ACHTSTE HOOFDSTUK.

Eene logée.

Hoe langer ik in 't huis van Tante Betsy vertoefde, hoe meer ik er mij op mijn gemak begon te gevoelen, en reeds sedert lang dacht ik niet meer met dat smachtend verlangen, dat mij in den beginne zoozeer kwelde, aan 't lieve ouderlijke huis terug. Meer en meer erkende ik welke waarde het voor mijn geheele vorming had, dat ik een gedeelte mijner jeugd bij Tante Betsy doorbracht, en de liefdevolle manier, waarop zij mij wist te leiden, deed mij vrij gemakkelijk duizenderlei gebreken en onhebbelijkheden verbeteren, waarmede ik nog steeds te kampen had.

Het ontging mij niet dat Tantes voorhoofd tusschenbeide bewolkt was en ik maakte mij ernstig ongerust, toen ik haar op zekeren morgen weenend in haar fauteuil vond zitten. Er lag een brief voor haar op de tafel, en toen ik op haar toeijlde en haar vroeg wat haar scheelde, gaf zij mij vriendelijk een wenk om mij te verwijderen, waaraan ik natuurlijk gehoorzaamde. Het duurde lang eer zij bij mij in de kamer kwam, en ik hoorde haar verscheidene malen op haar kamer heen en weer loopen.

Eindelijk kwam zij beneden, kalm en rustig, ofschoon ernstig en neerslachtig, ging naast mij zitten en zeide:

„Margot, ik wil je gedeeltelijk mededeelen, wat mij zoozeer neerdrukt. Je bent een verstandig meisje en hebt mij lief;daarom kan ik gerust mijn hart voor je uitstorten. Natuurlijk spreek je er tegen niemand over dan tegen Marie en je lieve moeder, aan wie ik 't zelf zal mededeelen.”

„Daarvan kunt gij verzekerd zijn, lieve Tante,” antwoordde ik.

„Je weet, Margot,” begon zij, „dat ik sinds vier jaren weduwe ben, nadat ik aan de zijde van mijn geliefden man onvergetelijke jaren van huiselijk geluk gesmaakt heb. Toen God ons het eenige kind, dat Hij ons geschonken had, weder ontnam, sloten wij ons te inniger aan elkander. Daar was echter nog iets anders, wat ons leed veroorzaakte. De eenige broeder van mijn echtgenoot, dien hij zeer liefhad, was eenige jaren na den dood zijner eerste vrouw met een jong meisje gehuwd, voor wier lichtzinnigheid en luimen men hem gewaarschuwd had. 't Scheen dat Adolf met blindheid geslagen was; zelfs de zorg voor zijn elfjarig dochtertje hield hem niet terug van den onberaden stap. Slechts al te spoedig zag hij in hoe onverstandig hij had gehandeld. Gedurende de zeven jaren, welke hij met deze tweede vrouw gehuwd is, heeft de krachtige man zooveel verdriet gehad, dat hij wel een grijsaard gelijkt. Zwak en toegevend van aard, laat hij haar alles toe, om maar den lieven huiselijken vrede te bewaren. Dat nu Eugenie, de dochter, onder de leiding van zulk eene moeder geen goede opvoeding heeft genoten, kunt ge wel begrijpen; want de invloed van haar vader was te gering, om zijn kind voor allen nadeeligen invloed van den kant harer stiefmoeder te bewaren. Eugenie is opgegroeid als een talentvol meisje, schoon en bevallig; doch ze mist alles wat het schoonste sieraad is der vrouw. Reeds dikwerf heb ik mijn zwager aangeboden haar eenigen tijd bij mij te nemen—de arme man kon er echter niet toe besluiten, de eenige vreugde zijns levens van zich te laten gaan, en zoo bleven de zaken zooals zij waren. Nu kreeg ik van morgen de tijding dat Adolf benoemd is bij een buitenlandsche ambassade en noch vrouw noch dochter kan medenemen. Daar hij Eugenie niet gaarne onder de hoede harer lichtzinnige stiefmoeder wil laten, verzoekt hij mij vriendelijk zijne dochter, zoolang als hij uitlandig zal zijn,in mijn huis op te nemen. Ik heb hem terstond geantwoord dat ik daartoe bereid ben, en verwacht Eugenie dus heel spoedig. Omdat nu deze verandering in ons huisgezin ook u betreft, moest ik je een gedeelte van die treurige familiezaken mededeelen, waarvan ik nog nooit een woord tegen iemand gerept heb. Ik vertrouw dat je geduld zult hebben met de gebreken van Eugenie, waarvan de omgeving, waarin zij geleefd heeft, de oorzaak is. Ook mijn taak zal niet gemakkelijk zijn. En daarom willen we beiden met moed en liefde onze Eugenie verwachten.”

Zonder nog te antwoorden keek ik Tante aan. Ik begon mij hier zoo geheel en al thuis te gevoelen, en zag er nu tegen op eene nieuwe huisgenoot, en nog wel zulk eene, te ontvangen. Tante scheen mijne gedachten te raden.

„Vrees niets, lief kind,” zeide zij. „Onze nieuwe huisgenoot zal u niet benadeelen. Waar ze 't je te lastig mocht maken, zal ik je beschermen. Vertrouw op mij en wees goedsmoeds.”

Eenige weken na dit gesprek kwam de verwachte nicht op zekeren namiddag aan. Tante was naar 't station gereden om Eugenie te ontvangen, en ik verwachtte beiden met de dampende koffie, waarmede ik de reizigster dacht te zullen verkwikken. Daar kwam de vigilante voor, en door een reet van 't gordijn zag ik naast Tante Betsy eene statige, slanke jonge dame uit het rijtuig stappen, die met vluggen tred naar de huisdeur ging; terwijl zij de zorg voor haar talrijke reisbenoodigdheden aan een jong meisje overliet, dat zich daarmede tot aan de kin belaadde. Ik snelde de aankomenden te gemoet en werd door Tante Betsy aan Eugenie als haar lieve nichtje Margot voorgesteld.

„Zoo! Is dat de boerendeern, waarvan gij mij vroeger wel eens verhaald hebt? Nog geheel en al tusschen mal en dwaas, naar 't mij voorkomt,” zeide Eugenie, terwijl ze mij nauwelijks met een blik verwaardigde. Toch reikte ze mij even de toppen harer vingers, die in fijne lichtgrijze glacéhandschoenen staken; wendde zich tot Tante en zei op snibbigen toon:

„'t Schijnt dat ge voornemens zijt, Tante, om een jonge-juffrouwenkostschoolte beginnen; daar ge de eene jonge dame na de andere laat komen.”

„Ik hoop dat mijn Margot een lieve zuster voor je zal wezen, Eugenie,” antwoordde Tante, zonder op de hatelijke opmerking van haar nichtje te letten. Eugenie wendde zich lachend tot mij en zeide:

„Tot hiertoe heb ik 't best zonder een zuster kunnen stellen; maar ik heb er niets tegen, dat we goede vriendinnen worden, cousientje.”

En, eer ik 't vermoedde, naderde zij mij snel en drukte mij een hartelijken kus op den mond. Maar even snel wendde zij zich tot het zwaarbeladen jonge meisje, dat juist in de kamer trad, en riep:

„Lizette, leg dien rommel maar eventjes op den grond neer en haal mij een glas water. Ik stik van warmte en dorst.”

Eer nog Lizette 't haar bevolene had kunnen verrichten, wierp haar meesteres zich op een stoel, strekte één voet uit en riep:

„Trek mij toch die afschuwelijke pelslaarzen van de voeten, waarmede ik er uitzie als een Laplandsche, en geef mij mijn lichte pantoffels aan.”

Lizette deed wat haar bevolen was, knielde voor Eugenie neder, en deze had er pleizier in de losgemaakte en versmade pelslaarzen over 't hoofd harer kamenier in den tegenovergestelden hoek der kamer te slingeren.

Ik stond geheel en al verbluft. Wat een zonderling meisje was dit! Trotsch en daarbij hartelijk, despotisch en tevens kinderlijk, en bovenal zoo onbegrijpelijk op haar gemak en ongegeneerd, als woonde ze reeds jaren bij Tante Betsy in huis. Deze scheen echter op 't zonderlinge gedrag van de nieuwaangekomene geen acht te slaan; want toen zij sjaal en hoed had afgedaan, zette zij zich gemakkelijk in 't hoekje van haar sofa neder en zei opgeruimd:

„Nu, Margot; ik hoop dat je voor een lekker kopje koffie gezorgd hebt; dat zal ons goed doen. Haast je, Eugenie; anders blijft er niets voor je over.”

„Koffie! De Hemel beware mij! Die drink ik nooit,” antwoorddeEugenie; terwijl ze haar bruinen krullebol schudde en een paar lichtblauwe, keurig gevoerde pantoffels aan haar nette voetjes trok. „Koffie! Een akelige drank, die iemands teint bederft en sproeten veroorzaakt.”

„Maar wat drink je dan in plaats van koffie, kindlief?” vroeg Tante.

„'s Morgens chocolaad, 's namiddags in 't geheel niets, of thee,” antwoordde Eugenie; terwijl ze zich, zoo lui zij kon, in Tantes gemakkelijken leunstoel uitstrekte en met de lichtblauwe voetjes op en neer wipte.

Ik kreeg een kleur van verontwaardiging, toen ik 't moest aanzien, dat Eugenie zich zoo maar onverschillig in den leunstoel neervlijde, waarop ik 't niet zou gewaagd hebben te gaan zitten. Zoo iets echter behoefde ik bij die jonge prinses niet te verwachten; haar scheen 't beste nauwelijks goed genoeg. Tante liet haar ook rustig begaan en wendde zich tot mij, met het verzoek wat thee voor Eugenie te zetten, daar een warme drank haar goed zou doen. Toen deze er niets tegen inbracht, deed ik wat Tante mij bevolen had.

Intusschen had het jonge meisje een borstel uit den zak gehaald en poetste daarmede de lange nagels harer sierlijk witte handen, als ware zij alleen in de kamer. Toen sprong ze van haar stoel op, krulde haar kastanjebruine lokken voor den spiegel op, en ging daarop in de kamer en in Tantes boudoir eens rond, om met een vluchtig oog de schilderijen, boeken en sieraden te beschouwen.

„Wat is alles vreeselijk ouderwetsch bij u, Tante!” riep zij daarop lachend uit. „Die oude prullen heeft Mama al sedert lang naar den uitdrager gestuurd. Alle twee jaren hebben wij een geheel nieuw ameublement.”

Ik stond verbaasd over die opmerking! Deze schoone, solide, kostbare meubelen noemde Eugenie oude prullen! Die meubelen, waartusschen ik mij in de eerste dagen van mijn verblijf alhier ter nauwernood durfde bewegen uit hoogschatting van die kostbare dingen, ouderwetsche prullen! Dat was toch al te erg, en met een angstigen blik keek ik Tante aan, om te hooren wat deze daarop zou antwoorden.

Zij bloosde even en beet zich op de lippen. Toen echter antwoordde zij kalm:

„Aan deze oude meubelen zijn voor mij liefelijke herinneringen verbonden, Eugenie. Zij zijn getuigen geweest van mijn schoonste dagen en zijn met mij oud geworden. Ik zou er niet gaarne een enkel stuk van missen of tegen een nieuw verruilen; want we zijn zoo langzamerhand aan elkander gewoon geworden. Wie zich steeds in een nieuwe omgeving beweegt, denkt niet gaarne terug aan vroegere dagen; hij heeft een wereldsch, rusteloos gemoed, waarvoor slechts het nieuwe bekoorlijkheid en waarde bezit.”

Met een zonderlingen blik zag Eugenie Tante aan, half glimlachend, half ernstig.

„Wat hebt ge toch allerliefste ideeën, Tante,” zeide zij onbeschroomd. „Die passen zoo precies bij die oude meubelen; want ze zijn even eerwaardig en ouderwetsch. Maar gij hebt gelijk. Wat gij daar zeidet, heb ik nog nooit zoo ingezien.”

„Je hebt waarschijnlijk nog zooveel niet begrepen, wat waar en goed is, kind!” antwoordde Tante vriendelijk. „Ik hoop dat je dat nu zult leeren.”

Eugenie ging zwijgend in haar stoel zitten; ze scheen een weinig op haar teenen te zijn getrapt. Ik bracht haar een kopje thee.

„Ik lust geen thee; ik heb 't warm genoeg,” zeide zij knorrig en duwde het kopje zoo hard weg, dat de thee over mijn japon vloog. Ik keerde mij schielijk om; want ik ergerde mij over het wispelturige meisje. Tante zeide echter zeer bepaald, maar kalm:

„Dit kopje zul je uitdrinken, Eugenie; want vooreerst is 't goed na de reis, en ten tweede heeft Margot alleen te uwen gevalle thee gezet. Als je vooraf hadt geweten, dat je ze niet gebruiken zoudt, dan hadt je Margot de moeite moeten sparen om ze te zetten.”

Eugenie keek haar verbaasd aan en werd zoo rood als een kalkoensche haan. Ze zat eenige oogenblikken als een bedorven kind in haar stoel en bekeek haar witte nageltjes; toen richtte zij zich eensklaps op, trok het kopje thee naar zichtoe, deed er melk en suiker in, dronk het vocht in één teug op en schoof mij 't ledige kopje toe. „Nog een, Margot!” zei ze gebiedend. Ik schonk haar weder in, en nu dronk ze ook dit weer even snel uit, mij 't leege kopje toeschuivende. „Nog een!” riep zij.

Ik keek Tante vragend aan: want blijkbaar was Eugenie koppig en wilde zij Tante boos maken. Deze antwoordde echter doodbedaard: „Neen, Margot, schenk geen thee meer. 't Zou Eugenie kwaad doen.”

Mijn eigenzinnig nichtje zeide niets, maar bitter boos zat ze daar in den leunstoel en trommelde zenuwachtig met haar blauwe pantoffels op het tapijt. Eindelijk riep ze, terwijl ze 't hoofd achterover in den stoel wierp:

„Zeg eens, Margot. Ben jij hier óók in 't verbeterhuis?”

„Maar, Eugenie!” riep ik bevend uit; verder was 't mij niet mogelijk, één enkel woord te uiten.

Eugenie verwachtte ook geen antwoord, maar knipte met duim en vinger en begon wat te neuriën. Tante stond op en ging zwijgend naar haar boudoir; toen zij de deur achter zich toedeed, waren wij beiden alleen.

„Maar, lieve Eugenie; hoe kon je Tante zoo krenken?” vroeg ik met tranen in de oogen over 't geen het meisje mijn goede Tante had aangedaan.

Eugenie neuriede voort en gaf mij geen antwoord.

„Je weet niet hoe goed Tante is, Eugenie,” hervatte ik. „Je moet wezenlijk liever voor haar zijn; zij verdient je liefde en achting ten volle. Je kent haar niet; maar ik ben al zoo lang hier, dat ik haar hooge waarde weet te schatten. Zij meent het met iedereen zoo goed.”

Hier werd ik in de rede gevallen door een duchtig geeuwen. Eugenie hield haar beide ooren dicht.

„Hemelsche goedheid! Je lijkt wel zoo'n vervelende schoolmamsel!” riep zij uit.—„Och, och! Hoe zal ik, arme heidin, 't onder al die heiligen uithouden!”

Daarbij zette ze zulk een komiek gezicht en keek mij zoo guitig aan, dat ik mij op de lippen moest bijten om niet te lachen.

„Zeg eens, klein wijsneusje, hoe oud ben je toch wel, datje je vermeet om mij lessen te geven?” vroeg ze, terwijl ze mij met balletjes wierp, die ze van haar broodje kneedde. „Ben je het domme vierendeeljaars al te boven? Eigenlijk schijn je me toe nog tusschen mal en dwaas te zijn. Ben je al veertien jaar en zeven weken?”

„O, ja, die heb ik gelukkig achter den rug, al is het dan ook nog niet lang,” antwoordde ik glimlachend en wierp haar 't mij toegeworpen broodballetje in 't gezicht.

„Maar hoe kun je je dan Margot laten noemen?” vroeg Eugenie. „Margot wil eigenlijk zeggen Grietje, en dat is een boerennaam; zoo noemden ze je zeker thuis op het boerendorp. Ik kan dien naam niet uitstaan en zal je Margareta noemen of liever madeliefje1); dat is toch juist hetzelfde.”

„Zeer veel eer voor een kind, dat nog tusschen mal en dwaas is,” antwoordde ik bits; want ik gevoelde zeer goed, dat ze mij wat in de hoogte stak.

„Nu, al ben je ook wat onnoozel, dom ben je waarlijk niet.”

„Niet zoo dom als ik er wel uitzie,” zeide ik lachend.

„En wie zegt dat je er dom uitziet?” riep Eugenie snel. „Ik niet; want ik vind je nog al tamelijk knap.”

„Ja, ja, zoo'n knapheid van zestien jaren, als ieder meisje nog tenger is en een frissche blozende kleur heeft,” antwoordde ik spottend.

„Laat twisten met u, wie er lust in heeft! Je bent een heks!” riep Eugenie; terwijl ze me haar heele broodje op den rug wierp, dien ik haar juist toekeerde.

„Ga toch niet zoo onbezonnen met het kostelijke eten om, Eugenie,” zeide ik verwijtend, terwijl ik het broodje weer op tafel legde. „Tante kan niet dulden dat men met brood speelt.”

„Nu, dan zal ik het maar laten,” riep Eugenie uit, terwijl ze deed alsof ze heel verschrikt was. „Anders zou ik nog al het brood moeten opeten, waarvan ik eerst kogels en figuren gedraaid heb; evenals ik daar straks je afschuwelijke thee moest opdrinken, die me nog als vuur in de keel brandt.”

„Omdat je daarbij zoo dom waart die in eens uit te drinken,” zeide ik, terwijl ik het theegoed in elkander zette.

„Ik moet toch eens zien, of Tante weer lust heeft om mij op te eten, zooals straks,” zeide Eugenie ondeugend en ging naar de deur van Tantes kamer, en nog eer ik haar verschrikt kon terughouden, was de deur al open en zij er achter verdwenen.

„Lieve Hemel! Is me dat een meisje!” riep ik uit, terwijl ik haar angstig nastaarde; want nooit zou ik 't gewaagd hebben Tante te storen, als zij naar haar kamer was gegaan. En zij durfde het te doen, nadat zij haar boos gemaakt had! Ik luisterde oplettend of ik geen hevige woordenwisseling zou vernemen; maar het duurde niet lang, of daar klonk Eugenie's kinderlijk gelach, de deur ging open en arm in arm kwamen Tante en nicht aan.

„Je behoeft je niet te verbeelden, dat jij de verzoening bewerkt hebt, heilige Margareta,” zeide Eugenie; maar een vriendelijke blik van Tante Betsy zeide mij, dat zulks wel het geval was. Nu, wat mij aangaat, het verheugde mij dat ik Tante weer zoo vroolijk zag, wie er dan ook de oorzaak van mocht wezen.

„Kom thans naar je kamer, kindlief,” zeide Tante; en zij bracht Eugenie naar een klein vriendelijk kamertje, dat aan onze slaapkamer grensde.

Ik was al bang geweest, dat Tante mij met Eugenie in dezelfde kamer had willen inkwartieren, 't geen mij veel leed zou gedaan hebben, omdat onze slaapkamer mij zoo lief was geworden. Maar mijn ledikant met de witte gordijnen stond nog op zijn oude plaats en er was dus geen quaestie van verandering.

't Kamertje van Eugenie was, hoe eenvoudig ook, toch sierlijk ingericht en maakte blijkbaar een aangenamen indruk op 't verwende kind; want ze dartelde neuriënd van 't eene voorwerp naar 't andere.

„Maar dat landschap moet weg!” riep ze eensklaps uit; terwijl ze voor een prachtige gravure naar Koekkoek bleef staan, die voor den schoorsteen hing. „Hier komt mijn lievepapaatje te hangen; ofschoon de slechte man eigenlijk niet verdient dat ik hem nog aanzie, sedert hij mij zoo trouweloos verlaten en aan de wreede handen van een zekere Tante Betsy heeft overgegeven. Gauw, Lizette! Uitgepakt! opdat ik mijn papa eindelijk weer eens onder de oogen krijg; hij toch kent mij 't best van allen en weet wel, dat ik zoo slecht niet ben als sommige menschen wel denken.”

Dit zeggende rukte zij ongeduldig aan de touwen en papieren, waarin een schilderij gepakt was, zooeven door Lizette uit een der vele koffers genomen. Maar ondanks haar drift gelukte het haar toch niet het omhulsel los te krijgen, totdat ik haar te hulp kwam.

„Je bent te driftig, Eugenie; zoo gaat het niet,” zeide ik; terwijl ik den knoop voorzichtig trachtte los te maken.

„Ja, neem jij 't maar; ik doe alles zoo verkeerd,” riep zij uit; maar nu stond zij ongeduldig naast mij, en liet mij ter nauwernood den tijd om het schilderij te voorschijn te halen. Eindelijk was 't laatste stuk papier er af, en met een luiden jubelkreet greep Eugenie 't beeld van haar vader, omvatte het met beide armen, drukte het hartstochtelijk aan haar borst en bedekte het met duizend kussen, waarbij haar de tranen over de wangen rolden.

„Papaatje! Mijn eenig, lief Papaatje!” riep ze met bewogen stem uit. „Nu heb ik u toch, al zijt ge ook ver van uwe arme, vroolijke Eugenie en al wilt ge ook niets meer van haar weten, gij, stoute, stoute, lieve Papa!”

Het was werkelijk een aandoenlijk gezicht, het zonderlinge meisje 't beeld van den waardigen man met zulk een kinderlijke teederheid te zien liefkozen, en alle knorrigheid, door haar vreemd gedrag in mij pas opgewekt, verdween bij den aanblik van dit tooneel. Ze had een goed, liefdevol hart, dat toonde zij duidelijk; maar hoezeer was dat goud in 't ruwe erts verborgen! Zwijgend stond ik naast Tante Betsy, die evenals ik getroffen naar haar stond te kijken, en in wier oog een traan blonk. Zij trad op Eugenie toe, drukte haar aan haar hart en hield haar lang zwijgend omarmd. Ook Eugenie was innig getroffen. Ze was er echter 't meisje nietnaar, om lang aan een weemoedig gevoel toe te geven. Eensklaps rukte zij zich van Tante los, schudde de verwarde lokken van 't voorhoofd, droogde de oogen af en riep weer ondeugend uit:

„'t Is waarlijk wat te zeggen! Daar heeft die stoute papa mij waarlijk weer aan 't schreien gemaakt, en ik had gezworen niet meer aan hem te denken, nadat ik hem met den trein had zien wegrijden. Gauw aan den spijker met den zondaar, die mij zoo week gemaakt heeft.”

Dit zeggende klom ze op een stoel en hing het portret aan den spijker. Toen knikte zij het guitig toe, kuste het nog eenmaal en sprong vlug van den stoel af.

De avond ging om met uitpakken, schikken, vertellen en babbelen, en Eugenie was zoo alleraardigst en mengde zoo het gevoelige met het grappige, het geestige met het dwaze, dat men zich onweerstaanbaar tot haar aangetrokken gevoelde. Toen we naar bed gingen, kuste ze mij hartelijk. „Toch ben je een kleine heks!” zei ze, en huppelde zingend haar kamenier achterna, die haar voorlichtte, en nog een heele poos hoorden wij haar vroolijk babbelen en lachen.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, stond Tante reeds voor mijn bed.

„O, lange slaapster,” zeide zij vriendelijk. „Wat heb je lekkertjes geslapen. Ofschoon 't reeds laat is, wilde ik je echter niet storen. Je scheen heel aangenaam te droomen; want je lachte in je slaap als een kind.”

„Ik heb van onze nieuwe huisgenoot gedroomd, Tante,” zeide ik, mij in mijn bed oprichtend. „Ze voerde daar juist zoo'n dolle grap uit. Begrijp eens, ze had onzen ouden poedel haar fijnen kanten kraag om den hals gebonden en hem haar lichtblauwe pantoffeltjes aangetrokken. Ze wilde hem juist nog eenvoileover den kop doen, dan zou het toilet der jonge dame klaar zijn, zeide ze; toen ik ontwaakte. Hoe iemand toch zoo dwaas kan droomen!”

„Nu, onze wonderlijke Eugenie zou wel in staat zijn om zoo iets te doen,” antwoordde Tante lachend.

„Ik zal maar gauw opstaan; anders verrast ze me nogin mijn bed; zij is misschien gewoon vroeg op te staan.”

„Wat dat aangaat, Margot,” antwoordde Tante, terwijl zij op den zijkant van mijn legerstede ging zitten, „daarvoor behoeft ge u niet zoo erg te haasten. Eugenie ligt nog even goed in de veeren als jij; ik ben zooeven in haar kamer geweest. Ze sliep echter niet meer en lag met open oogen in haar bed. Ze scheen gelezen te hebben en nog geen lust te hebben om op te staan. Ze is geheel en al een verwend kind, dat slechts doet wat haar belieft. In den eersten tijd wil ik haar maar rustig haar eigen hoofdje laten volgen, hoe moeilijk mij dat ook zal vallen; ik reken op haar gezond verstand en goed hart, die haar mettertijd wel op den goeden weg zullen brengen. Uw voorbeeld, lieve Margot, zal mij in de opvoeding van Eugenie ondersteunen; want in den omgang met u, goed meisje, zal zij spoedig inzien, wie van u beiden op den rechten weg is om een bruikbaar mensch te worden.”

„Mijn voorbeeld, Tante!” riep ik verwonderd uit. „Hoe kan ik, onbeschaafd boerenkind, een voorbeeld voor de fijnbeschaafde Eugenie zijn? Dat meent ge immers toch niet ernstig?”

„Ik meen het in vollen ernst, Margot,” hervatte Tante. „Gij zijt een natuurlijk, eenvoudig meisje, dat wel nog weinig maatschappelijke beschaving bezit en nog vele dingen moet leeren, eer je opvoeding voltooid is; maar je bescheidenheid en je eenvoudigheid kunnen de hooghartige Eugenie, ondanks al haar fijne beschaving en haar uiterlijke élégance best toonen wat haar ontbreekt en wie van u beiden een grootere innerlijke waarde bezit. Bij alle uiterlijke vormen mist Eugenie toch de ware beschaving: ik bedoel de beschaving des harten en deze, hoop ik, zal zij mettertijd bij ons erlangen. Het arme kind heeft tot hiertoe weinig gelegenheid gehad om zich hierin te oefenen. God geve dat het er nog niet te laat toe is en we aan het rijkbegaafde meisje kunnen schenken wat haar nu nog ontbreekt.”

Liefdevol drukte Tante mij aan haar hart, terwijl ik zwijgend en vol ootmoed mijn gloeiend gelaat aan haar borst verborg. O, ik was zoo onuitsprekelijk gelukkig over de woordenvan mijn lieve Tante! Wel had zij mij reeds dikwijls door een woord van tevredenheid of een blik getoond dat zij niet onvoldaan over mij was, en dat ik, ondanks mijn menigvuldige dwaasheden, toch haar liefde en vertrouwen bezat; maar zóóveel lof had ik nog niet uit haar mond vernomen. Ik zou er bijna trotsch en ijdel door hebben kunnen worden; doch Tante kende mij genoeg, om te weten dat haar woorden bij mij dat gevolg niet zouden hebben: want ik gevoelde wel, hoe zij mij door haar lof slechts eenige meerdere vastheid en zelfstandigheid tegenover Eugenie wilde schenken. Openhartig bekende ik haar deze gedachte.

„Je bent een kleine schalk, Margot,” zeide zij opgeruimd. „Zoo geheel en al heb je de zaak niet mis; ik zou inderdaad heel gaarne zien, dat je je heel stevig in den zadel zette, om er in den strijd met Eugenie niet te worden uitgelicht, hetgeen haar overmoedigheid zeer zou vermeerderen. Ik hoop echter, dat het wel gaan zal; gisteren ten minste liet Eugenie zich tegen mij eenige woorden ontvallen, die mij deden bemerken, dat je haar grillen moedig het hoofd hebt geboden. Daarmede heb je reeds een goed deel van het terrein veroverd, en dat deed mij een groot pleizier.”

Ik vertelde Tante nu in hoofdzaak 't gesprek, dat ik met Eugenie gehad had.

„Ja, ja, men moet met dat meisje op zijn tellen passen,” hernam zij; „want ziet men bij haar eens wat door de vingers, dan heeft men zijn spel verloren. Houd je dus maar dapper. Ook voor u zal er uit den omgang met haar veel goeds voortspruiten. Doch ga je nu kleeden; anders mocht Eugenie je ten laatste nogen profond négligéverrassen.”

Met behulp van Tante was ik spoedig aangekleed, en had het genoegen dat ze mij prees, daar ik nu alles wat tot het toilet behoort, netjes en ordelijk verrichtte.

„Herinner je je nog wel dien eersten morgen, Margot,” vroeg zij schertsend. „Weet je nog wel, hoe er geen eind was aan op- en aanmerkingen? Hoe je met bloote voeten het bed uitkwam en daar in je hemd op den grond ging zitten? Hoeje je eerst zonder water wou wasschen en daarna een geheelen zondvloed om je heen verwekte?”

„O, stil toch, Tante! Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten!” riep ik uit, terwijl ik mijn hand op haar mond hield. „Toen dacht ik niet dat ik ooit iets goeds zou kunnen doen; dat durf ik u thans eerlijk bekennen. Later heb ik echter de hoop opgevat dat er uit mij, domme boerendeern, nog een verstandig mensch kan worden.”

„Dat zal mettertijd wel gaan,” antwoordde Tante. „Ga nu echter eens kijken, of Eugenie nog niet klaar is; anders moeten we zonder haar ontbijten. Mijn maag heeft door 't lang slapen van mijn huisgenootjes toch al lang genoeg gevast.”

Ik snelde naarEugenie'skamer, om haar mee naar beneden te nemen. Doch hoe stond ik te kijken, toen ik de jonge dame nog in haar bed vond, juist op het punt om haar chocolaad te gebruiken, die Lizette haar gebracht had.

„Zoo, goeden morgen, madeliefje!” riep zij mij vroolijk te gemoet, en gebood haar kamenier, het ontbijt maar bij haar ledikant te zetten. „Wat heb je hier toch een bocht van chocolaad in huis! 't Heeft veel weg van gruttenbrij met wat suiker er in! Foei! is dat een kost! Mama moet mij terstond wat van onze vanillechocolade zenden, hoor je, Lizette? Schrijf het terstond op 't bestelbriefje. Maar, lieve Hemel! heilige Margareta! Reeds van top tot teen gekleed!” riep ze toen uit, terwijl ze mij van 't hoofd tot de voeten opnam. „Welke groote plannen heb je? Ga je straks op reis, dat je al zoo vroeg gekleed en gereed zijt?”

„O, neen; dat doe ik altijd, Eugenie,” antwoordde ik bedaard. „Tante ziet niet graag dat jonge meisjes in négligé loopen, zij noemt dit verwend en achteloos.”

„Nu, dan zal zij er zich bij mij maar aan moeten gewennen,” antwoordde Eugenie snibbig, en streek de fijne kanten lubben van haar nachtjak glad. „Ik ben geen burgermeisje, dat dadelijk van 't bed de straat op moet en laat mij in mijn dagelijksche gewoonten niet storen.”

„Gij moet het weten, nichtjelief,” antwoordde ik; terwijl ik de schouders ophaalde. „Ik heb 't mij nu eenmaal tot plichtgesteld alles te doen wat Tante gaarne heeft, en dat doe ik, ofschoon ik evengoed als jij thuis gewoon was den geheelen morgen in négligé te loopen. Nu vind ik 't juist heel pleizierig vroeg in de kleeren te zijn: men wint er vrij wat tijd mee uit.”

„Ba! Tijd! Wat heb ik aan tijd?” riep Eugenie spottend uit. „De tijd duurt mij toch al lang genoeg.”

„Nu, ik wou dat hij tweemaal zoolang duurde,” antwoordde ik. „Mij gaat de tijd altoos veel te gauw om.”

„Je bent een zottin, madeliefje,” riep Eugenie knorrig uit. „Maar wat doe je hier eigenlijk: kom je weer om me een sermoen te houden? 't Begint er ten minste wel weer zoo wat naar te gelijken.”

„Ik ben met dat onderwerp niet begonnen, Eugenie,” zeide ik kortaf. „Ik kwam je slechts aan 't ontbijt roepen. Daar je echter plan hebt om alleen te ontbijten, heb ik hier niets meer te doen.”

Dit zeggende ging ik naar de deur om heen te gaan. Een schaterend gelach deed mij onwillekeurig omkijken.

„Je bent een vinnig katje, madeliefje!” riep zij vroolijk uit. „Nu ga je op hooge beenen naar onze veelgeliefde en hoogvereerde Tante, en brengt haar in al zijn kleuren alles over, wat er tusschen ons is voorgevallen, en hoe ik den verheven toorn der heilige Margareta heb opgewekt. En dan gaat gij beiden, exempelen van deugd, over elkander zitten en weent heete tranen over het bonte schaap, dat in de witgewolde kudde geslopen is.”

„Praat toch zulk een onzin niet, Eugenie!” riep ik uit; terwijl ik mijns ondanks moest lachen. Daar Tante echter op mij wachtte, snelde ik de deur uit, en een pantoffeltje, dat het wonderlijke meisje mij nawierp, vloog mij tegen den rug aan.

Tante schudde het hoofd, toen ik haar van dit morgenbezoek verhaalde en wij gebruikten tamelijk stil en ernstig ons ontbijt. Doch we hadden nog niet gedaan, toen de deur openging en Eugenie's bloeiend gezichtje naar binnenkeek.

„Daar is zij toch!” riep ik met vroolijke verrassing. OokTante stond op, om der binnenkomende de hand te reiken. Eugenie echter stapte deftig naar ons toe en zeide zalvend: „Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen Naam, daar ben ik midden onder hen!”

Ik verschrikte over deze profanie, als had ik zelf de zonde begaan; Tante keek snel op, een donkere gloed kleurde haar gelaat en ze zag Eugenie met een blik aan, zooals ik nog nooit van haar gezien had.

„Onbezonnen kind!” zeide zij streng. „Laat mij nooit weer zoo iets uit je mond hooren! Lichtzinnigheid kan ik je vergeven; maar den spot te drijven met wat heilig is, dat duld ik niet. Ik hoop dat je inziet, hoe onverantwoordelijk je gehandeld hebt en 't je van harte spijt.”

Eugenie stond doodelijk verschrikt voor de toornige Tante en had haar stoutmoedigheid geheel en al verloren. Wel herstelde zij zich spoedig weder, doch de ernstige blik, dien Tante op haar wierp, deed elke tegenspraak op haar lippen verstommen, en zonder een woord te spreken, zetten wij ons ontbijt verder voort. Geen wonder dat Eugenie zich daarbij in 't geheel niet op haar gemak gevoelde; ze stond dan ook heel gauw op en liep in de kamer op en neer. Eindelijk deed ze de piano open en liet haar vinger over de toetsen glijden, wel los en onsamenhangend, maar toch zoo kunstvaardig, dat ik verbaasd naar haar luisterde.

„Speel ons eens iets voor, lieve,” zeide Tante Betsy vriendelijk; en hartelijk verblijd, dat ze door deze welwillende toespraak uit den neteligen toestand bevrijd werd, waarin zij zich bevond, ging Eugenie voor de piano zitten en liet haar vingers snel over de toetsen gaan. Het was inderdaad een genot haar te hooren spelen; want aanslag, vlugheid en voordracht, alles was zoo prachtig, als ik 't maar zelden gehoord had. Hierop begon zij te zingen en de heldere, zuivere sopraanstem en 't onmiskenbare gevoel waarmede zij zong, verrukten mij nog meer. Ook Tantes ernstig gelaat klaarde hoe langer hoe meer op; de muziek is de beste bemiddelaarster, troosteres en helpster in zoo menige treurige omstandigheid des levens en ook hier verdreef zij den onaangenamen toestand, waarinde dwaasheid van Eugenie ons gebracht had; want toen zij van de piano opstond, reikte Tante haar vriendelijk de hand en prees haar muzikaal talent.

„Gij moet mijn leermeesters prijzen, niet mij, Tante!” antwoordde Eugenie, die zich achteloos op de sofa geworpen had. „Ze hebben er mij genoeg mee geplaagd, meer dan die beuzeling waard is.”

„Nu, dan moogt ge er hun wel dankbaar voor zijn,” hernam Tante. „Want door de moeite, die zij zich gegeven hebben, zijt ge in 't bezit van een schoon talent gekomen.”

Deze vermaning beantwoordde Eugenie op haar gewone beminnelijke manier: ze geeuwde—en Tante ging met een lichten zucht de kamer uit.

Eenigen tijd later kwam ik met het notitieboekje van de meid uit de keuken terug en droeg voorzichtig een menigte klein geld dat ik ingewisseld had, op den omslag van 't boek. Neuriënd ging Eugenie mij voorbij, en eer ik er op verdacht was, gaf zij een tik tegen den onderkant van het boekje, zoodat het in de hoogte vloog en al de kwartjes, dubbeltjes en centen door de kamer stoven. Als een dol kind lachte zij over haar moedwilligen streek; terwijl ik mij verschrikt op de knieën liet vallen om 't verspreide geld weer op te rapen.

Juist kwam Tante, die alles uit haar kabinetje gezien had, de kamer binnen.

„Sta op, Margot,” zeide zij ernstig. „En jij, Eugenie! zoek het geld weer bij elkaar.”

Deze wierp het hoofd trotsch in den nek, ging naar de deur en riep: „Lizette!”

De kamenier kwam.

„Raap dat geld eens op, Lizette!” beval zij, en deze knielde reeds neder om het bevel harer meesteres te gehoorzamen, toen Tante haar gebood:

„Sta op, Lizette, en ga heen.”

Toen nu de kamenier 't vertrek verlaten had, gelastte zij Eugenie kalm maar heel ernstig, dat zij den trotschen rugzou buigen en zelf verbeteren, wat ze in haar dwaasheid misdreven had.

Eugenie wist niet of ze haar ooren zou vertrouwen; maar de kalme ernst van Tante imponeerde haar toch: zonder verdere tegenspraak begon ze het moeilijke werk en kroop steunend en brommend over den grond; nauwelijks echter had zij een handvol klein geld opgeraapt, of ze wierp het knorrig weer over haar hoofd heen en zoo zou ze wel nooit gedaan hebben gekregen, als ik mij niet eindelijk over haar erbarmd en haar geholpen had.

„O, mijn voeten! mijn lendenen!” riep zij uit, toen we klaar waren. „Ik ben als geradbraakt! 't Zal mijn dood zijn!”

Ik liet haar stil klagen en ging aan mijn huiselijken arbeid. Maar toen ik weer in de kamer kwam vond ik haar niet meer, en omdat ik meende dat ze zich aan 't kleeden was, ging ik naar haar kamer om te zien of ik haar ook helpen kon. Hoe schrikte ik echter toen ik haar te bed vond liggen. Toen ze mij zag, overlaadde zij mij met scheldwoorden en klachten: ze werd hier als een galeiboef behandeld, 't zou echter haar dood zijn, want ze gevoelde zich zoo ziek en zoo akelig!

Verschrikt snelde ik naar Tante Betsy, om haar den toestand van Eugenie mede te deelen; deze begon echter over mijn bezorgdheid te lachen en zeide bedaard:

„Laat haar maar stil liggen, Margot. Eugenie zal wel weer van zelf beter worden. Maar niet naar haar toegaan, hoor! We moeten haar aan zichzelve overlaten.”

Niet lang daarna kwam Marie om de nieuwaangekomene te begroeten. Daar Eugenie nog maar niet voor den dag kwam, hadden we tijd in overvloed om over haar te babbelen.

Juist wilde Marie vertrekken, toen 't onderwerp van ons gesprek eensklaps in de deur der kamer verscheen. Zij was keurig gekleed en trotsch en voornaam in manieren en houding. Ik stelde haar mijne vriendin voor, zij ging echter op haar doode gemak op de sofa zitten, verwaardigde Marie slechts met een genadig knikje en scheen verder geen acht op haar te slaan. Kort daarop verwijderde Marie zich, zeer gekrenkt over de behandeling van Eugenie; ik poogde onze logée bijhaar te verontschuldigen; doch mijn verzekering, dat zij buitengemeen beminnelijk kon zijn, vond bij mijn beleedigde vriendin geen gehoor.

Ik zette mij stil aan den arbeid, terwijl mijn nicht weer zoo lui als ze maar kon op de sofa zat. Eensklaps stoorde haar schaterende lach mij in mijn bezigheid: ik keek verwonderd op. „Is ze altijd zoo blauw en blond?” vroeg zij vroolijk.

„Wie meen je?”

„Wel uw Castor, mijn Pollux.”

„Ja, zij is evengoed altijd blond als ik zwart ben. Doch blauw draagt ze veel; ik zie 't haar graag aanhebben. En hoe bevalt zij u, Eugenie?”

„Mij? O, heel goed! Er ontbreekt maar een doodshoofd en een Bijbel aan, en de boetende Magdalena is klaar.”

Ik was boos. Mijne Marie, mijn afgodisch beminde, lieve vriendin zoo te hoonen! 't Was afschuwelijk! Ik wilde juist eenige niet zeer vriendelijke woorden tot antwoord geven, toen ik mij eensklaps door Eugenie's armen omklemd voelde en haar schelmsch gezicht mij in de reeds vochtige oogen blikte.

„Heel goed! Het onweer zal dadelijk losbreken!” riep zij uit en kuste mij. „Slinger uw bliksems maar naar mijn berouwvol hoofd, machtige Zeus! Ik verdien niet beter.”

Nu moest ik weer lachen, waar ik boos wilde zijn; 't was met dat meisje niet uit te houden.

„Wat doe je daar eigenlijk?” vroeg Eugenie, en nam mij 't werk uit de handen.

„Iets heel prozaïsch en huiselijks, zooals je ziet,” antwoordde ik. „Ik maas kousen.”

„Maas je die? Om 's Hemels wil! waarom doe je dat? Dat doet immers geen fatsoenlijk menschenkind zelf!”

„Waarom niet? ik wist niet dat er iets onfatsoenlijks in zulk een arbeid stak,” antwoordde ik. „Tante zegt altijd: de beste weg, om zich van anderen onafhankelijk te maken is, te zorgen dat men hen zoo weinig mogelijk noodig heeft. Het is een van ouds beproefde weg.”

„Dat is zoo'n dwaze redeneering niet. Maak je nog meer zelf? Bijvoorbeeld: je kleederen en ondergoed?”

„Het linnen en ander fijn waschgoed, natuurlijk. En Tante heeft mij beloofd, dat ze mij ook 't knippen zal laten leeren, opdat ik later de kleeren voor mama en de zusjes kan maken; want dat is op 't land dubbel aangenaam.”

„En hoe vindt je den tijd tot al dat werk?” vroeg Eugenie. „Ik zou er geen kans toe zien om zooveel te doen, al had de dag ook duizend uren.”

„Nu zie je eens, waartoe het goed is, dat men 's morgens bijtijds opstaat en zich terstond aankleedt. Men kan echter geen halve dagen op de sofa liggen, wanneer men ten minste klaar wil komen.”

„Je bent toch een heks!” riep Eugenie uit, en speelde kietebal met mijn opgerolde kousen.

„Apropos, hoe gaat het met je, Eugenie?” vroeg ik nu deelnemend. „Ben je weer geheel beter?”

„Dat moet je wel ten eenenmale onverschillig zijn, want je hebt er tot nu toe niet naar gevraagd,” zeide zij scherp. „Ik kon wel dood en begraven zijn, eer iemand zich om mij bekommerde.”

Ik had recht schik in dat antwoord en zag wel in, dat het beste middel om haar te genezen was, geen notitie van haar kwalen te nemen, zooals Tante mij geraden had. Wie weet hoe lang ze anders nog kermend en steunend te bed ware gebleven!

Dien namiddag maakte Tante eenige bezoeken met ons, om haar tweede pleegkind aan haar vrienden voor te stellen. Ach! welk een onderscheid was er in Eugenie's verschijning bij haar eerste bezoek, in vergelijking van het mijne, zooals dat vroeger geweest was! Onwillekeurig vergeleek ik mij, onhandig, houterig meisje, met den blos der verlegenheid en schaamte van angst en onbeholpenheid op de wangen, bij die beschaafde, bevallige, élégante Eugenie. Hoe allerliefst kon ze zijn als zij slechts wilde! En tegenover vreemden was zij altijd allerinnemendst; vandaar dat ze ook spoedig aller harten won, en niemand vermoedde hoeveel verdrietige oogenblikken dat nukkige kind ons in huis kon bezorgen. Ook Marie werd eenigermate met Eugenie verzoend; wijl dien namiddag de booze buigeheel en al overgedreven scheen te zijn, en ze weer zoo vriendelijk en spraakzaam was als altijd. Geen grooter pret had ik, dan bij een bezoek ten huize van Mevrouw Bredius. Amanda zweefde weer op haar gewone geaffecteerde manier door de kamer en zette zich in haar leunstoel, terwijl zij nu eens haar flacon, dan haar waaier of haar zakdoek gebruikte; van mij nam zij natuurlijk in 't geheel geen notitie, maar ook Eugenie behandelde zij zoodanig uit de hoogte, dat het mij bang om 't hart werd.

Tot mijn verbazing scheen dit gedrag Eugenie in 't geheel niet te hinderen. Ze keek Amanda een poos heel kalm en uitvorschend aan en ik zag haar lippen van louter ondeugendheid en moedwil trillen. Zachtkens liet zij zich ook in haar leunstoel neder, nog veel gemakkelijker dan Amanda, trok snel een voetenbankje naar zich toe, dat de andere juist naar zich wilde toehalen, bracht eveneens haar flacon en zakdoek in beweging, en sprak nog matter en geaffecteerder dan haar tegenpartij. En dat alles was zoo weinig gemaakt en scheen zoo geheel natuurlijk, dat ik met verbazing de anders zoo ongedwongen Eugenie beschouwde.

Amanda begreep blijkbaar niet wat dat moest beteekenen; onwillekeurig verhief zij zich wat uit haar gemakkelijke ligging, poogde een gesprek aan te knoopen en was minder gemaakt. Eugenie echter liet zich niet storen, gaf wel is waar antwoord, maar altijd op de aanwijzende manier van Amanda, ja, zij richtte het woord veel meer tot mij dan tot de élégante dochter des huizes. Toen echter Mevrouw Bredius zelf een gesprek met haar aanknoopte, gedroeg zij zich zoo beminnelijk als haar gewoonte was. En Eugenie hield deze houding bij al haar bezoeken vol, totdat Amanda haar gemaaktheid in haar bijzijn liet varen en toen nam ook Eugenie haar natuurlijken toon weder aan; zoodat die beide zonderlinge meisjes langzamerhand recht goed met elkander overweg konden.

1)Marguérite is Margareta en madeliefje.

1)Marguérite is Margareta en madeliefje.

Nog wat over de nieuwe huisgenoot.

Den volgenden morgen begaf ik mij tijdig naar Eugenie's slaapkamer om te hooren hoe 't met haar ging, en thans ontving ze mij weer even ondeugend als gewoonlijk, maar toch hartelijk en vriendelijk.

„Wou je mijn morgentoilet eens bijwonen, Madeliefje?” vroeg ze. „Nu, dan mag je ook een schoon hemd over mijn blanke schoudertjes gooien, en niemand zal je die hooge gunst betwisten. Want ik zou er voor bedanken, om evenals Lodewijk XIV een halfuur in mijn natuurkostuum te blijven zitten. Je kent immers die mooie geschiedenis van Frankrijks grooten koning wel, wien juist een zijner hovelingen 't hemd over 't hoofd zou werpen, toen er een voornamere binnenkwam, die meer aanspraak op deze eer had, en toen weer een voornamere; zoodat de koning maar niet geholpen kon worden.”

„Die kwam er dan misschien nog met een verkoudheid af,” antwoordde ik. „Erger was 't met Philips den derde van Spanje, op wiens haard de vuuraanlegger van 't hof zulk een vreeselijke menigte hout had gestapeld, dat de vorst bijna door de hitte stikte. 's Konings majesteit verbood hem van zijn stoel op te staan, en de bedienden durfden niet in 't vertrek komen, omdat de etiquette dit niet veroorloofde. Juist kwam de markies de Polat, en de koning beval hem 't vuur te verminderen doch de markies verontschuldigde zich, omdat deetiquette dit werk aan den hertog De Useda opdroeg. Nu was die juist niet thuis, en daardoor bleef de koning een geruimen tijd bij 't blakerende vuur zitten, wat hem zoo ziek maakte, dat hij een paar dagen later aan hevige koortsen stierf.”

„Wel, aardig Madeliefje” riep Eugenie uit. „Wie zou zulk een talent van vertellen bij zoo'n nederig veldbloempje gezocht hebben!”

Intusschen bekeek ik 't schoone borduursel van Eugenie's lijfgoed.

„Wat is dat alles prachtig!” riep ik bewonderend uit.

„Vindt ge 't zoo mooi?” vroeg Eugenie verbaasd. „Zoek er maar voor u uit, wat je wilt; mij is 't hetzelfde.”

„Maar dat heeft alles zooveel geld gekost, Eugenie. Hoe kun je daar onverschillig voor zijn?”

„Ba! Geld!” riep zij uit, terwijl ze de schouders ophaalde.

„Wat kan mij geld schelen! Dat is maar een bijzaak, zegt Mama, en Papa heeft geld genoeg.”

„Maar je kondt het toch beter gebruiken, dan 't zoo weg te gooien, nichtjelief! Hoeveel vreugde kon je anderen verschaffen met een klein gedeelte van 't geen je zoo maar verkwist!”

„Beter gebruiken? Wat meen je daarmee, kind?”

„Wel, je kondt er anderen gelukkig mee maken, die minder hebben.”

„Anderen? Wel, ik geef aan Lizette alles, wat ze maar hebben wil, en die mij om een aalmoes vraagt, krijgt ook altijd wat van mij.”

„Laten wij daar nu maar over zwijgen, Eugenie. Je begrijpt toch niet wat ik bedoel,” zeide ik. „Sta liever op; want ik heb geen tijd om lang te wachten.”

Eugenie riep Lizette aan haar ledikant en stak haar den eenen voet na den anderen toe, waaraan de kamenier eerst de fijne kousen en toen de blauwe zijden pantoffeltjes deed. Toen maakte deze al de banden en knoopen van 't nachtgewaad der jonge dame los, die dat alles toeliet zonder een vinger uit te steken. Ik keek die kleedpartij vol verbazingaan, maar zeide geen enkel woord: doch toen zij klaar was en Lizette haar de fijne morgenjapon had aangedaan, die van boven tot onder met witte zijde gevoerd was, verzocht ik haar glimlachend of ze nu ook eens mijn morgentoilet kwam bijwonen, om revanche te nemen. Dit vond ze erg aardig en beloofde het. Natuurlijk dacht ik niet dat ze het doen zou; denkt eens hoe ik stond te kijken, toen ik haar reeds den volgenden morgen bij mijn ontwaken aan mijn bed zag staan.

„Nu, je bent me een luilak!” riep ze zegepralend uit; terwijl ik haar in stomme verbazing aanstaarde. „Neem liever eens een voorbeeld aan Eugenie, dat brave meisje! die heeft al drie uren lang kousen zitten stoppen!”

Werkelijk zag ik een heelen berg kousen bij haar liggen: een had ze over den arm gestroopt en werkte er met een stopnaald en draad dapper in op en neer. Ik merkte echter spoedig dat het alles maar gekheid was; ik deed echter als had ik er geen erg in en keek haar verbaasd aan. Ze begon luidkeels te lachen en ik accompagneerde haar; terwijl ik geen woorden scheen te kunnen vinden om haar heldenmoed te bewonderen. Eindelijk wierp zij den geheelen hoop kousen ter zijde en strekte zich gemakkelijk op een leunstoel uit.

„Nu snel uit de veeren!” riep ik uit, trok mijn kousen aan en begon spoedig aan mijn toilet.

„Doe je dat alles zelf, Madeliefje?” vroeg Eugenie met verbazing, toen ze zag hoe snel ik banden en haken los- en vastdeed.

„Natuurlijk. Dat kan niemand mij gauw en goed genoeg doen,” antwoordde ik. „Ik zou 't niet kunnen velen dat er zoo'n kamenier aan mijn lijf zat en dat ik zou moeten wachten tot het haar gelegen kwam mij te bedienen. Help u zelf! 't Is zoo aangenaam, als men zichzelf kan helpen en van niemand behoeft af te hangen.”

„Ja, die Lizette is een vreeselijke domoor,” zei Eugenie peinzend. „Je weet niet hoe ze me soms zeer doet door haar onhandigheid, en juist als ik haar noodig heb, kan ze niet komen. Je bent er inderdaad beter aan toe dan ik. Ik ben er jaloersch om.”

„Probeer het maar eens om je zelf te helpen, lieve Eugenie,” hernam ik, terwijl ik den kam door mijn dik haar liet gaan. „Dan ben je van alle ergernis verlost.”

„Ach! Ik kan dat niet doen! Mama zegt, dat het niet past zichzelf te bedienen.”

„Hoor eens, weet je wat, Eugenie? Ik wil je helpen tot je 't kunt.”

„Nu, zooals je wilt. 't Zal je echter niet bevallen. Je zult zeker wegloopen eer ik klaar ben; want natuurlijk zou ik je zoolang plagen, tot het daartoe kwam,” antwoordde Eugenie op haar gewonen luchtigen toon.

„Nu, dat wil ik er op wagen! Morgen vroeg kom ik, hoor!”

„Neen, neen, volstrekt niet. 't Is veel te ongemakkelijk voor je, en daarenboven ben je me toch al veel te wijs!” riep zij uit en wierp zich weer onachtzaam in den leunstoel. Ik liet haar echter stil begaan; want het zou heel onverstandig zijn geweest, er op aan te dringen. Maar zie, den volgenden morgen, toen Tante en ik de kamer binnentraden, zat Eugenie reeds aan de ontbijttafel, en op onze uitroepen van verbazing, zeide zij:

„Het verveelt me doodelijk, daarboven alleen chocolaad te drinken; ik wil met u gezamenlijk ontbijten. En laat Madeliefje haar diensten maar aan anderen presenteeren—ik heb ze niet noodig. Ik heb me van daag geheel alleen gekleed; en ziet maar, of niet alles in orde is?”

Natuurlijk overlaadden we haar met loftuigingen; maar die kon ze niet dulden, en met een komiek gezicht hield ze beide handen aan haar ooren.

Zulke kleine tooneelen herhaalden zich bijna dagelijks, en hoe boos we ook dikwijls op het verwende meisje werden, even spoedig verzoende haar hartelijkheid ons weer met haar. Er zat een uitmuntend hart in dat wonderlijke schepsel, en als we ons geduld maar niet verloren, was er in haar nog veel goeds op te wekken. Tante Betsy was er juist de rechte persoon toe; dat gevoelde de lichtzinnige Eugenie zeer goed, en ze had haar dan ook op haar manier spoedig even lief, als ik op de mijne. Ook ik deelde weldra in haar volle genegenheid,en, ondanks alles wat ze me van tijd tot tijd aandeed, hield ik toch veel van haar.

We hadden echter nog vrij wat te boven te komen, eer zij verstandiger werd; ik vooral was steeds het mikpunt voor haar ondeugende streken; en toch wist ze altijd alles weer goed te maken, als zij mij gekrenkt of geërgerd had.

Op zekeren dag ging ik naar mijn werktafeltje aan 't venster en bracht de slingerplanten, die daar voorstonden, een weinig in orde. Ik wilde, zooals ik altijd deed, het portret van mijn lieve Marie een groet brengen en lichtte de bladeren van den klimop een weinig op, om het beter te zien. Maar hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte hoe een boosaardige hand het bedorven had! Een dikke, zwarte knevel ontsierde de lippen van het aanvallig gezichtje der frissche blondine! 't Was afschuwelijk, schandelijk, en toch moest ik lachen over 't malle gezicht. Dat Eugenie mij die poets gebakken had, was buiten twijfel, want ze had al zoo dikwijls met dat portret den spot gedreven. Ik vond het zoo lief; maar zij zeide altijd, dat het er juist uitzag als 't beeld van een jonkvrouw uit den riddertijd op den pijpekop van een ambachtsman.

Ik nam het portret stil van den muur en legde het in de kast. Er Eugenie over beknorren—dat kon ik niet; daartoe had ze me te pijnlijk getroffen; maar mijn roodgeweende oogen en de ledige plaats boven mijn werktafeltje zeiden haar genoeg, hoe 't mij aan 't hart ging. Ik vernam weldra dat Tante haar over deze plagerij ernstig onderhouden had, en dit was mij genoeg.

Doch hoezeer stond ik op zekeren morgen verwonderd, toen ik de ledige plaats door een nieuw portret zag ingenomen, en wel een portret van mijn lieve Marie, keurig in waterverf geschilderd en veel schooner dan het bedorvene. De frissche kleuren en de bevallige trekken waren zoo getrouw wedergegeven, dat ik in mijn verrukking het lieve beeld aan de lippen drukte en buiten mijzelf was van vreugde. Wie had dat gedaan? Eugenie.... maar dit was 't werk van een kunstenaar.... en al kon ze 't zoo—wanneer zou ze dat gedaan hebben? En toch—'t was juist zoo iets voor haar.Maar bekennen zou ze 't niet; mij wel voor den mal houden als ik er haar naar vroeg.

Daar kwam juist het origineel van mijn vreugde, mijne goede, lieve Marie. Juichend snelde ik haar te gemoet en vroeg haar, wie het portret gemaakt had.

„Wel, wie anders dan Eugenie? Hoe kun je daar nog een enkel oogenblik aan twijfelen?” antwoordde zij. „Ze is eenige keeren in 't geheim bij mij geweest om het te schilderen. Dat oude portret is een monster, zeide zij, en ik heb het nog leelijker gemaakt dan 't al was; anders zou ze het toch nooit van den muur genomen hebben en ik had er mij aan blijven ergeren.”

Dus was het toch Eugenie, die dat schoone portret had gemaakt. Ik durfde er haar niet voor bedanken; want dan zou zij in staat zijn geweest, het lieve gezichtje nogmaals een zwarten knevel te geven. Ik herinnerde mij nu dat zij eenige voormiddagen alleen was uitgegaan om, zooals zij zeide, boodschappen te doen. Welk een talent bezat dat meisje! Muziek, schilderkunst, alles verstond ze voortreffelijk; doch niemand mocht daarover spreken of haar daarom prijzen—al wat ze wist, al wat ze kende, kwam op rekening van haar meesters, aan haar eigen talenten hechtte ze hoegenaamd geen waarde.

Niets haalde mij meer plagerijen van Eugenie op den hals, dan mijn eenvoudige, landelijke garderobe, die, ik moet het bekennen, geducht bij haar weelderig en élégant toilet afstak. Mama's spreuk was altijd: „Net en zindelijk!” en natuurlijk drong de nieuwste mode tamelijk laat in ons verwijderd dorp door, waardoor ik er zeker wel wat erg antiek moet hebben uitgezien, toen ik bij Tante kwam. Deze echter had reeds vrij wat veranderingen in mijn toilet aangebracht, zoodat ik verwonderlijk nieuwmodisch en prachtig gekleed meende te zijn, toen de élégante Eugenie kwam en mij met haar garderobe geheel in de schaduw plaatste. Niet, dat ik daar jaloersch over was; ik vond dat ieders kleeding voor elk van ons het best paste. Ik ten minste zou in Eugenie's kleeren nog veel stijver en houteriger zijn geweest, uit vrees dat er iets aan zou komen.

Er was vooral één japon, die maar geen genade kon vinden in Eugenie's oogen, en die 't voorwerp van hare onophoudelijke plagerijen was. Doch, was 't patroon ook misschien wel wat bont, de stof was fijn en duur, en daarom bleef ik het kleedje trouw dragen.

„Die japon riekt naar boter en kaas!” zei Eugenie, als zij mij er mee zag. „Ga er toch in 's Hemels naam niet mee buiten de stad wandelen; want je zult last van de koeien hebben, die 't patroon voor een bebloemde wei zullen houden en op je afkomen, om op je te grazen.” Of dan was 't weer: „Wel, grootmoedertje! Hoe oud is dat japonnetje wel? Ben je er in der tijd in getrouwd?”—Of: „Heet je vrijer Kees of Teunis, en is dat je bruidsjapon, als je met hem naar 't Raadhuis gaat om te trouwen?”—Doch ik stoorde mij niet aan al die praatjes en bleef de versmade japon dragen.

Op zekeren dag echter kon ik mijn kleedje nergens vinden; ik doorzocht alle kasten, doch te vergeefs. Juist kwam Eugenie aan.

„Zoek je soms naar de japon van je grootmoeder, Madeliefje?” vroeg ze mij. „Doe daar maar geen moeite meer voor, want die heeft Kaatje de krantenvrouw aan. De arme ziel vroeg mij om een warm kleedingstuk voor de kou en, zooals je wel weet, helpen mijn kleeren daar al bitter weinig voor. Maar je boter- en kaasjapon is zoo lekker warm en zoo mollig; die zou der arme vrouw goed doen, dacht ik, en daarom gaf ik ze haar. Je bent er immers niet boos om?”

En zonder een antwoord af te wachten huppelde zij neuriënd weg, en ik stond te kijken alsof ik het te Keulen had hooren donderen, en wist niet of het scherts of ernst was. Als 't Eugenie niet geweest was, dan had ik het voor een grapje gehouden; maar zij was er toe in staat om zoo iets te doen, en waar anders zou mijn japon ook gebleven zijn? Dat was me toch wat al te erg, zoo'n fijne, goede japon aan eene arme vrouw te geven, die het zeker met een goedkooper stof best had kunnen stellen en daarmee ongetwijfeld veel beter gediend zou zijn geweest! En dan—zoo maar willekeurig over 't eigendom van anderen te beschikken! Verdrietig gingik naar mijn slaapkamer om mij aan te kleeden, daar ik wilde uitgaan: daarna zou ik er Tante over spreken. Maar wat zag ik? Daar lag op mijn bed een japon van een prachtige wollen stof en zoo fraai van kleur, dat ik van verbazing als aan den grond stond genageld.

„Ik hoop maar, dat ze je past, Madeliefje,” riep Eugenie, die haar hoofd door de deur stak. „De naaister zei, dat ze je maat wel kende.”

„Is die japon dan voor mij?” vroeg ik verwonderd, en hield het prachtige kleedingstuk in de hoogte, dat met fluweel en kant rijk gegarneerd was.

„Mama had die stof tot een winterjapon voor mij bestemd,” antwoordde Eugenie, terwijl ze de schouders ophaalde, „maar de kleur beviel mij niet. Daar zij echter in alle gevallen mooier is dan die van je boter- en kaasjapon, heb ik er een japon voor u van laten maken en gaf ik je bruidskleed weg, alleen opdat ik er mij niet aan dood zou ergeren. Je behoeft er mij niet voor te bedanken; want ik kon de kleur niet uitstaan. Ik vind die zoo machtig eentonig en vervelend.”

Zoo wist dat wonderlijke meisje de zaken altijd te keeren en te wenden, dat men niet boos op haar kon worden en haar evenmin kon bedanken. Zij had haar eigen wil, dat was de hoofdzaak, en daarvoor moest alles zwichten. Nog nooit in mijn leven had ik zulk een mooie japon gehad, en verheugd snelde ik er mee naar Tante. Deze wenschte mij glimlachend geluk en zeide, dat zij 't er nu maar bij zou laten, want zij had Eugenie reeds braaf de les gelezen, omdat haar handelwijs, hoe men die ook beschouwde, toch onrechtvaardig was. Intusschen oordeelde zij dat ik geen slechten ruil gedaan had. Dat meende ik ook: met genoegen bekeek ik mijzelf in Tantes grooten spiegel en vond, dat ik er wat goed mee uitzag.

Ten gevolge van die japonnenhistorie deed ik Eugenie een vraag, die mij al lang op de lippen gelegen had. Ik wenschte namelijk mijn rijke nicht met mijn armen bekend te maken, die ik wekelijks bezocht.

„Hou je er van,” vroeg ik haar, „om aan de armen wel te doen?”

„Doe toch niet zulke onnoozele vragen, Madeliefje,” antwoordde Eugenie. „De armen zijn zulke onverdragelijke menschen, dat ik ze niet kan uitstaan. Als ze me dus in den weg komen, geef ik hun maar gauw wat; dan ben ik van hen af.”

„Maar dat is niet zooals 't behoort, Eugenie,” hernam ik. „Bedenk toch eens, hoe ongelukkig die armen er aan toe zijn, wien zelfs de noodzakelijkste levensbehoeften ontbreken. Als wij.... Maar wat doe je toch, wat moet dat beteekenen?” vroeg ik, toen ik zag dat zij een soort van troon van stoelen bouwde en met een zwart zijden boezelaar naar mij toekwam, dat zij mij om den hals wilde binden.

„Als 't u belieft, dominee; de preekstoel is al klaar. Zet uw preek daar verder voort.” En met een plechtige buiging en een heel vroom gezicht zette zij zich op een stoel tegenover den geïmproviseerden preekstoel neer. Natuurlijk zweeg ik, en dat was juist wat zij wilde.

„Je bent zoo wijs als je lief bent!” zeide zij.

Dat was altijd haar gezegde, wanneer ik bij haar loszinnig gesnap mijn ernstiger grondbeginselen niet kon onderdrukken, en daarmede werd ik gewoonlijk afgescheept.

Evenzeer als Eugenie niets van mijn preek over de armoede wilde hooren, even doof was zij tot hiertoe voor mijn verzoek gebleven, om mij naar eenige arme huisgezinnen te vergezellen, aan wie ik gewoon was elke week wat te brengen: nu eens geld, dan kleeren, dan wat eten, al naar wat ze 't meest behoefden. Ik kon er haar maar niet toe bewegen. „Het stinkt zoo bij dat volk,” zeide zij. „'t Gaat me in de kleeren zitten en dat krijg je er niet meer uit.” Natuurlijk drong ik er niet verder bij haar op aan; doch toen ik op zekeren dag van een dier bezoeken terugkeerde, kon ik het niet laten om te vertellen, hoezeer de nood en de ellende van een huisgezin mij getroffen hadden, waarvan de moeder ziek was, de vader op 't werk en de kinderen dus aan zichzelf waren overgelaten.

Eugenie scheen ter nauwernood naar mijn verhaal te luisteren. Hoe verrast was ik echter, toen ik eenige dagen laterweer bij dat arme gezin kwam en vernam, dat er een jonge dame geweest was, die veel geld en andere dingen gegeven, ja, met het jongste kind een langen tijd op haar schoot gezeten en 't eindelijk een gouden ketting om 't halsje gedaan had, omdat zij het zoo'n lief knaapje vond. De ketting was die van Eugenie en uit de beschrijving die men mij gaf, herkende ik haar. Maar ik durfde haar niet te zeggen dat ik van haar bezoek afwist; reeds bij een geringe toespeling fronste zij de wenkbrauwen, ik sprak er haar dus niet meer over en verhaalde het, toen we alleen waren, aan Tante, wie bij mijn vertelling de tranen in de oogen kwamen. „Een wonderlijk en toch zoo beminnelijk kind!” zeide zij, en ze kreeg haar tweede pleegdochter gaandeweg hoe langer hoe liever, die dan ook van dag tot dag nieuwe voortreffelijke eigenschappen deed blijken.

En het bezoek bij dat arme huisgezin bleef niet het eenige van dien aard dat Eugenie aflegde. Langzamerhand konden zich een groot aantal arme lieden in haar gunst verheugen; maar we mochten niet vragen door wie zij die arme menschen had leeren kennen, en evenmin kon ze het dulden, dat ze in haar weldoen werd opgemerkt of nagegaan. Niet zonder reden vreesden Tante Betsy en ik, dat het meisje in haar onervarenheid en goedhartigheid menige dwaasheid zou begaan bij 't bedeelen harer armen, en dit vermoeden werd ook spoedig bevestigd, doordien wij verscheidene harer kostbaarheden misten. Maar daar was niets aan te doen, indien we ten minste niet wilden, dat haar pas ontwaakt gevoel om wèl te doen eensklaps zou worden uitgebluscht. Op zekeren dag echter gaf zij zelf aanleiding om over hare handelwijze een woordje te spreken.

„Ik begrijp maar niet, Madeliefje, hoe jij aan al dat geld komt, om je armen te verzorgen,” zeide zij, toen ze in diep gepeins van een harer weldadigheidsbezoeken thuiskwam. „Ik ben door al mijn geven nu zelf zoo kaal als een kerkmuis; maar al had ik ook nog tienmaal meer, dan zou het nog niet toereikend zijn om in de behoeften van die menschen te voorzien.”

„Ik geloof dat je de behoeften der armen uit een verkeerd oogpunt beschouwt, lieve Eugenie,” zeide Tante, die daarbij tegenwoordig was. „Van al hetgeen ons tot ons dagelijksch leven volstrekt noodig toeschijnt, behoeven zij slechts een gering gedeelte. Wij zijn meer verwend dan wij wel weten, en waren we in zulke eenvoudige huisgezinnen opgegroeid, dan hadden we het honderdste deel niet noodig van alles, wat we thans voor noodwendig houden. Daarom kunnen we ook met kleine giften in arme huisgezinnen veel goed doen; want de behoeften zijn er gemakkelijk te bevredigen.”

„Maar, Tante, dat ben ik volstrekt niet met u eens,” hervatte Eugenie levendig. „Ik geef en blijf geven, tot ik zelf niets meer over heb; doch 't is als een druppel op een gloeienden steen; altijd hebben die menschen nog iets noodig. Zoo kom ik bijvoorbeeld een dag of wat geleden bij den metselaarsknecht De Groot. Ik vond het gezin juist aan 't middagmaal. Daar zaten ze nu om de tafel en aten allen uit een en denzelfden schotel. O, dat vond ik verschrikkelijk! En dan de vorken waarmee zij aten! Oude, zwarte, halfgebroken, ijzeren dingen! Ik vroeg hun waarom ze de tafel niet dekten en waarom niet ieder van zijn eigen bord at; de arme menschen keken mij verlegen aan: begrijp eens, ze hadden geen enkel tafellaken, geen servet en maar twee borden in 't geheel; en dat waren er nog borden naar! Terstond ben ik met Lizette naar een paar winkels gegaan en heb hun borden en schotels, drie tafellakens met servetten en een half dozijn goede vorken gekocht, en die heb ik hun gezonden. En zoo gaat het mij bijna overal; de arme zielen hebben dikwerf gebrek aan 't allernoodigste, en hoe weinig kan ik daarin te gemoet komen! Bij den armen sjouwerman Bronsveld vond ik onlangs de vrouw te bed liggen; maar in plaats dat het arme mensch een nachtjak aan had, had ze een ouden, verkleurden doek om den hals; nachtgoed bezat ze in 't geheel niet. In plaats van een matras had ze een bos stroo en hare kinderen lagen alle drie in 't zelfde bed. Ik heb er terstond matrassen en beddegoed bezorgd en wat nachtgoed. Maar zulke uitgaven hebben mij geheel geplunderd. En nu weet ik zelf geen raad.”

„Lief, goed kind,” zeide Tante Betsy, terwijl ze Eugenie's wangen streelde. „Veroorloof mij, dat ik je in je verlegenheid te hulp kom. Al wat je mij daar vertelt, pleit voor je goed hart; maar ik mag 't je niet verhelen, dat je op een verkeerden weg bent. Wat ik je vooraf reeds zeide, vind ik inderdaad bevestigd; je houdt dingen voor noodig, die de geringe man niet als nooddruft beschouwt. Ik ben er vast van overtuigd, dat de vrouw van Bronsveld het fijne nachtgoed naar den lombard brengt en voor 't geld, dat zij daarvoor krijgt, noodiger zaken koopt, en dat je tafellakens, servetten en mooie vorken bij De Groot òf in de kast liggen òf denzelfden weg zijn opgegaan.”

„Maar, Tante! Waarom? Bedenk toch hoezeer die arme lieden er behoefte aan hadden, en hoe blij ze zullen zijn, dat ze eens van een gedekte tafel en met fatsoenlijke vorken van witte borden kunnen eten!” zeide Eugenie verwonderd.

„Daarin juist bestaat je dwaling, lieve Eugenie,” hernam Tante glimlachend. „Gij dacht, dat die menschen 't gemis van deze zaken erg gevoeld hadden, omdat gij dat zoudt doen, als ge in hun plaats waart. Maar zij zijn niet anders gewoon, hebben nooit in hun leven van ander tafelgereedschap gegeten, en zullen zelfs niet weten wat ze met al die borden, met die servetten en die tafellakens moeten uitvoeren. Ze hebben het geld echter voor vrij wat anders noodig, dan voor fijn tafel- en linnengoed. Met hun oude vorken eten ze heel smakelijk, als ze maar iets te eten hebben, en je kunt het hun volstrekt niet kwalijk nemen, als ze je mooi tafelgereedschap te gelde gemaakt hebben, om daarvoor iets te koopen, dat ze met hun vorken in den mond kunnen brengen.”

Eugenie was in gepeins verzonken; want wat Tante gezegd had deed haar de zaken uit een geheel ander oogpunt beschouwen. Half verlegen, maar toch eindelijk weer in haar gewone plagerige luim, begon zij met zichzelf den draak te steken en om haar eigen dwaasheid te lachen. Daarop verzocht ze Tante Betsy op een kinderlijk lieve manier, haar bij de zorg voor de armen met haar goeden raad te willen ondersteunen, opdat zij er ten laatste niet toe mocht komen, omvoor de vrouwen kanten mutsen en voor de mannen gouden snuifdoozen te koopen, als noodzakelijke levensbehoeften. Recht in haar schik met dit verzoek, beloofde Tante haar heur raad en hulp, en zoo konden we in de zorg voor onze armen gezamenlijk werken. Zelfs duurde het niet lang, of Eugenie hielp ons kleeren voor de arme kinderen naaien, en met stille vreugde zagen we zelfs eens een grove wollen kous in haar handen, waaraan ze ijverig zat te breien en die bestemd was voor een armen sjouwerman. Lizette had haar breien moeten leeren.


Back to IndexNext