Torinio hadde zijn koſt by haer aen beſteedt) rees op, ende gaf aen den Renegado een Hembde ende een goet ſtuck Gelts. ’s Anderendaeghs dede Don Torinio hem verſoenen met de Kerck door een Pater Ieſuyt, genoemt Pater Carion, ende dede hem daer na in vryheyt ſtellen. Men kocht hem een Boots-Geſels Kleedt, ende wierde op de Vloot ingeteeckent: Sonder dat gheluck ſoude hy alle zijn leven langh op de Galeyen van Spaignen zijn geweeſt, gelijck men met de Renegados doet. ’t Gene ick u vertelt hebbe is ghebeurt in het Iaer 1643. ende drie Iaren daer na in ’t Iaer 1646. op ſeeckeren dagh wanneer ick op de Burgh binnen de Stadt van Brugge ging wandelen met eenighe Vrienden, onder andere Monſieur Oignate ende Monſieur Melgar, ſaghen wy uyt de groote poort komen twee Spaenſe Capiteynen, wreet uyt ſiende ende van goede mijne met Rottings in haer Handt, ende wy ſeyden wanneer wy[229]haer ſaghen marcheren, ſy zijn wel blijde datſe Capiteynen zijn. Wanneerſe dicht by ons quamen, kende ick eenen die Ian was, daer wy van komen te ſpreecken. Ick ſeyde hem, met verlof, Signorie, ſijt gy Don Ian? Hy ſeyde my ja; Doen ſeyde ick hem: Hebt gy niet Slaef gheweeſt inde Stadt van Argiers, ende hebt gy niet ghekent een Chriſten Slaef genaemt Iacob van Zevere een Duynkercker? (’t welck in Barbarie mijn Naem was) doen ſpeelde alle ſijn graviteyt bankeroet, hy viel my om den Hals, ende dede my duyſendt careſſen: Ick badt hem dat hy middaghmael met my wilde houden, maer alſoo hy terſtont moſte voorts marcheren, droncken wy maer een dronck Wijns met malkander. Ick vertelde hem de Hiſtorie van de Renegado, daer over hy ſeer blijde was, ende hy verhaelde my dat hy op de Galeye gheroeyt, ende veel gheleden hadde: Maer dat hy nu door faveur van zijne Vrienden een compagnie ghekreghen hadde, ſonder ghedient te hebben, ende dat hy met der tijdt een beter conditie verwachte: Waer op hy ghenootſaeckt was voorts te marcheren. Wy namen afſcheydt van malkander, ende weynigh daghen daer na hoorde ick ſeggen, dat Don Ian gereformeert was:[230]’s Iaers daer na wierde hy doot gheſlaghen, ſijnde in dienſt van de Coningh.

Ick hebbe verhaelt in het diſcours van mijn ongheluckighe Reyſe, dat wanneer ick van Sebaſtiaen in Biſcayen na Engelandtſoudevaren, ons Schip met ſijn laſt ende 16. Paſſagiers ghenomen wierde van de Turckſe Zee-Roovers. Onder de 16. Perſoonen, waren twee jonghe Biſcainers, de eene ghenaemt Parinio, ende de andere Ian: Sy waren Scheep ghegaen met een voornemen om tot Duynkercken by haer[223]Oom te komen, de welcke was Don Parino de Fuſtamente, Pagadoor vande Scheep-Vloot van Vlaenderen. Deſe twee Ionghe Luyden wierden neffens ons als Slaven binnen de Stadt van Argiers ghebracht. Sy hadden nimmermeer uyt haer Vaderlandt gheweeſt, ende deſe nieuwe maniere van leven met ſoo veel incommoditeyten ende miſerien was haer uyt der maten teghens de borſt: Maer alſoo de Biſcainers (het welcke ick geremarqueert hebbe onder alle Natien van Europa) de aldergrootſte affectie hebben om haer Landts-Luyden te aſſiſteren, warender inde Bain van onſe gemeene Meeſter, den vermaerden Zee-Roover Alli Pegelin, onder 150. Slaven, by geval vele Biſcainers, ende Ian ende Parinio kreghen terſtont kenniſſe ende aſſiſtentie, ende ick remarqueerde dat na eenige dagen een Gerenegeerde Biſcain, onder pretext dat hy was van het ſelfde Landt, dagelijcks inde Bain quam kouten met Ian ende Perinio. Ende alſoo dat Landt ſeer periculeus is voor Ionghens dewelcke gheboren ſijn in een Landt alwaer de vervloeckelijcke Sonde onbekent is: Vreeſde ick dat de Vrientſchap die deſen Gerenegeerde haer toonde, was om de Ionge Luyden te debaucheren, daerom ick haer waerſchoude datſe[224]haer ſelven ſouden wachten van dien Renegeerde, weghen de groote periculen, van haer Geloof te verſaecken, als om ghedebaucheert te worden. Hy bedanckte my van de ſorge die ick over haer eere ende ſaligheydt hadde: My ſeggende dat die Renegado haer Hembden, Schoenen, ende wat Gelt gaf, ende dat tot geen andere eynde, als om een werck van barmhertigheyt te doen aen ſijne Landts-Luyden, ende dat hy nimmermeer prate van haer Geloof te verſaecken, ofte van geen andere debauchen, ende datſe hoopten met de aſſiſtentie dieſe ontfingen van deſe Renegado, eenigh traffijck te doen ghelijck de andere Slaven ’t welck ſy deden, vvant met het Gelt vande Renegado, kochten ſy een Vleſſche met Brandewijn dieſe by kleyne Mate verkochten, ende ſy hadden binnen de tijdt van drie Maenden ſoo vvel gheproſpereert, dat ſy Meeſters vvaren vande helft van een Tap-Huys inde Bain: Waerover ſy ſeer vvel ende op haer gemack leefden, voor ſoo veel als ſy Slaven vvaren: Ick liete haer in die traffijck in Ianuario 1642. vvanneer ick vertrock na het Koninckrijck van Maroc, om in Chriſten-Rijck te komen: Ende na verſcheyde reſcontres vande Fortuyne, gelijck ick gheſeydt hebbe in het diſcours van[225]mijn Reyſe, arriveerde ick in Vlaenderen in de Maendt van Auguſtus des ſelfde Iaer. Ick addreſſeerde een Brief die Ian ende Parinio my hadden gerecommandeert te leveren aen haer Oom Don Perinio de Fuſtamente, aen wien ick in ’t langhe verhaelde de ſtaet waer in zijne Neven haer bevonden, ende mede de bequaemſte middel om haer te rantſoneren.

Ontrent een Iaer daer na dede Don Parinio my aenſegghen als ick tot Brugghe mijn reſidentie plaets hadde, door een van zijne Officiers genaemt Ian Baptiſta Perris, dat ick zijn Meeſter groot plaiſier ſoude doen, indien ick my tot Duynkercke wilde tranſporteren, ende my te informeren van eenighe Turcken die de Vrybuyters hadden ghenomen, ofte onder haer niemant was die teghens zijne Neven ſoude moghen verwiſſelt worden. Ick dede die Reyſe uyt goeder Herte, hopende dat ick de vryheydt van mijne twee Vrienden licht ſoude konnen te wege brengen. Tot Duynkercke zijnde, na dat ick Don Parinio hadde weſen begroeten, gingh ick volghens ſijn begeeren in het Gevangen-Huys, alwaer ick vonde ontrent 100. Turckſe Slaven in een miſerable Kelder, niet beter ghetracteert als de Chriſtenen in Barbarien: Ick[226]verſochten in een ſprake ghenaemt Franco (zijnde in Barbarien ſeer gemeen, ghelijck in Nederlandt de Franſe ende Latijnſe ſprake) te ſpreecken met den Arrais, dat is de Capiteyn, die ſich preſenteerde. Ick vraeghde hem ofte onder zijn Volck niemant was die ſoude willen aennemen voor haer vryheydt twee Chriſten Slaven tot Argiers ſijnde herwaerts te laten komen: Ende na dat ick de voorſz Capiteyn ende andere Turcken die ick kende, geexamineert hadde, onder anderen een Gerenegeerde Engels-Man dewelcke Conſtapel gheweeſt was op de Zee-Roovers die ons genomen hadden, ende ſiende datter geen apparentie was om eenighe wiſſelingh te doen, (want ſy waren alle arm) meende ick my te retireren, ende wanneer ick aende Deure was, ſeyde een tot my: Kent ghy my niet meer? Ick antwoorde hem, neen ick mijn Vrindt. Doen ſeyde hy my, wanneer ick u laetſtmael ſagh waert ghy een Slaef qualijck in ordre, ende nu ben ick Slaef ghelijck gy ſiet. Wie ſijt gy dan, ſeyde ick hem? Hy antwoorde my, ick ben een Gerenegeerde Biſcain, dewelcke aen uwe Cameraets Ian ende Parinio aſſiſtentie gaf, ick was ſeer blijde hem te ſien, ende vraeghde terſtont tijdinge van haer. Ick gingh Don[227]Parinio de Fuſtamente rapporteren ’t ghene aldaer gepaſſeert was: Maer alſoo het tijdt des Middagh-Maels was, ſeyde Don Antonio my: Laet ons eerſt aen Tafel gaen ſitten, ende in ’t eten ſult ghy ons vertellen ’t ghene ghy met de Turcken ghenegotieert hebt. Ick verhaelde hem alles in ’t korte, niet vergetende te vertellen de Hiſtorie vande Gerenegeerde Biſcain, die in het Gevangen-Huys was. Don Anthonio, de welcke tot Duynkercke van groote authoriteyt was, gaf ordre datmen den Renegado ſoude brengen inde Kamer daer wy aten. De ordre wierde geexecuteert, ende den Gerenegeerde Biſcain quam binnen. Voor dat hy ſprack viel hy op ſijn Knyen, ende trock uyt ſijn Sack een Paternoſter, ende doen ſeyde hy in Spaens. Soo haeſt als ick genomen ben gheworden, hebbe ick groote neerſtigheydt ghedaen een Paternoſter te krijghen om onſe Lieve Vrouwe te bidden, datſe aen de Chriſtenen ſoude willen bekent maecken, dat al-hoe-wel ick een Renegado ben, ſy nimmermeer qualijck van mijn getracteert ſijn gheweeſt, maer dat ick haer altoos geaſſiſteert hebbe ſoo veel my mogelijck is geweeſt. De oorſaecke van mijn ongeluck in het verſaecken van mijn Geloof is gheweeſt het ghewelt[228]’t welck mijn Patroon my en dede, ende ſiet deſen Man, (my toonende) ſal konnen getuygeniſſe geven van my goede wille tot de Chriſten Slaven. De woorden van deſen Gerenegeerden Biſcain hadden ſoo grooten kracht, dat Iuffrouw Malquarto (die de Vrouw van den Huyſe was, want Don Torinio hadde zijn koſt by haer aen beſteedt) rees op, ende gaf aen den Renegado een Hembde ende een goet ſtuck Gelts. ’s Anderendaeghs dede Don Torinio hem verſoenen met de Kerck door een Pater Ieſuyt, genoemt Pater Carion, ende dede hem daer na in vryheyt ſtellen. Men kocht hem een Boots-Geſels Kleedt, ende wierde op de Vloot ingeteeckent: Sonder dat gheluck ſoude hy alle zijn leven langh op de Galeyen van Spaignen zijn geweeſt, gelijck men met de Renegados doet. ’t Gene ick u vertelt hebbe is ghebeurt in het Iaer 1643. ende drie Iaren daer na in ’t Iaer 1646. op ſeeckeren dagh wanneer ick op de Burgh binnen de Stadt van Brugge ging wandelen met eenighe Vrienden, onder andere Monſieur Oignate ende Monſieur Melgar, ſaghen wy uyt de groote poort komen twee Spaenſe Capiteynen, wreet uyt ſiende ende van goede mijne met Rottings in haer Handt, ende wy ſeyden wanneer wy[229]haer ſaghen marcheren, ſy zijn wel blijde datſe Capiteynen zijn. Wanneerſe dicht by ons quamen, kende ick eenen die Ian was, daer wy van komen te ſpreecken. Ick ſeyde hem, met verlof, Signorie, ſijt gy Don Ian? Hy ſeyde my ja; Doen ſeyde ick hem: Hebt gy niet Slaef gheweeſt inde Stadt van Argiers, ende hebt gy niet ghekent een Chriſten Slaef genaemt Iacob van Zevere een Duynkercker? (’t welck in Barbarie mijn Naem was) doen ſpeelde alle ſijn graviteyt bankeroet, hy viel my om den Hals, ende dede my duyſendt careſſen: Ick badt hem dat hy middaghmael met my wilde houden, maer alſoo hy terſtont moſte voorts marcheren, droncken wy maer een dronck Wijns met malkander. Ick vertelde hem de Hiſtorie van de Renegado, daer over hy ſeer blijde was, ende hy verhaelde my dat hy op de Galeye gheroeyt, ende veel gheleden hadde: Maer dat hy nu door faveur van zijne Vrienden een compagnie ghekreghen hadde, ſonder ghedient te hebben, ende dat hy met der tijdt een beter conditie verwachte: Waer op hy ghenootſaeckt was voorts te marcheren. Wy namen afſcheydt van malkander, ende weynigh daghen daer na hoorde ick ſeggen, dat Don Ian gereformeert was:[230]’s Iaers daer na wierde hy doot gheſlaghen, ſijnde in dienſt van de Coningh.

[Inhoud]XXVIII. VERHAEL.Een Slaef dient ſich van alles om te leven.Wanneer ick eerſt inde Bain van Pegelin ghekomen vvas, commandeerde men 400. Slaven te arbeyden in het plaeyſier-Huys vande Patroon, ’tvvelck tvvee Italiaenſe mylen van de Stadt af vvas, ende om een kleyn Berghje effen te maken,’s avontsvvierde de ordre gegeven, ende ’s morgens voor het op-gaen van de Sonne leyden de Garden dat ghetal Slaven te vverck, ende ick vvas van dat ghetal. In ’t marcheren koute ick met een die korts Slaef gemaeckt vvas, ſijnde een Frans-man van geboorte, ick ſagh dat hy een lege Sack op ſijn Schouderen hadde: Ick vraeghde hem wat hy met die Sack wilde doen: Hy antwoorde my: Gy ſijt noch een leerling in het Ambacht van de Slaven, ende ick ben een out Meeſter in ſoodanighe maniere van leven, ende ick ſal u wijſen door klare redenen,[231]dat een Slaef die buyten in ’t Veldt gaet om te arbeyden, ſich van drie dingen moet verſien: van een Sack, van een ſtuck Broots, ende van een Lepel. Aengaende Broodt, ſeyde ick, vinde dat goet, want de Gardiaen commandeert u, ende ſendt u om een Bootſchap ſoo menighmael als het hem belieft, ende indien men ondertuſſchen dat ghy abſent ſijt, het Biſcuyt diſtribueert, hebt gy niet te eten: Aengaende de Lepel, dat behaeght my mede wel, want giſteren gafmen Potagie van Gerſt, ende om dat ick geen Lepel hadde, was ick ghenootſaeckt my met de Handt te behelpen, (gy moet weten dat wanneer wy buyten de Stadt wercken, gafmen ons een portie van Galeyen Biſcuyt, ende potagie van Gerſt).Maer aengaende van deſe Sack, kan ick niet begrijpen waer toe de ſelfde dient: Hy gaf my het ſelfde antwoordt: Gy ſijt maer een leerlingh, met der tijdt ſult ghy door ervarentheydt bevinden, dat een Sack een nootſaeckelijcke Meubel is voor een gauwen Slaef. Wy quamen op het plaiſier-Huys, alwaermen ons dede arbeyden tot twee uyren voor den avont toe: Als dan verlatende den arbeydt keerden wy met kleyne troupen by thien ofte twaelf by malkander wederom na de Stadt, want de Garden[232]hebben ſorge wanneer de Slaven na het Werck gaen, datſe haer niet verberghen, ende van de troupe afloopen, om haer vanden arbeydt te excuſeren. Als wy dan wederom na de Stadt toe gingen, ſekere Spaignaert die met ons was (ſijnde een Man ſeer gheeſtimeert onder de Slaven vande Bain, ende de welcke meriteerde Meeſter gemaect te worden inde Univerſiteyt vande Dieven) ſeyde; Siet daer isenAlarbe met een Troup Schapen, ende my dunckt dat icker een van ſal hebben ſonder Gelt. Hy maeckt een Tou ghereet om het Schaep te verworghen, op dat het niet ſoude bleeten: maer wat middel ſeyde hy, om de Poort te paſſeren ſonder geattrappeert te worden. De Frans-Man die een Practiſijn was in het Parlement vande Dieven, preſenteert ſijn Sack aen de Spaignaert, ende ſeyde my:Duynkercker ſiet ghy nu wel waer toe de Sack dient? Dat diende my om te ghelooven, dat men yeder een in zijn Ambacht moet gelooven.[233]

XXVIII. VERHAEL.Een Slaef dient ſich van alles om te leven.

Wanneer ick eerſt inde Bain van Pegelin ghekomen vvas, commandeerde men 400. Slaven te arbeyden in het plaeyſier-Huys vande Patroon, ’tvvelck tvvee Italiaenſe mylen van de Stadt af vvas, ende om een kleyn Berghje effen te maken,’s avontsvvierde de ordre gegeven, ende ’s morgens voor het op-gaen van de Sonne leyden de Garden dat ghetal Slaven te vverck, ende ick vvas van dat ghetal. In ’t marcheren koute ick met een die korts Slaef gemaeckt vvas, ſijnde een Frans-man van geboorte, ick ſagh dat hy een lege Sack op ſijn Schouderen hadde: Ick vraeghde hem wat hy met die Sack wilde doen: Hy antwoorde my: Gy ſijt noch een leerling in het Ambacht van de Slaven, ende ick ben een out Meeſter in ſoodanighe maniere van leven, ende ick ſal u wijſen door klare redenen,[231]dat een Slaef die buyten in ’t Veldt gaet om te arbeyden, ſich van drie dingen moet verſien: van een Sack, van een ſtuck Broots, ende van een Lepel. Aengaende Broodt, ſeyde ick, vinde dat goet, want de Gardiaen commandeert u, ende ſendt u om een Bootſchap ſoo menighmael als het hem belieft, ende indien men ondertuſſchen dat ghy abſent ſijt, het Biſcuyt diſtribueert, hebt gy niet te eten: Aengaende de Lepel, dat behaeght my mede wel, want giſteren gafmen Potagie van Gerſt, ende om dat ick geen Lepel hadde, was ick ghenootſaeckt my met de Handt te behelpen, (gy moet weten dat wanneer wy buyten de Stadt wercken, gafmen ons een portie van Galeyen Biſcuyt, ende potagie van Gerſt).Maer aengaende van deſe Sack, kan ick niet begrijpen waer toe de ſelfde dient: Hy gaf my het ſelfde antwoordt: Gy ſijt maer een leerlingh, met der tijdt ſult ghy door ervarentheydt bevinden, dat een Sack een nootſaeckelijcke Meubel is voor een gauwen Slaef. Wy quamen op het plaiſier-Huys, alwaermen ons dede arbeyden tot twee uyren voor den avont toe: Als dan verlatende den arbeydt keerden wy met kleyne troupen by thien ofte twaelf by malkander wederom na de Stadt, want de Garden[232]hebben ſorge wanneer de Slaven na het Werck gaen, datſe haer niet verberghen, ende van de troupe afloopen, om haer vanden arbeydt te excuſeren. Als wy dan wederom na de Stadt toe gingen, ſekere Spaignaert die met ons was (ſijnde een Man ſeer gheeſtimeert onder de Slaven vande Bain, ende de welcke meriteerde Meeſter gemaect te worden inde Univerſiteyt vande Dieven) ſeyde; Siet daer isenAlarbe met een Troup Schapen, ende my dunckt dat icker een van ſal hebben ſonder Gelt. Hy maeckt een Tou ghereet om het Schaep te verworghen, op dat het niet ſoude bleeten: maer wat middel ſeyde hy, om de Poort te paſſeren ſonder geattrappeert te worden. De Frans-Man die een Practiſijn was in het Parlement vande Dieven, preſenteert ſijn Sack aen de Spaignaert, ende ſeyde my:Duynkercker ſiet ghy nu wel waer toe de Sack dient? Dat diende my om te ghelooven, dat men yeder een in zijn Ambacht moet gelooven.[233]

Wanneer ick eerſt inde Bain van Pegelin ghekomen vvas, commandeerde men 400. Slaven te arbeyden in het plaeyſier-Huys vande Patroon, ’tvvelck tvvee Italiaenſe mylen van de Stadt af vvas, ende om een kleyn Berghje effen te maken,’s avontsvvierde de ordre gegeven, ende ’s morgens voor het op-gaen van de Sonne leyden de Garden dat ghetal Slaven te vverck, ende ick vvas van dat ghetal. In ’t marcheren koute ick met een die korts Slaef gemaeckt vvas, ſijnde een Frans-man van geboorte, ick ſagh dat hy een lege Sack op ſijn Schouderen hadde: Ick vraeghde hem wat hy met die Sack wilde doen: Hy antwoorde my: Gy ſijt noch een leerling in het Ambacht van de Slaven, ende ick ben een out Meeſter in ſoodanighe maniere van leven, ende ick ſal u wijſen door klare redenen,[231]dat een Slaef die buyten in ’t Veldt gaet om te arbeyden, ſich van drie dingen moet verſien: van een Sack, van een ſtuck Broots, ende van een Lepel. Aengaende Broodt, ſeyde ick, vinde dat goet, want de Gardiaen commandeert u, ende ſendt u om een Bootſchap ſoo menighmael als het hem belieft, ende indien men ondertuſſchen dat ghy abſent ſijt, het Biſcuyt diſtribueert, hebt gy niet te eten: Aengaende de Lepel, dat behaeght my mede wel, want giſteren gafmen Potagie van Gerſt, ende om dat ick geen Lepel hadde, was ick ghenootſaeckt my met de Handt te behelpen, (gy moet weten dat wanneer wy buyten de Stadt wercken, gafmen ons een portie van Galeyen Biſcuyt, ende potagie van Gerſt).Maer aengaende van deſe Sack, kan ick niet begrijpen waer toe de ſelfde dient: Hy gaf my het ſelfde antwoordt: Gy ſijt maer een leerlingh, met der tijdt ſult ghy door ervarentheydt bevinden, dat een Sack een nootſaeckelijcke Meubel is voor een gauwen Slaef. Wy quamen op het plaiſier-Huys, alwaermen ons dede arbeyden tot twee uyren voor den avont toe: Als dan verlatende den arbeydt keerden wy met kleyne troupen by thien ofte twaelf by malkander wederom na de Stadt, want de Garden[232]hebben ſorge wanneer de Slaven na het Werck gaen, datſe haer niet verberghen, ende van de troupe afloopen, om haer vanden arbeydt te excuſeren. Als wy dan wederom na de Stadt toe gingen, ſekere Spaignaert die met ons was (ſijnde een Man ſeer gheeſtimeert onder de Slaven vande Bain, ende de welcke meriteerde Meeſter gemaect te worden inde Univerſiteyt vande Dieven) ſeyde; Siet daer isenAlarbe met een Troup Schapen, ende my dunckt dat icker een van ſal hebben ſonder Gelt. Hy maeckt een Tou ghereet om het Schaep te verworghen, op dat het niet ſoude bleeten: maer wat middel ſeyde hy, om de Poort te paſſeren ſonder geattrappeert te worden. De Frans-Man die een Practiſijn was in het Parlement vande Dieven, preſenteert ſijn Sack aen de Spaignaert, ende ſeyde my:Duynkercker ſiet ghy nu wel waer toe de Sack dient? Dat diende my om te ghelooven, dat men yeder een in zijn Ambacht moet gelooven.[233]

[Inhoud]XXIX. VERHAEL.Vande ghetrouwigheydt van een Man, ende vande ontrouwigheydt van zijn Vrouw.In ’t Iaer 1638. hadde de Galeyen van Argiers eenige Turcken op het Landt vande Chriſtenen gheſet, de welcke geleydt zijnde door een Gerenegeerde verrader, van dat Landt gheboren, namen veele Chriſtenen, die Scheep gebrocht wierden ende tot Argiers verkocht. Onder deſe Slaven was een Man, die wy Ioſeph ſullen noemen, met ſijn Vrou genaemt Vipra: Deſe twee wierden gekocht van Mahomet Celibi Oiga: Ioſeph moſte de Paerde ende de muylen waernemen, ende Vipra diende de Vrouw van Mahomet Celibi als Dienſt-Meyt. In het Iaer 1639. ſeyde Celibi op ſekeren avondt aen Ioſeph, gaet morghen met het aenkomen van den dagh met de Muyl aende Poort genaemt Babaſon, ende ghy ſult aldaer eenighe Chriſten Slaven met Paerden ende Muylen vinden, de welcke twee Mijlen van hier ſullen gaen, om Kolen[234]te halen, gaet met haer, ende brengh een Laſt mede: ’sAnderendaeghsbevindt ſich Ioſeph aen de Poort, maer alſoo hy niemant ſagh, gaet hy voorts, avancerende gedurig ſijn wegh, gheloovende dat de anderen voor uyt waren, ſoo dat hy ſijn beſt dede om by haer te komen. Wanneer hy ontrent een uyre langs de Zee-Kuſte gereden hadde, ſag hy een Barck, ende gaet daer na toe om het Volck te beter te bekennen; ende hy vernam dat het Chriſtenen waren: Hy verlaet zijn Muyl, ende loopt na de Barck toe: Die vande Barck namen hem in, ende ſeyde hem dat ſy volgens ordre van Majorca quamen om eenige Majorckſe Slaven, ende alſoo die Slaven niet en quamen, vreeſden die vande Barck datſe de Brief niet ontfanghen hadden waer mede men haer dat advijs hadde ghegheven, ende hadden vreeſe datſe ontdeckt ſouden worden, om dat het dagh was. Sy preſenteerden Ioſeph hondert ſtucken van achten, ende hem met de Barck in vryheydt mede te nemen, indien hy binnen de Stadt wilde gaen, ende de Majorckſe Slaven hier van advijs geven: Maer Ioſeph wilde het ſekere voor het onſekere niet verlaten, ende ſeyde, ick ben verſeeckert van mijn vryheyt, ende indien ick wederom inde[235]Stadt ga, kan het ghebeuren dat u voornemen ontdeckt ſal worden, ende ick ſoude meer Slaef blijven als oyt, ende ſoo men quam te weten dat ick my met die ſaecke moeyde, ſoude ick drie honderdt ſlaghen met Stocken krijgen. Ioſeph hadde naeuwelijcks gheeyndight ſich te excuſeren van deſe Bootſchap te doen, ofte daer paſſeerden eenige Turcken, de welcke ſiende dat die van de Barck op ſijn Chriſtens ghekleet waren (waer in de aenvangers na mijn oordeel gemankeert hadden, datſe haer op ſijn Africaens niet gekleet hadde) begonnen alarm te roepen. Die van de Barck vreeſende van eenige Brigantijns genomen te moghen worden, ginghen met volle Zeylen Zee-waerts in, nemende Ioſeph met haer. De Barck gheraeckte in een oogenblick uyt ’t geſicht, ende den alarm hiel op. De Chriſten Slaven die Ioſeph meende dat voor hem vertrocken waren, quamen eerſt aen wanneer den alarm eyndighde: Sy vonden de Muyl, ende ſeyden onder malkander: Siet dat is de Muyl van Mahomet Celibi Oiga: Zijn Slaef moet vande Alarben dood geſlaghen ofte ghenomen zijn, laet ons de Muyl wederom na Huys nemen: Het welcke gedaen wierde, ende Ioſeph wierde van zijn Patroon voor doodt gehouden,[236]ende van zijn Vrouw beweent: Maer de droefheydt gingh korts daer na over, want Vipra wierde verlieft op een Renegado genaemt Aſſen, de welcke Slaef vande ſelfde Patroon Mahomet hadde geweeſt. Ioſeph was ondertuſſchen tot Majorca ghekomen, ende van daer in ſijn Vaderlandt, alwaer hy verhaelde ’t gene hem overgekomen was geweeſt, terwijl hy Slaef hadde geweeſt als mede het geluck van ſijne verloſſinghe. Zijnde nochtans ten hooghſten droevigh wegen de abſentie van zijn wel-beminde Vipra. Ioſeph verkocht alles wat hy hadde, ende met hulpe van het goede Volck, ende met zijn neerſtigheydt kreegh hy 500. ſtucken van achten by een: Het waren vijf Maenden gheleden dat Ioſeph voor doodt ghehouden wierde. Eyndelijck ontfingh Mahomet Celibi Oiga een Brief van deſen inhoudt: Mijn Heere, ick hebbe door Godts genade mijn vryheydt ghekregen op den ſelfden dagh wanneer ghy my om Kolen ſondt, door een Majorckſe Barck: Ick gheloove dat uwe Signorie my niet ſal beſchuldigen daer over dat ick ontrouw ben: Want yeder een ſoeckt ſijn vryheydt te hebben. Wanneer ick u Slaef was, eyſchte my uwe Signorie vijf honderdt ſtucken van achten voor rantſoen van mijn Vrouw ende[237]my: Ick ſende hier neffens ordre, want ick achte mijn ſelven noch u Slaef te ſijn, ſoo langh als mijn Vrouw noch in Slavernie is: Ick vertrouwe op de goetheydt van uwe Signorie dat deſe mijne preſentatie u aengenaem ſal ſijn. Deſe Brief wiert aen Vipra ghetoont, die daer over niet wel te vrede was, want de liefde vanden Renegado Aſſan was ſoo diep in haer Herte ghewortelt, datſe opentlijck ſeyde, datſe in haer Vaderlandt niet wederom wilde gaen: Het welcke Mahomet Celibi gants niet behaegde, want hy ſoude liever de vijf hondert ſtucken van achten ontfanghen hebben, ende Vipra in vryheyt wegh gheſonden: Maer ſijn Vrouwe ſeyde hem: Vipra heeft begeert haer ſelven Mahometaens te maecken, ende ſoudt ghy om 500. ſtucken van achten willen verhinderen een werck ſoo aengename aen onſe Propheet? boven dat, alle de Buyren weten haer voornemen, ende indien ghyſe wegh ſent, ſal men u voor een Chriſten houden: Op de redenen van zijn Vrouw vonde hy goet deſe ſake in ſuſpenſie te houden.Ick wierde juyſt op die tijdt ſlaef van de ſelfde Patroon Mahomet, ende hebbende verſtaen de Hiſtorie van Vipra ende van haer Man, was ick op een ſeeckeren dag by Vipra[238]aende Deur, die my ſeyde: waerom zijt ghy melancolijck? Ick antwoorde haer: Om dat ick ſoo geluckigh niet en ben als ghy: Zy vraeghde my, waerom? Ick repliceerden haer: Om dat ghy u vryheydt konde hebben als het u belieft, vvant ick verſta dat u Man 500. ſtucken van achten over gheſonden heeft voor u rantſoen, ende ick ben vervvondert dat ghy u vryheydt niet begeert te hebben, ende vvederom by u Man gaen, die u ſoo goet ende ghetrouvv is, als mede om de Catholijcke Religie in u Vaderlandt onder u Bloet-Verwanten ende Vrienden te oeffenen. Zy antwoorde my, een Turckſe Tabbaert ſal my ſoo wel paſſen als een Spaenſe Rock: Ende met deſe woorden verliet ſy my, ende gingh in Huys, ’t welck my dede weten dat de liefde dieſe haren Galant toe droegh, ſtercker was als dieſe behoorde te hebben voor haer Religie, voor haer Vaderlandt, voor haer Man, ende voor haer Bloet-Vrienden.

XXIX. VERHAEL.Vande ghetrouwigheydt van een Man, ende vande ontrouwigheydt van zijn Vrouw.

In ’t Iaer 1638. hadde de Galeyen van Argiers eenige Turcken op het Landt vande Chriſtenen gheſet, de welcke geleydt zijnde door een Gerenegeerde verrader, van dat Landt gheboren, namen veele Chriſtenen, die Scheep gebrocht wierden ende tot Argiers verkocht. Onder deſe Slaven was een Man, die wy Ioſeph ſullen noemen, met ſijn Vrou genaemt Vipra: Deſe twee wierden gekocht van Mahomet Celibi Oiga: Ioſeph moſte de Paerde ende de muylen waernemen, ende Vipra diende de Vrouw van Mahomet Celibi als Dienſt-Meyt. In het Iaer 1639. ſeyde Celibi op ſekeren avondt aen Ioſeph, gaet morghen met het aenkomen van den dagh met de Muyl aende Poort genaemt Babaſon, ende ghy ſult aldaer eenighe Chriſten Slaven met Paerden ende Muylen vinden, de welcke twee Mijlen van hier ſullen gaen, om Kolen[234]te halen, gaet met haer, ende brengh een Laſt mede: ’sAnderendaeghsbevindt ſich Ioſeph aen de Poort, maer alſoo hy niemant ſagh, gaet hy voorts, avancerende gedurig ſijn wegh, gheloovende dat de anderen voor uyt waren, ſoo dat hy ſijn beſt dede om by haer te komen. Wanneer hy ontrent een uyre langs de Zee-Kuſte gereden hadde, ſag hy een Barck, ende gaet daer na toe om het Volck te beter te bekennen; ende hy vernam dat het Chriſtenen waren: Hy verlaet zijn Muyl, ende loopt na de Barck toe: Die vande Barck namen hem in, ende ſeyde hem dat ſy volgens ordre van Majorca quamen om eenige Majorckſe Slaven, ende alſoo die Slaven niet en quamen, vreeſden die vande Barck datſe de Brief niet ontfanghen hadden waer mede men haer dat advijs hadde ghegheven, ende hadden vreeſe datſe ontdeckt ſouden worden, om dat het dagh was. Sy preſenteerden Ioſeph hondert ſtucken van achten, ende hem met de Barck in vryheydt mede te nemen, indien hy binnen de Stadt wilde gaen, ende de Majorckſe Slaven hier van advijs geven: Maer Ioſeph wilde het ſekere voor het onſekere niet verlaten, ende ſeyde, ick ben verſeeckert van mijn vryheyt, ende indien ick wederom inde[235]Stadt ga, kan het ghebeuren dat u voornemen ontdeckt ſal worden, ende ick ſoude meer Slaef blijven als oyt, ende ſoo men quam te weten dat ick my met die ſaecke moeyde, ſoude ick drie honderdt ſlaghen met Stocken krijgen. Ioſeph hadde naeuwelijcks gheeyndight ſich te excuſeren van deſe Bootſchap te doen, ofte daer paſſeerden eenige Turcken, de welcke ſiende dat die van de Barck op ſijn Chriſtens ghekleet waren (waer in de aenvangers na mijn oordeel gemankeert hadden, datſe haer op ſijn Africaens niet gekleet hadde) begonnen alarm te roepen. Die van de Barck vreeſende van eenige Brigantijns genomen te moghen worden, ginghen met volle Zeylen Zee-waerts in, nemende Ioſeph met haer. De Barck gheraeckte in een oogenblick uyt ’t geſicht, ende den alarm hiel op. De Chriſten Slaven die Ioſeph meende dat voor hem vertrocken waren, quamen eerſt aen wanneer den alarm eyndighde: Sy vonden de Muyl, ende ſeyden onder malkander: Siet dat is de Muyl van Mahomet Celibi Oiga: Zijn Slaef moet vande Alarben dood geſlaghen ofte ghenomen zijn, laet ons de Muyl wederom na Huys nemen: Het welcke gedaen wierde, ende Ioſeph wierde van zijn Patroon voor doodt gehouden,[236]ende van zijn Vrouw beweent: Maer de droefheydt gingh korts daer na over, want Vipra wierde verlieft op een Renegado genaemt Aſſen, de welcke Slaef vande ſelfde Patroon Mahomet hadde geweeſt. Ioſeph was ondertuſſchen tot Majorca ghekomen, ende van daer in ſijn Vaderlandt, alwaer hy verhaelde ’t gene hem overgekomen was geweeſt, terwijl hy Slaef hadde geweeſt als mede het geluck van ſijne verloſſinghe. Zijnde nochtans ten hooghſten droevigh wegen de abſentie van zijn wel-beminde Vipra. Ioſeph verkocht alles wat hy hadde, ende met hulpe van het goede Volck, ende met zijn neerſtigheydt kreegh hy 500. ſtucken van achten by een: Het waren vijf Maenden gheleden dat Ioſeph voor doodt ghehouden wierde. Eyndelijck ontfingh Mahomet Celibi Oiga een Brief van deſen inhoudt: Mijn Heere, ick hebbe door Godts genade mijn vryheydt ghekregen op den ſelfden dagh wanneer ghy my om Kolen ſondt, door een Majorckſe Barck: Ick gheloove dat uwe Signorie my niet ſal beſchuldigen daer over dat ick ontrouw ben: Want yeder een ſoeckt ſijn vryheydt te hebben. Wanneer ick u Slaef was, eyſchte my uwe Signorie vijf honderdt ſtucken van achten voor rantſoen van mijn Vrouw ende[237]my: Ick ſende hier neffens ordre, want ick achte mijn ſelven noch u Slaef te ſijn, ſoo langh als mijn Vrouw noch in Slavernie is: Ick vertrouwe op de goetheydt van uwe Signorie dat deſe mijne preſentatie u aengenaem ſal ſijn. Deſe Brief wiert aen Vipra ghetoont, die daer over niet wel te vrede was, want de liefde vanden Renegado Aſſan was ſoo diep in haer Herte ghewortelt, datſe opentlijck ſeyde, datſe in haer Vaderlandt niet wederom wilde gaen: Het welcke Mahomet Celibi gants niet behaegde, want hy ſoude liever de vijf hondert ſtucken van achten ontfanghen hebben, ende Vipra in vryheyt wegh gheſonden: Maer ſijn Vrouwe ſeyde hem: Vipra heeft begeert haer ſelven Mahometaens te maecken, ende ſoudt ghy om 500. ſtucken van achten willen verhinderen een werck ſoo aengename aen onſe Propheet? boven dat, alle de Buyren weten haer voornemen, ende indien ghyſe wegh ſent, ſal men u voor een Chriſten houden: Op de redenen van zijn Vrouw vonde hy goet deſe ſake in ſuſpenſie te houden.Ick wierde juyſt op die tijdt ſlaef van de ſelfde Patroon Mahomet, ende hebbende verſtaen de Hiſtorie van Vipra ende van haer Man, was ick op een ſeeckeren dag by Vipra[238]aende Deur, die my ſeyde: waerom zijt ghy melancolijck? Ick antwoorde haer: Om dat ick ſoo geluckigh niet en ben als ghy: Zy vraeghde my, waerom? Ick repliceerden haer: Om dat ghy u vryheydt konde hebben als het u belieft, vvant ick verſta dat u Man 500. ſtucken van achten over gheſonden heeft voor u rantſoen, ende ick ben vervvondert dat ghy u vryheydt niet begeert te hebben, ende vvederom by u Man gaen, die u ſoo goet ende ghetrouvv is, als mede om de Catholijcke Religie in u Vaderlandt onder u Bloet-Verwanten ende Vrienden te oeffenen. Zy antwoorde my, een Turckſe Tabbaert ſal my ſoo wel paſſen als een Spaenſe Rock: Ende met deſe woorden verliet ſy my, ende gingh in Huys, ’t welck my dede weten dat de liefde dieſe haren Galant toe droegh, ſtercker was als dieſe behoorde te hebben voor haer Religie, voor haer Vaderlandt, voor haer Man, ende voor haer Bloet-Vrienden.

In ’t Iaer 1638. hadde de Galeyen van Argiers eenige Turcken op het Landt vande Chriſtenen gheſet, de welcke geleydt zijnde door een Gerenegeerde verrader, van dat Landt gheboren, namen veele Chriſtenen, die Scheep gebrocht wierden ende tot Argiers verkocht. Onder deſe Slaven was een Man, die wy Ioſeph ſullen noemen, met ſijn Vrou genaemt Vipra: Deſe twee wierden gekocht van Mahomet Celibi Oiga: Ioſeph moſte de Paerde ende de muylen waernemen, ende Vipra diende de Vrouw van Mahomet Celibi als Dienſt-Meyt. In het Iaer 1639. ſeyde Celibi op ſekeren avondt aen Ioſeph, gaet morghen met het aenkomen van den dagh met de Muyl aende Poort genaemt Babaſon, ende ghy ſult aldaer eenighe Chriſten Slaven met Paerden ende Muylen vinden, de welcke twee Mijlen van hier ſullen gaen, om Kolen[234]te halen, gaet met haer, ende brengh een Laſt mede: ’sAnderendaeghsbevindt ſich Ioſeph aen de Poort, maer alſoo hy niemant ſagh, gaet hy voorts, avancerende gedurig ſijn wegh, gheloovende dat de anderen voor uyt waren, ſoo dat hy ſijn beſt dede om by haer te komen. Wanneer hy ontrent een uyre langs de Zee-Kuſte gereden hadde, ſag hy een Barck, ende gaet daer na toe om het Volck te beter te bekennen; ende hy vernam dat het Chriſtenen waren: Hy verlaet zijn Muyl, ende loopt na de Barck toe: Die vande Barck namen hem in, ende ſeyde hem dat ſy volgens ordre van Majorca quamen om eenige Majorckſe Slaven, ende alſoo die Slaven niet en quamen, vreeſden die vande Barck datſe de Brief niet ontfanghen hadden waer mede men haer dat advijs hadde ghegheven, ende hadden vreeſe datſe ontdeckt ſouden worden, om dat het dagh was. Sy preſenteerden Ioſeph hondert ſtucken van achten, ende hem met de Barck in vryheydt mede te nemen, indien hy binnen de Stadt wilde gaen, ende de Majorckſe Slaven hier van advijs geven: Maer Ioſeph wilde het ſekere voor het onſekere niet verlaten, ende ſeyde, ick ben verſeeckert van mijn vryheyt, ende indien ick wederom inde[235]Stadt ga, kan het ghebeuren dat u voornemen ontdeckt ſal worden, ende ick ſoude meer Slaef blijven als oyt, ende ſoo men quam te weten dat ick my met die ſaecke moeyde, ſoude ick drie honderdt ſlaghen met Stocken krijgen. Ioſeph hadde naeuwelijcks gheeyndight ſich te excuſeren van deſe Bootſchap te doen, ofte daer paſſeerden eenige Turcken, de welcke ſiende dat die van de Barck op ſijn Chriſtens ghekleet waren (waer in de aenvangers na mijn oordeel gemankeert hadden, datſe haer op ſijn Africaens niet gekleet hadde) begonnen alarm te roepen. Die van de Barck vreeſende van eenige Brigantijns genomen te moghen worden, ginghen met volle Zeylen Zee-waerts in, nemende Ioſeph met haer. De Barck gheraeckte in een oogenblick uyt ’t geſicht, ende den alarm hiel op. De Chriſten Slaven die Ioſeph meende dat voor hem vertrocken waren, quamen eerſt aen wanneer den alarm eyndighde: Sy vonden de Muyl, ende ſeyden onder malkander: Siet dat is de Muyl van Mahomet Celibi Oiga: Zijn Slaef moet vande Alarben dood geſlaghen ofte ghenomen zijn, laet ons de Muyl wederom na Huys nemen: Het welcke gedaen wierde, ende Ioſeph wierde van zijn Patroon voor doodt gehouden,[236]ende van zijn Vrouw beweent: Maer de droefheydt gingh korts daer na over, want Vipra wierde verlieft op een Renegado genaemt Aſſen, de welcke Slaef vande ſelfde Patroon Mahomet hadde geweeſt. Ioſeph was ondertuſſchen tot Majorca ghekomen, ende van daer in ſijn Vaderlandt, alwaer hy verhaelde ’t gene hem overgekomen was geweeſt, terwijl hy Slaef hadde geweeſt als mede het geluck van ſijne verloſſinghe. Zijnde nochtans ten hooghſten droevigh wegen de abſentie van zijn wel-beminde Vipra. Ioſeph verkocht alles wat hy hadde, ende met hulpe van het goede Volck, ende met zijn neerſtigheydt kreegh hy 500. ſtucken van achten by een: Het waren vijf Maenden gheleden dat Ioſeph voor doodt ghehouden wierde. Eyndelijck ontfingh Mahomet Celibi Oiga een Brief van deſen inhoudt: Mijn Heere, ick hebbe door Godts genade mijn vryheydt ghekregen op den ſelfden dagh wanneer ghy my om Kolen ſondt, door een Majorckſe Barck: Ick gheloove dat uwe Signorie my niet ſal beſchuldigen daer over dat ick ontrouw ben: Want yeder een ſoeckt ſijn vryheydt te hebben. Wanneer ick u Slaef was, eyſchte my uwe Signorie vijf honderdt ſtucken van achten voor rantſoen van mijn Vrouw ende[237]my: Ick ſende hier neffens ordre, want ick achte mijn ſelven noch u Slaef te ſijn, ſoo langh als mijn Vrouw noch in Slavernie is: Ick vertrouwe op de goetheydt van uwe Signorie dat deſe mijne preſentatie u aengenaem ſal ſijn. Deſe Brief wiert aen Vipra ghetoont, die daer over niet wel te vrede was, want de liefde vanden Renegado Aſſan was ſoo diep in haer Herte ghewortelt, datſe opentlijck ſeyde, datſe in haer Vaderlandt niet wederom wilde gaen: Het welcke Mahomet Celibi gants niet behaegde, want hy ſoude liever de vijf hondert ſtucken van achten ontfanghen hebben, ende Vipra in vryheyt wegh gheſonden: Maer ſijn Vrouwe ſeyde hem: Vipra heeft begeert haer ſelven Mahometaens te maecken, ende ſoudt ghy om 500. ſtucken van achten willen verhinderen een werck ſoo aengename aen onſe Propheet? boven dat, alle de Buyren weten haer voornemen, ende indien ghyſe wegh ſent, ſal men u voor een Chriſten houden: Op de redenen van zijn Vrouw vonde hy goet deſe ſake in ſuſpenſie te houden.

Ick wierde juyſt op die tijdt ſlaef van de ſelfde Patroon Mahomet, ende hebbende verſtaen de Hiſtorie van Vipra ende van haer Man, was ick op een ſeeckeren dag by Vipra[238]aende Deur, die my ſeyde: waerom zijt ghy melancolijck? Ick antwoorde haer: Om dat ick ſoo geluckigh niet en ben als ghy: Zy vraeghde my, waerom? Ick repliceerden haer: Om dat ghy u vryheydt konde hebben als het u belieft, vvant ick verſta dat u Man 500. ſtucken van achten over gheſonden heeft voor u rantſoen, ende ick ben vervvondert dat ghy u vryheydt niet begeert te hebben, ende vvederom by u Man gaen, die u ſoo goet ende ghetrouvv is, als mede om de Catholijcke Religie in u Vaderlandt onder u Bloet-Verwanten ende Vrienden te oeffenen. Zy antwoorde my, een Turckſe Tabbaert ſal my ſoo wel paſſen als een Spaenſe Rock: Ende met deſe woorden verliet ſy my, ende gingh in Huys, ’t welck my dede weten dat de liefde dieſe haren Galant toe droegh, ſtercker was als dieſe behoorde te hebben voor haer Religie, voor haer Vaderlandt, voor haer Man, ende voor haer Bloet-Vrienden.


Back to IndexNext